(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Onze vogels in huis en tuin"



mmmmmmmmmm 



/r:.:^/--." : ",.v,_ ; v,-H. 



I 



ONZE VOGELS 

IN HUIS EN TUIN, 

BESCHREVEN EN AFGEBEELD 

DOOR 

3. ®. ^eulenwnê, 

Adsistent aan 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie. 
DEEL I. 






fe&ft; 

4 "' \ 










LEYDEN, 



4869. 

f;:5r>4;{ 



P. W. M. TRAP. 



ftne> 

va 






INHOUD VAN HET EEKSTE DEEL 



IN SYSTEMATISCHE VOLGORDE. 



1. De Steenuil. 

2. De Kleine Geelkuif-Kakatoe. 

3. De Witkuif-Kakatoe. 

4. De Inseparable-Parkiet. 

5. De Grasparkiet. 

6. De Klaauwier. 

7. De Vlaamsche Gaai. 

8. De Ekster. 

9. De Pestvogel. 

10. De Boerenzwaluw. 

il. De Graauwe Vliegenvanger. 

12. De Mees. 

13. De Kuifmees. 

14. De Pimpel. 

15. De Staartmees. 

16. Hel Baardmannetje. 

17. Het Goudhaantje. 

18. Het Winterkoningje. 

19. De Sluiper. 

20. De Grasmusch. 

21. De Braamsluiper. 

22. Het Roodborstje. 

23. De Zwarte Lijster. 

24. De Winterzanger. 



Strix noctua. 
Cacatua triton. 

» cristata. 
Psittacula pullaria. 
Euphema undulata. 
Lanius excubitor. 
Garrulus glandarius. 
Pica varia. 
Ampelis garrula. 
Hirundo rustica. 
Muscicapa grisola. 
Parus major. 

» cristatus. 

» eoeruleus. 

» caudatus. 

» biarmicus. 
Regulus ignicapillus. 

» cristatus. 
Troglodytes europams. 
Sylvia cinerea. 

» curruca. 

» rubecula. 
Turdus meruia. 
Accentor modularis. 



25. De Kwikslaart. 

26. De Gele Kwikstaart. 

27. De Hoornleeuwerik. 

28. De Leeuwerik. 

29. De Spreeuw. 

30. De Geelgors. 

31. De IJsgors. 

32. De Vink. 

33. Het Sijsje. 

34. De Distelvink. 

35. De Groenling. 

36. De Goudvink. 

37. Het St. Helena-Fazantje. 

38. Het Bonte Weêuwtje. 

39. De Kanarievogel. 

40. De Nonpareil. 

41. De Roodkop-Wever. 

42. De Oranjevink. 

43. De Kleine Domino. 

44. De Rijstvogel. 

45. De Ijsvogel. 

46. De Tortelduif. 

47. De Lachduil'. 

48. De Ringduif. 

49. De Nonduif. 

50. De Raadsheerduif. 

51. De Paauwstaartduif. 

52. De Calilbrnië-Patrijs. 

53. De Patrijs. 

54. De Boschfazant. 

55. De Goudlaken-Fazant. 

56. De Zilverlaken-Fazant. 

57. Het Parelhoen. 

58. De Goudpelshaan. 



Motacilla alba. 

» flava. 
Alauda alpestris. 
» arvensis. 
Sturnus vulgaris. 
Emberiza citrinella. 

» lapponica. 
Fringilla coalebs. 

» spinus. 

» carduelis. 

» chloris. 
Pyrrhula vulgaris. 
Estrelda astrild. 
Vidua serena. 
Fringilla canada. 

» ciris. 
Ploceus erythrops. 
Euplectes oryx. 
Spermestes cuculata. 
Goccothraustcs oryzivora. 
Alcedo ispida. 
Columba turtur. 

» risoria. 

» palumbus. 

» domestica. 

» » 

» » 

Ortyx californicus. 
Perdix cinerea. 
Phasianus colchicus. 

» pictus. 

» nyctemerus. 
Numida meleagris. 
Gallus domesticus. 



59. 


De Zilverbonte Haan. 




Gallus domesticus 


60. 


De Zwarte Poolsche 


Haan. 


» » 


61. 


De Vale Cochinchina- 


Haan. 


» » 


62. 


De Houtsnip. 




Scolopax rusticola 


63. 


De Watersnip. 




» gallinago 


64. 


De Kievit. 




Vanellus cristatus. 


65. 


De Ooijevaar. 




Giconia alba. 


66. 


De Zwarte Zwaan. 




Cygnus atratus. 


67. 


De Donkere Bergeend 




Anas tadornoïdes. 


68. 


De Bergeend. 




» tadorna. 


69. 


De Wilde Eend. 




» boschas. 


70. 


De Caroline-Eend. 




» sponsa. 



J 




" 



J.G Keulemans, ad nat 




V ■•;/// /////, 



P WM T;.a cc! 



DE STEENUIL. 

STRIX NOGTUA. 



De Steenuil is een roofvogel, die zijne strooptogten des nachts onderneemt, 
en daarom ook onder de orde der Nachtroolvogels (Rapaces nocturnae) gerangschikt 
wordt, van welke het de kleine is, die in Nederland wordt aangetroffen. 

De Uilen (Slriges) kenmerken zich door hun grooten, eenigzins platten kop 
en naar voren gerigte oogen, die door een krans van smalle, stijve en regte veer- 
tjes omringd zijn. De oor opening is groot, bij sommige soorten als eene klep, die 
de vogels bij het hooren wijder openen. De scherpe snavel is gedeeltelijk onder de 
lange, stijve vederen van den oogkrans verborgen. De bovenkaak, met spitse punt 
en scherpe zijden, is sterk naar beneden gekromd; de onderkaak is klein, bijna regt, 
gootvormig, eenigzins plat en in de wijdere bovenkaak sluitende. Bij de meeste 
soorten zijn de sterke pooten geheel of gedeeltelijk met vederen bedekt en van vier 
teenen voorzien; de buitenteen kan naar willekeur voor- of achterwaarts bewogen 
worden; op dunne boomtakken zittende, houden deze vogels twee teenen voor- en 
twee achterwaarts; doch op den grond of op steenen rustende, meestal drie teenen 
naar voren gerigt. Zij springen en bedienen zich bij het rooven eerst van hunne 
klaauwen, vervolgens van hun bek. Hunne vlugt is bijna onhoorbaar, tamelijk 
snel en met regelmatige vleugelslagen. De vleugels zijn afgerond, de groot e 
vleugelpennen een weinig binnenwaarts gebogen, en de vlag der buitenste pennen 
hard en aan de buitenzijde zaagswijze ingesneden; de staartpennen zijn een weinig 
naar binnen gebogen. De vederen van het ligchaam zijn zacht, groot, week en 
donzig, en eenvoudig van kleur. 

De wijfjes zijn bij alle soorten grooter dan de mannetjes, en dikwijls iets 
sterker gekleurd. De pasgeboren jongen zijn bij de meeste soorten wit en bij allen 
van een kort, digt en stijf dons voorzien. 



De meeste Uilen broeijen in holen, hetzij in aard- of boomholen, gaten van 
muren, spleten van bergsteenen en rotsen, onder steenen of onder de uitstekende 
wortels van groote boomen. De eijeren zijn over het algemeen wit en bijna rond. 

De meeste soorten kunnen ook bij dag zien, ofschoon hunne oogen hun dan 
slecht ter dienste staan. Het best zien zij in de schemering of bij maanlicht. 

De Uilen kunnen veel voedsel in eens verslinden en daarna lang (sommigen 
wel veertien dagen) vasten. Hun voedsel bestaat uit muizen, hagedissen,' vogels, en 
eenige groote soorten rooven ook jonge hazen, konijnen en ratten. Zij drinken zel- 
den, en de onverteerbare zelfstandigheden van verslonden dieren spuwen zij als 
harde proppen uit. 

In bijna alle landen der wereld komen Uilen voor; op vele kleine eilanden 
schijnen zij echter te ontbreken, en in sommige streken worden zij gedeeltelijk door 
de Nachtzwaluwen (Caprimulgus en Podargus) vervangen. In Europa vindt men 
de volgende: de zoogenaamde Groote Hertog (Strix bubo of Bubo maximus), de 
Middelste Hertog, ook Hoorn-, Oor- en Ransuil genoemd {Str. otus of Otus vulgaris), 
de Kleine Hertog (Str. scops of Scops zorca), de Velduil (Str. (Otus) brachyotus). 
Deze soorten worden Ooruilen genoemd, omdat hun kop met twee hoorntjes of 
liever pluimpjes, uit veeren bestaande, versierd is. Van de Gladkop-Uilen worden 
in Europa nog aangetroffen: de Kerkuil (Str. flammea), de Boschuil (Str. aluco), 
de Sneeuwuil (Str. nyctéa), de Havik-Uil (Str. (Surnia) ulula), de Noordsche 
Boschuil (Str. (Ulula) lapponica), waarvan nog eene verwante soort, de Ulula 
uralensis, de Dwerguil (Str. (Athene) passerina), en eindelijk de Steenuil (Str. 
(Athene) noctua). 

Hier te lande komen niet al deze soorten voor; bij ons vindt men zoo veel 
Uilen niet, ofschoon wij er toch eenige hebben. 

Daar deze vogels, met uitzondering van den Steenuil, minder in den smaak 
van vogelliefhebbers vallen, bepalen wij ons alleen tot dezen, te meer daar hij 
eene groote rol in de vogelvangst speelt. 

Strix noctua beteekend Nachtuil. De naam ,, Steenuil" is waarschijnlijk afkom- 
stig van zijne voorliefde om in oude kerktorens, gaten van muren of in 't algemeen 
op steenen gebouwen te vertoeven. Verkeerdelijk worden de wetenschappelijke naam 
„Strix passerina" en de inlandsche naam „Katuil" voor deze soort gebezigd. 

Het is een standvogel, dien men, vooral in den trektijd der kleinere vogelsoor- 
ten, langs boschjes of nabij boomgaarden en boerenwoningen kan aantreffen. 



Tusschen de seksen is geen verschil in kleur op te merken; zeer oude voor- 
werpen, vooral wijfjes, worden eenigzins lichter van kleur; de vlekken komen bij 
dezen minder uit en trekken meer naar het bruine; de jongere voorwerpen, vooral 
die van den vorigen zomer, zijn daarentegen scherper geleekend. 

De broeilijd der Steenuilen duurt van Mei tot Julij. Zij broeijen slechts een- 
maal 'sjaars, en bouwen hun nest, uit eenige dunne doode takjes bestaande, in 
holle boomen, soms onder daken van huizen of in gaten van muren, en vooral 
van oude kerktorens. Het wijfje legt drie a vijf glazig witte, nagenoeg ronde eijeren. 
liet mannetje is bij dag gewoonlijk nabij of naast het ifest, maar schijnt, voor 
zoover men weet, niet in het broeijen behulpzaam te zijn; althans heeft. men nog 
nooit broeivlekken bij hem waargenomen. Evenmin kan nog met zekerheid 
bepaald worden, hoe lang bij hen het uitbroeijen der eijeren duurt; trouwens, 
daar het Nachtvogels zijn, valt het uit den aard der zaak moeijelijk, deze en 
andere bijzonderheden na te gaan. 

De jongen zijn bij hunne geboorte met een wit dons bedekt; zij kunnen niet 
vóór hun zesden of achtsten dag zien; ook bij hen is de oogrand geel. Het wijfje 
voedt hen met stukken gerooiden buit, liefst van jonge vogels. Als een of ander 
gevaar het nest bedreigt, vliegt ze er op, keert zich op den rug en houdt de pooten 
tot den aanval gereed. 

Het geluid van dezen Uil, dat de vogelaars „blaffen" noemen, is scherp en 
op een verren afstand hoorbaar. 

Men vindt, behalve in den paartijd, zelden twee voorwerpen bij elkaêr. Bij dag 
kan men den Steenuil half sluimerende, meestal op een wilgenknot, zien zitten; 
men loopt hem echter gewoonlijk voorbij; doch zoodra hij eenig geritsel hoort, vliegt 
hij eensklaps op en vlugt naar eene nabijgelegen, liefst beschaduwde plaats. Hij 
is schuw, vliedt het zonnelicht en het gezelschap van andere vogels, door welke 
hij dan ook bij dag altijd vervolgd wordt, zoodra zijne schuilplaats ontdekt is. 
Maken zij het hem al te lastig, dan draait hij zich om, drukt het ligchaam naar 
beneden, rekt zich op eens weer uit en maakt allerlei potsierlijke bewegingen; 
daarbij blaast hij als eene kat, en wanneer hij op 't laatst de vlugt moet nemen, 
blaft hij als een jonge hond. 

Hoewel het een sterke vogel is, dient men toch zeer veel zorg aan hem te 
besteden, daar hij anders spoedig kwijnt en sterft. De vochtigheid doet hem steeds 
onaangenaam aan, zoodanig zelfs dat, wanneer hij geheel natgeregend of in water 



gedompeld is, hij in de meeste gevallen binnen eenige uren sterft of in eene 
flaauwte valt, waarin hij dikwijls blijft. Ook wanneer men hem bij dag te veel in 
zonnelicht plaatst, wordt hij ziek of treurig; daarom houde men hem in eene 
donkere kooi en plaatse die zooveel mogelijk in de schaduw. Baden doet hij zich 
zelden, zoodat een waterbakje in de kooi overtollig is; evenwel kan men hem nu. 
en dan water voorzetten, omdat hij soms drinkt, vooral dan, wanneer hij met 
raauw vleesch gevoerd wordt, dat voor hem een goed voedsel is, mits men het 
fijnhakke en er veeren onder menge; want bij gebrek aan haar of veeren kunnen 
zich bij den Uil geene groepen vormen, gelijk in den natuurstaat geschiedt. 

Strenge koude of sterke warmte schijnen den Uil niet te schaden; ook kan 
hij wel eenige dagen zonder voedsel blijven, mits men hem later een zooveel 
grooter rantsoen toediene. Een vogel ter grootte van eene huismusch of twee a drie 
veldmuizen daags zijn toereikend om hem in 't leven te houden; men houdt hem 
echter zelden langer dan vier jaren, en de meesten sterven reeds binnen het jaar. 

Indien men den Uil bij de vogelvangst wil bezigen, moet hij vóór dien tijd 
eenigzins aan de gevangenschap gewend zijn, daar hij anders te schuw is. Jong 
gevangen voorwerpen zijn dus hiertoe het meest geschikt. Nadat hij daags te 
voren geen of weinig voedsel ontvangen heeft, sluit men hem in eene donkere 
kooi of mand op, na aan zijn poot, boven den hak, een zeemlederen bandje 
bevestigd te hebben; aan dit bandje wordt een koperen ring en, als men op de 
vangst uitgaat, aan den ring een acht a tien voet lang koord vastgemaakt. 

De vangst wordt door drie personen verrigt; de eerste draagt de mand met 
den Uil, de tweede houdt de lijmstokken gereed, en de derde draagt eene kooi 
met Meezen of Pimpels als lokvogels. Men gaat nu hiermede volgenderwijze te 
werk. Zoodra men eenige kleine vogels in de boomen ontwaart, en deze door de 
medegenomen lokvogels aangefloten worden, zet men de mand op den grond en 
laat den Uil, die er door het koord aan vast is gebonden, naar buiten komen. 
Deze vliegt dan meestal op of springt, zoo ver het koordje reikt, vooruit, hetgeen 
gewoonlijk voldoende is om hem door de nabij zijnde vogeltjes te doen opmerken; 
zien deze hem echter nog niet, dan laat men hem nog eens opvliegen of houdt hem 
voor de lokvogels, die dan beginnen te schateren. Te gelijk met de mand, wor- 
den door den tweeden vogelaar de lijmstokken neergezet, in dier voege, dat zij 
buiten 't bereik van den Uil, maar toch ook niet veel verder staan. Hierbij valt 
nog op te merken, dat de stokken altijd zóó geplaatst moeten worden, dat ze in 






't gezigt der te vangen vogels blijven, dus niet te digt bij den boomstam; langs 
wegen met twee rijen boomen, houdt men den Uil in het midden; staan er slechts 
aan ééne zijde van den weg boomen of heggen, dan plaatst men de stokken in 
het midden, den Uil er achter, en de lokvogels nabij een der slokken, buiten het 
bereik van den Uil. Drie stokken zijn voldoende, en de vier a zes met vogellijm 
besmeerde takjes moeten bovenaan boomtaksgewijze of geheel horizontaal geplaatst 
worden; zij mogen echter niet dikker dan een pijpensteel en niet langer dan drie 
palm zijn. Opdat de daarop komende vogel er zich niet van zou kunnen losruk- 
ken, steekt men in den lijmstok kleine, van ijzerdraad gedraaide, korte spiraal- 
veertjes, en bevestigt daaraan de lijmtakjes, die nu alle bewegingen van. den een- 
maal klevenden vogel volgen, zoodat deze niet meer kan ontsnappen. Voorts moeten 
de lijmtakjes zoo hoog staan, dat men zonder moeite de bovenste kan bereiken. 
Regte, ruwe boomtakken zijn voor lijmstokken het best, en voor de lijmtakjes heb- 
ben dunne meidoornlakjes de voorkeur. 

Op ruimere plaatsen, b. v. op een weiland met boomen langs den kant, kan 
men den Uil en de lokvogels verder op het land (tot op tien ellen afstands van 
de boomen) neerzetten; in dit geval heeft men ongeveer tien lijmstokken noodig, 
die men dun rondom den Uil, op zes passen afstands, in een kring schaart. In 
elk geval moeten de lijmstokken boomen voorstellen, opdat de vogels er zich op 
zullen nederzetten. 

Vogellijm verkrijgt men uit gomelastiek, in terpentijnolie opgelost en met lijn- 
olie weder opgekookt totdat ze taai wordt; om te beproeven, of ze kleverig genoeg 
is, laat men nu en dan een droppel op een kouden steen vallen. Taai gekookte 
plantaardige oliën, vooral lijn- en hennepolie, leveren goede vogellijm. Sommige 
boomschorsen, zoo als die van den hulst, fijngestooten en in water gezet, leveren 
eene plantenslijm, die, nadat de houtvezels in stroomend water zijn weggewasschen, 
als goede vogellijm kan dienen. Men moet de stokjes niet te dik met lijm besme- 
ren, daar ze er anders van lieverlede afdruipt of naar beneden zakt; ook moet 
men de houtjes nu en dan eens omkeeren en over elkander draaijen of schuiven. 

Bij regen of mist, wanneer de takken en natuurlijk ook de pooten der vogels 
vochtig zijn, blijven zij niet aan de stokjes vastzitten, en heeft dus de vangst steeds 
slechte resultaten. Men kan echter deze ongelegenheid eenigermate verhelpen, door 
de lijmhoutjes overeind te plaatsen; vliegen er alsdan vogels tegen aan, dan blijft 
gewoonlijk een der vleugels vastkleven. In de allereerste uren van den ochtend 



zijn voor deze vangst plaatsen met alleenstaande boomen veel verkieslijker dan 
boschjes, vermits hier gewoonlijk de takken dan nog vochtig zijn, terwijl die van 
alleenstaande boomen spoediger droogen, omdat er de eerste zonnestralen op vallen. 

Is men nu van goede vang-materialen voorzien, en worden deze behoorlijk 
gebezigd, dan kan men, bij goed (altoos droog) weder, op één voormiddag wel 
zestig stuks vogels vangen. Het zijn vooral Meezen, Pimpels en Staartmeezen, die 
men zoodoende verkrijgt; minder de Roodborstjes, Sluipers (Troglodytes) , en Win- 
terkoningjes (Regulus). Andere Meezensoorten, Zangers, Vinken en Zwaluwen komen 
wel den Uil plagen, maar zitten niet zoo spoedig op de stokken; de Zwaluwen 
nooit: deze vliegen hem slechts al schreeuwende langs het lijf. Kwikstaartjes ver- 
toeven lang bij den Uil, maar blijven meestal op den grond; Boomkruipers (Certhia) 
vliegen dikwijls tegen de stokken, maar raken zelden de lijmhoutjes. De Meezen 
vliegen woedend op den Uil aan, en zetten zich al zeer spoedig op de lijm- 
houtjes neer; zij schateren en blazen, zetten de kuif op en zijn zoo driftig, dat zij 
menigmaal al lang vastgelijmd zitten, vóórdat zij het bemerken. De Pimpels vliegen 
meestal eerst eenige malen heen en weder, maar worden toch spoedig gevangen. 
Staartmeezen roepen elkaêr eerst aan, en de geheele troep („vlugt" in de vogelaars- 
taal) komt dan op eens naar den Uil. Zoodra er nu eenige op de stokken komen, 
Iaat men ze zitten; zij zijn te zwak om zich los te rukken, vallen achter- of 
voorover, en geven door luid geschreeuw hun toestand te kennen; hierop komen 
de overige vogels, misschien in den waan dat de Uil oorzaak van den hagchelijken 
toestand hunner makkers is, hun dadelijk te hulp schieten, doch zijn dan binnen 
eenige oogenblikken, tot den laatste toe, gevangen. 

Soms komen er andere vogels, als: Lijsters (Turdus), Gaaijen (Gdrrulus), 
Klaauwieren, (Lantus), Spechten (Picus), Spreeuwen (Sturnus) en nog grootere, op 
de slokken; van dezen moet men zich onmiddellijk trachten meester te maken, daar 
zij anders door hunne meerdere kracht alligt kunnen ontsnappen. 

Van September tot half December en van Maart tot Mei vangt men kleine 
trekkende Roestvogels; soms ook grootere, als Gaaijen; in Augustus vooral jonge 
Zangers, als Nachtegalen; terwijl Sluipers, Roodborstjes, Winterkoningjes, Goud- 
haantjes, Staart- en Zwartkopmeezen, Pimpels, Vinken en de Zwarte Lijster nog 
gedurende den geheelen winter gevangen kunnen worden. 

Als er uit een troep vogels eenige gevangen zijn, en de overige geen plaag- 
lust meer schijnen te hebben of slechts nu en dan langs den Uil vliegen, moet 



men de plaats verlaten en eene andere trekkende partij trachten op te sporen. De 
Uil gaat weder in zijne mand, de stokken worden weder opgenomen, en zoo gaat 
men geregeld voort. Na drie ure in den namiddag is gewoonlijk de vangst afge- 
loopen. 

De gevangen vogels sluit men dadelijk in eene daartoe bestemde kooi (zoo- 
genaamde ,,looper") op. Deze wordt door een kleedje overdekt of in plaats daarvan 
men ijzergaas voorzien, doch niet met traliën, vermits pas gevangen vogels ge- 
woonlijk hun voorhoofd tusschen de traliën bezeeren. Men strooit zand in de kooi, 
dat aan de pooten moet vastplakken, waaraan altijd een weinig lijm blijft kleven. 
Het is ook raadzaam, de ruststokjes met een weinig kaarsvet te bestrijken, het- 
geen de nog aan de pooten aanwezige lijm belet te kleven. Verzuimt men deze 
voorzorgen, dan kunnen de vogels zich niet reinigen en geraken soms aan elkander 
vastgelijmd. 

Zoodra men van de vogelvangst terugkomt, moet men den Uil, die dan 
gewoonlijk vermoeid is, dadelijk in zijne kooi plaatsen, met rust laten, en hem 
eerst na twee a drie uren zijn voedsel toedienen. 

Met een opgezetten oi beschilderden goed gesneden houten Uil, vangt men 
ook, doch minder, omdat deze door de vogels niet zoo spoedig wordt opgemerkt; 
voor zulk eene vangst bedient men zich van meer lokmeezen en andere lokvogels. 
Het beste is, die vogels in eene groote bijna geheel uit traliewerk bestaande kooi 
te plaatsen, en den Uil er bovenop. 



\ 



^ 




. 



DE KLEINE GEELKUIFKAKATOE. 

CACATUA TRITON. 



De Kakatoes worden, wegens hare algemeene vormen, als een ondergeslacht 
der Papegaaijen beschouwd. Door haar zwaren, hoogen bek, haar meestal korten, 
vierkanten staart en de bij de meeste soorten verlengde kopveêren, verschillen zij 
echter dermate van de eigenlijke Papegaaijen, dat de tegenwoordige ornithologen haar 
tot eene afzonderlijke groep gebragt hebben, wier wetenschappelijke naam thans 
Cacatua is. 

De Kleine Geelkuif is van alle Kakatoes de meest bekende en wordt vooral 
in de zeesteden van Holland gezien, waar zij gewoonlijk door zeelieden wordt 
aangevoerd. 

Zij behoort op het eiland Nieuw-Guinea te huis, wordt daar gevangen, naar de 
voornaamste zeesteden onzer Oost-Indische bezittingen gebragt en met veel winst 
verkocht. Op Java wordt zij in de meeste huizen der blanken aangetroffen. 

Op den grond komt zij zelden, en alleen dan, wanneer er geene vruchten aan 
de boomen zijn; alsdan loopt zij en houdt de voorteenen binnenwaarts gekeerd; 
haar gang heeft echter iets moeijelijks; want de pooten dezer vogels zijn, even 
als die van bijna alle andere Papegaaijen, meer ingerigt om te grijpen en vast te 
houden, dan om op vlakke gronden te loopen. 

In den vrijen staat leeft zij gepaard, meestal eenige paren bij elkaêr, in de 
bosschen. Volgens waarnemingen broeijen zij op bepaalde plaatsen, namelijk in bijna 
ondoordringbare wouden, en in massa's vereenigd, zoodat er dikwerf een vrij groot 
aantal paren in een en denzelfden boom nestelen. 

Hare eijeren, die in eene boomholte, op den molm of in een eenvoudig nest 
gevonden worden, en waarvan elk broeisel gewoonlijk twee oplevert, zijn glanzig 
wit van kleur en ovaal van vorm. 



De jongen hebben de kleur der ouden, behalve dat bij hen het geel aan den 
kop nog fletser is. Ook tusschen de seksen is geenerlei onderscheid van geluid of 
kleur op te merken. 

De inboorlingen van de streken, waar deze vogel gevonden wordt, verhalen, 
dat er bij eiken troep Kakatoes steeds een mannetje gevonden wordt, dat nooit 
paart, maar, tot beveiliging zijner broeijende soortgenooten, als voorpost fungeert, 
en dat deze nimmer het gezelschap verlaten mag, daar hij, bij ontvlugting, door 
iederen anderen troep als deserteur zou aangemerkt en vermoord worden. Ook 
verhalen zij dat, wanneer er strikken of vallen gelegd zijn (waarmee men deze 
vogels gewoonlijk vangt), bedoeld mannetje 't eerst op den uitkijk gaat, ten einde 
den troep te verwittigen, dat hij in de omstreken iets nieuws gezien heeft; dan 
komen de anderen met hem mede, en bezien de strikken, doch worden dan meestal 
door het lokaas verleid en gevangen. Geraakt echter de voorpost of wachter zelf 
in de strikken verward, dan verlaat de geheele bende de streek en sluit zich, bij 
gemis van een eigen wachter, bij een anderen troep aan. 

Dergelijke legenden, die trouwens ook van andere vogelsoorten verhaald wor- 
den, zijn, hoe zonderling 't bij de eerste gedachte ook schijne, toch volstrekt 
niet zoo geheel ongegrond. Bij verschillende vogelsoorten, die in troepen leven, 
bevinden zich namelijk dikwijls meer mannetjes dan wijfjes; het zwakste mannetje 
heeft daar de minste kans, om een wijfje meester te worden, en zal zich dus, meer 
tijd hebbende, ook alligt met allerlei beuzelingen ophouden, 'tgeen dikwijls ten ge- 
volge kan hebben, dat hij, iets ontmoetende, wat hem wonderbaar toeschijnt, dit 
door veel beweging en luid geschreeuw te kennen geeft. In dien zin opgevat, 
behoort dan ook het bestaan van een voorpost bij de Kakatoes volstrekt niet tot 
de onmogelijkheden. 

Dat voor 't overige de verhalen van onbeschaafde inboorlingen meestal tot het 
fabelachtige overhellen, is zeer natuurlijk; zij kennen alleen het verschijnsel, niet 
de oorzaak, en waar zij tot eene verklaring van het verschijnsel trachten te komen, 
daar worden zij alleen door hun praktischen zin geleid, die zich meer met het uit- 
werksel dan met de oorzaak bezig houdt, of liever, het uitwerksel zelf als oorzaak 
beschouwt; dit is den natuurmensch eigen, en niets is dan ook eenvoudiger, dan dat 
zij het alleen blijvende zwakkere mannetje als een noodigen voorpost beschouwen, 
daar zij zich anders geene reden kunnen geven, waarom het juist alleen moet 
blijven. Overigens zijn hunne waarnemingen, ofschoon verkeerdelijk toegepast, dik- 



wijls zeer gegrond. Hij, die zelf waarneemt, weet in den regel meer, dan velen die 
uit het eene boek in het andere naschrijven. 

In den natuurstaat voedt zich de Kleine Kakatoe met zachte, sappige vruch- 
ten, jong groen, zaden enz., waarmede ook de jongen uit den krop worden groot- 
gebragt. 

In den tammen staat is zij een. aardige vogel, die vele woorden leert klappen, 
bijzonder mak wordt en zeer veel aanleg tot verstandsontwikkeling heeft. Zij kent 
dan ook spoedig de huisgenooten en weet haar meester zeer goed te onderschei- 
den. Als men haar in de kooi houdt, is geweekte maïs, brood, rozijnen, noten en 
sappige vruchten voor haar eene lekkernij; op gekookte rijst is zij eveneens te 
houden, maar bij afwisseling moet men er eenige versnapering bijvoegen. Ofschoon 
kooijen met koper traliewerk een fraaijer voorkomen hebben, zijn de ijzeren veel 
verkieslijker, omdat de droppelen water, die zij onder het baden en duiken doet 
opspatten, het koper doen oxy deren en dit koperoxyde voor den vogel een zwaar 
vergif is. Indien zij de gewoonte heeft, de ruststokken stuk te bijten, dan hange 
men telkens in de kooi eenige versch gesneden wilgentakjes, welke zij dan ge- 
woonlijk afpluist. Plukt zij zich de borstveêren uit, men brenge dan een blikken 
kraag, ter breedte van 4 Ned. duimen, aan den hals, in dier voege, dat de scherpe 
kant naar den buik, niet naar den kop gekeerd is; van achteren kan men den kraag 
door middel van twee of meer gaatjes, met een koordje sluiten; ook kan men zich 
tot dit einde van een blikken ring bedienen, die juist over den kop heen kan. 

Als men haar vrij door de kamer laat loopen, zal zij, louter uit gewoonte, 
alles stukbijten, wat zij in den bek kan krijgen. Gaarne trekt en bijt zij de knoo- 
pen van een of ander kleedingstuk af, of vernielt zij de ornementen van spiegel- 
lijsten en dergelijken. Men kan haar dit echter zeer wel afleeren; want zij begrijpt 
gemakkelijk, vooral indien zij na de eene of andere les met eenige versnapering 
wordt beloond. 

De gewoonte, om haar voedsel in den poot te houden en het tusschen de 
vingers uit te pluizen, zet haar iets eigenaardigs bij. Is haar geleerd, w r anneer men 
haar iets toedient, den naam van het toegediende te klappen, dan zal zij na eenigen 
tijd vragenderwijs dien naam herhalen, wanneer zij dergelijk voorwerp ziet of 
hoort. Leert men haar b. v. het woord „klok" uitspreken, even vóór- of nadat deze 
slaat, dan roept zij weldra „klok", zoodra zij een of ander daarnaar gelijkend geluid 
verneemt; evenzoo is 't met de lekkernijen, die men haar geeft, gelegen. 



In de gevangenschap kan zij wel dertig (volgens sommigen zelfs zestig) jaar 
oud worden. Koude kan zij niet verdragen, vochtigheid evenmin. Bij warm weder 
is zij het meest op haar gemak; maar toch dient zij, bij te sterke zonnewarmte, 
in de schaduw te hangen. 

Het ruijen van dezen vogel in de gevangenschap gaat dikwijls met moeijelijk- 
heden gepaard, vooral wanneer hij in het najaar ruit, en nog niet geheel van veeren 
verwisseld heeft terwijl het reeds koud en guur weder is. De meesten sterven daaraan, 
anderen echter ook ten gevolge van min afwisselend of ondoelmatig voedsel. 




~"*-*c: 



;„ 



6 //'/VVV 




■ 



DE WITKUIF-KAKATOE. 

C A G A T U A C R I S T A T A. 



Men verdeelt de Kakatoes in twee hoofdafdeelingen, namelijk, in de soorten 
met eene naar boven gekromde, en in die met eene nederwaarts gebogen kuif. 

De Witkuif-Kakatoe heeft, van alle bekende soorten, naar evenredigheid, de 
grootste kuif. Zij is ook de eenige betrekkelijk witte soort; wij zeggen: betrekke- 
lijk witte, omdat er eigenlijk geene geheel witte Kakatoes bestaan, ofschoon zij op 
het eerste gezigt zoo schijnen: altoos immers zijn de binnen-, of liever, de onder- 
zijde der vleugel- en staartpennen gedeeltelijk citroengeel. 

Ofschoon minder algemeen dan de Geelkuif-Kakatoes, wordt de hier afgebeelde 
soort toch bij vogelliefhebbers en in diergaarden nog al talrijk aangetroffen. De 
blanke bevolking van Oost-Indië is meer dan wij in de gelegenheid, deze vogels te 
verkrijgen; zij worden dan ook, in gevangen staat, het meest in de Oost-Indische 
woningen, vooral op Java, gevonden. 

De witgekuifde soort bewoont Ternate en de nabijgelegen kleine eilanden. 
Volgens Bernstein vindt men haar in Ternate, Halmaheira, Tidore en Batjan; vol- 
gens A. R. Wallace bewoont zij Gilolo, Batjan en Ternate. 

Wat hare levenswijze in de gevangenschap aangaat, kan men haar het best 
met de Groote Geelkuif (C. galerita) vergelijken. Beide soorten hebben in hare ge- 
aardheid veel overeenkomst, vooral in de wijze van hangen, klauteren, alsook in 
haar stemgeluid. Ofschoon over 't algemeen de verschillende soorten van Kakatoes 
onderling veel overeenkomst hebben, bieden zij toch bijna allen, voor een goed 
opmerker, iets zelfstandigs in hare eigenschappen aan. Zoo b. v. heeft de soort 
met gele wangen (C. sulphurea), meer dan de anderen, de gewoonte, gerui- 
men tijd het ligchaam heen en weer te schommelen, zonder van plaats te 
veranderen. De Groote Geelkuif is bedaarder en rigt, even als de Witkuif, dikwijls 



de kuif omhoog en steekt den kop vooruit, hangt dikwijls aan de takken, fluit 
zacht en schreeuwt weinig. De Groote Roodkuif (C. moluccensls) daarentegen is 
een levenmakcr, die veel schreeuwt en spoediger woorden leert klappen, dan de 
soorten met gele kuiven. De Witkuif is niet zoo vlug in het leeren als laatstge- 
noemde (C. moluccensis), maar over 't algemeen een bedaarde vogel; zij rigt hare 
kuil' op, zoodra zij iets vreemds ziet, of wanneer zij schrikt of kwaad wordt, 
zoodat hare verlengde kopveêren zelden in rust zijn. 

Men weet tot nog toe weinig aangaande de levenswijze van deze soort in den 
natuurstaat. Ook omtrent hare wijze van nestelen is nog niets met zekerheid waar- 
genomen. Hoogst waarschijnlijk wijkt zij hierin niet aanmerkelijk van de andere 
Kakatoes af; daar echter de Kakatocs in den regel bepaalde streken bewonen, zoo- 
dat in bepaalde streken ook bepaalde soorten voorkomen, kan er wel in den 
natuurstaat eenig verschil in hare wijze van nestelen en van voeding bestaan. 

Hetgeen wij van de levenswijze der Kakatoes in de vrije natuur weten, 
zijn wij voornamelijk aan Mr. A. R. Wallace verschuldigd; over 't algemeen zijn 
de Kakatoes meer bekend aan liefhebbers, dan aan wetenschappelijke mannen. 
De inboorlingen, die ze vangen en gadeslaan, zullen er zeker wel iets meer van 
weten; maar de lieden, aan welke zij hunne vangst verkoopen, zijn meestal niet 
zeer nieuwsgierig naar de levenswijze des vogels. 

Intusschen heeft men toch van de Witkuif-Kakatoe, zij 't ook in gevangen 
staat, eijeren te zien gekregen; deze waren wit, glanzig en tamelijk rond. 't Is 
overigens volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat deze soort, even als alle andere soor- 
ten, ook in gevangen staat zou broeijen, zoo haar slechts daartoe eene geschikte 
gelegenheid werd gegeven. 

In de kooi geeft men aan alle Kakatoes hetzelfde voedsel, namelijk, maïs, 
rijst, brood, of wat hennepzaad en maïs, door elkander gemengd. Vruchten eten 
zij gaarne, doch zij mogen er niet te veel van hebben. 

liet ruijen heeft bij deze vogels dikwijls slechte gevolgen; ook ruijen zij niet op 
geregelde tijden, en soms kan het, nadat zij de oude veeren afgeworpen hebben, lang 
duren eer zij er nieuwe krijgen. Ingeval zij zich de borstveêren uitrukken, handelt men 
op gelijke wijze als te dien opzigte voor de Kleine Geelkuif-Kakatoe is aangewezen. 

Eene variëteit, of volgens Wallace nieuwe soort, is C. cristatella van Noor- 
delijk Gilolo, deze heeft den vorm van C. cristata maar is veel kleiner en heeft 
eene roode iris. 




. ■■ 






) 






V f//;?''//Sf/Y//Yr -//s///ys. 



DE INSEPARABLE-PARKIET. 

PSITTACULA PULLA1ÜA. 



De naam ,, Parkiet", waaronder deze kleine vogel bekend is, is minder juist: 
hij is eigenlijk geen Parkiet, maar een kleine Papegaai, en diende dan ook, gelijk 
trouwens de wetenschappelijke naam aanduidt, veeleer „Dwerg-Papegaai" genoemd 
te worden. 

Den bijnaam „Inseparable" heeft deze vogel daaraan Ie danken, dat hij niet 
alleen of ongepaard kan leven; in den vrijen staat wordt hij dan ook steeds in 
gezelschap van anderen zijner soort aangetroffen. 

Deze vogeltjes behooren in West-Afrika te huis en zijn in sommige dezer 
streken, zoo als op het eiland St. Thomas, zóó menigvuldig, dat zij er tot de 
meest algemeene vogels behooren. 

In ons land komt de ïnseparable, in gevangen staat, minder voor dan de 
Grasparkiet; daarentegen is hij als kamervogel in eenige streken van Europa, zoo 
als in Portugal, en vooral te Lissabon, zeer algemeen: een gevolg Van de meer 
geregelde scheepvaart tusschen Portugal en die gedeelten van Afrika, waar deze 
vogel gevonden wordt. 

Wanneer wij deze vogeltjes in gevangen staat gadeslaan, zien wij hoe zij 
meestal in een klein kooitje rustig en vreedzaam bij elkander zitten; veel beweging- 
maken zij niet, en zij schijnen al zeer tevreden, zoo zij slechts met elkaèr 
kunnen keuvelen: althans zingen of kweelen zij steeds gelijktijdig en dringen 
daarbij zoo digi op elkander, dat men bij den eersten oogopslag zou meenen, 
slechts, één vogel te zien. Des ochtends en tegen den avond klauteren zij tegen 
het traliewerk op, maar doen dit zelden gedurende het warme gedeelte van 
den dag. 

Beschouwen wij deze vogels daarentegen in den natuurslaat, dan zullen wij 



hen alles behalve rustig vinden; zij vertoonen alsdan, wal hunne geaardheid be- 
treft, zoo veel verschil met de voorwerpen, die in gevangenschap leven, dat wij 
zouden meenen, eene geheel andere vogelsoort voor ons te zien. Weinig vogel- 
lief hebbers zullen echter neiging gevoelen, eene reis naar West-Afrika te onder- 
nemen, alleen om het vrije leven dezer Parkieten van nabij te beschouwen. 

Ik trof hen op het eiland St. Thomas bijna dagelijks bij geheele troepen aan, 
en was steeds verrukt wanneer ik er eenigen in mijne nabijheid zag. Ik noodig 
daarom ieder vogellief hebber beleefdelijk uit, eens in gedachte met mij eene wan- 
deling te ondernemen door de bosschen van dit door de natuur zoo rijk bedeeld 
eiland. Wij zullen nu genoeg Inseparables zien en vangen. 

Vóór zonsopgang begeven wij ons op weg, en zijn na eenige minuten reeds 
tot diep in de wildernissen doorgedrongen. Stelt u een woud voor, waar bijna 
iedere boom eene eigen soort vertegenwoordigt, en al die boomen door eindelooze 
lianen zijn zaamgestrengeld. Deze boomen, die nog nooit door 's menschen hand 
gesnoeid of gekapt of, juister gezegd, „verminkt" werden, breiden hunne takken 
naar alle rigtingen uit en doorkruisen elkander dermate, dat men dikwijls velerlei 
bladeren op een en denzelfden boom aantreft. Op sommige plaatsen zijn zij zoo 
rijk van bladeren voorzien, dat de zwaarste regens er niet kunnen doordringen 
en dus de grond droog blijft. Daar kronkelen zich de breede takken dooreen en 
verduisteren het bijna onbegaanbare woud. De grond is met doode takken over- 
dekt, waartusschen allerhande struiken en gewassen groeijen. Hier en daar, vooral 
in diepten, staat het droesige water tot eenige voeten hoog; doch de moeras- 
planten, waaronder Caladiums, wier bladeren lot drie voet lengte bereiken, be- 
dekken dit water geheel, zoodat ge, eer ge 't weet, er in stapt en u dikwijls 
niet zonder moeite er weder uit kunt redden. De plantenweelde op en boven den 
grond is er zoo groot, dat er geen onbegroeid plekje meer te vinden is. Geen 
stap kunt ge voorwaarts doen, zonder over afgevallen takken te struikelen; uwe 
voeten glijden gedurig langs de kleine gladde steenen af, en telkens wordt ge 
door de slingerplanten als vastgebonden; — doch de moeijelijkheden, waarmede 
wij te kampen hebben, zullen weldra vergoed worden: nog een halve mijl verder 
het bosch in, en we zullen Parkieten te zien krijgen en er zoo veel vangen, dat 
ge over uwe onderneming meer dan voldaan zult zijn. 

Wij hebben een negerjongen medegenomen, die de benoodigdheden voor de 
vangst draagt en ons naar eene kleine vlakte zal geleiden, waar zich, volgens 



zijne verzekering, vele „Periqwüos" (de inlandsehe naam aldaar voor de Inseparables) 
moeten bevinden. — Eindelijk zijn wij in de vlakte aangekomen en bewonderen 
al dadelijk de menigte vruchtdragende boomen, die er in den omtrek staan. Groote 
en kleine vogels vliegen onophoudelijk om ons heen, en de vruchtboomen zijn 
er, als ware 't, meê overdekt; maar onder al die vogels hebben wij nog geen 
enkele Periquilo opgemerkt. Onze negerjongen stelt reeds eenige lussen en strikken 
in een bessendragenden struik, en brengt het rieten kooitje met de lokvogels 
in gereedheid. Na eenige oogenblikken beginnen dezen te fluiten, en wij meenen, 
een dergelijk geluid op eenigen afstand te hooren. De lokvogels verdubbelen hun 
gefluit en klimmen onrustig tegen de traliën op. Werkelijk worden zij door hunne 
in de nabijheid zijnde soortverwanten beantwoord, en na eenige oogenblikken 
zien we den geheelen troep boven, naast en op het rieten slagkooitje zitten. 
Natuurlijk hebben wij ons op eenigen afstand verwijderd, want de Pertquitos zijn 
schuw en uiterst voorzigtig; doch naauwelijks heeft een dezer vogels zich op het 
kooitje geplaatst, of hij laat zich door het smakelijk lokaas verleiden, springt in 
de geopende klep, en wij hebben hem gevangen. Deze wordt nu bij de vogels 
in de kooi geplaatst, en wij zetten op gelijke wijze onze vangst voort, totdat 
wij bijna den geheelen zwerm magtig zijn geworden. De laatsten zijn echter voor- 
zigliger geworden, en dralen meer; gewoonlijk zelfs komen dezen niet in de 
kooi, maar geraken in de strikken of lussen, die de negerjongen daartoe geplaatst 
heeft, verward, en zoo vangen wij toch alle de Periqaitos, die wij straks nog zoo 
vrolijk en blij in de boomen zagen. 

Maar wij hebben daartoe eenige uren noodig gehad, en gevoelen reeds, dat de 
werking der tropische zon op ons verre van aangenaam wordt; daarom keeren wij 
spoedig huiswaarts en ontmoeten op onzen terugtogt nog enkele troepen van deze 
fraaije vogels, die, door de verscheidenheid hunner heldere kleuren, als edel- 
gesteenten in het donkere woud schitteren. 

Nu wij, om wat uit te rusten, te huis gekomen zijn, laten wij de gevangen 
vogels aan de zorg van onzen neger over, die ze onmiddellijk een voor een. in 
de hand neemt, om bij de mannetjes de linker-, en bij de wijfjes de regter groote 
vleugelpennen af te snijden , opdat zij niet meer weg zouden vliegen ; want de kooijen 
zijn niet, zoo als de onze, van ijzeren traliën voorzien, maar geheel uit palm- 
bladstengels gemaakt, die dikwijls door de gevangen vogels worden stukgebeten 
of geheel vernield. Het afsnijden der groote vleugelpennen heeft ook ten doel, 



naderhand met den eersten oogopslag de geslachten te kunnen herkennen; want 
het onderscheid is slechts zeer gering: de zwarte vederen aan de binnenzijde van 
den vleugel, alsmede de weinige blaauwe veertjes langs de vleugelhogt, ontbreken 
namelijk bij het wijfje. 

Keeren wij nu met de gevangen Periquitos naar ons vaderland terug. De 
herinnering aan onze Papegaaijen-vangst moge ons steeds bijblijven: daarom zorgen 
wij 't allereerst, dat er voor onze gevangenen eene groote, ruime volière wordt 
aangeschaft, om hun daardoor het gemis van hunne vrijheid eenigzins te ver- 
goeden. 

Indien de volière behoorlijk is ingerigt, en de vogels goed worden verzorgd, 
zullen zij, even als de Grasparkieten, ook in gevangenschap broeijen. Zij kunnen 
echter niet zoo goed tegen de koude, als dezen, en omdat de broeitijd van 
November tot Maart duurt, dienen zij alsdan binnenshuis gehouden te worden. 
Het broeijen en al wat daarmede in verband staat, komt in alle opzigten met 
dat der Grasparkiet overeen; evenzoo het getal en de kleur der eijeren. De jonge 
vogeltjes zijn fletser gekleurd; de roöde kleur van het voorhoofd ontbreekt bijna 
geheel, en de geslachten zijn nog niet te onderscheiden. 

Men geeft aan de Inseparable hetzelfde voedsel als aan de Grasparkiet; vooral 
zoete en sappige vruchten, zoo als meloenen of ananassen, zijn voor dezen 
vogel eene lekkernij. 







/ f/ /YOJ //fY '// W7 



. 



DE GEASPAEKIET. 

EUPIIEMA UNDULATA. 



De Grasparkiet behoort tot de orde der klimvogels (Scansores), tot het ge- 
slacht der Papegaaijen (Psittacus). Meer eigenaardig ware het, ten opzigte der Pape- 
gaaijen te spreken van klautervogels, daar zij de takken eerst met den bek omvatten, 
zich dan daaraan optrekken en vervolgens de pooten gebruiken, om er als ware het 
tegen op te wandelen, terwijl zij zich op dezelfde wijsnaar beneden kunnen begeven, 
en bij een en ander zoo bedaard en regelmatig te werk gaan, dat geen andere vogels, tot 
dezelfde orde behoorende , hen hierin overtreffen. Het geslacht der Papegaaijen is we- 
derom in verschillende afdeelingen gesplitst. Van eene dezer afdeelingen, die der 
Parkieten (Palaeornis), worden de kleine soorten Euphema genoemd, en daarvan is 
de undulata of Grasparkiet de meest bekende en algemeene. 

Alle soorten, tot welke afdeeling ook behoorende, onderscheiden zich door 
hun bewegelijken snavel, waarvan de bovenkaak min of meer opwaarts, en de 
benedenkaak ook zijwaarts kan gerigt worden. 

Van nature is de Grasparkiet zeer gezellig. In den vrijen staat treft men deze 
vogeltjes dan ook steeds bij troepjes aan, meestal van een gelijk getal, daar zij 
allen gepaard zijn. 

Het eenige uiterlijk verschil tusschen beide seksen bestaat hierin, dat bij de 
mannetjes het neuswas blaauw gekleurd is. 

Het wijfje legt twee a zes glanzig witte eijeren. Gedurende het broeijen wordt 
zij door het mannetje uit den krop gevoerd, dikwijls ook afgelost, hoewel zij niet 
altijd beurtelings broeijen. 

De jongen hebben bij het uitkomen slechts weinig dons, doch groeijen snel 
en gelijken in bijna alle opzigten hunne ouders; alleen zijn de kleuren over 't al- 
gemeen fletser, de oogrand donkergrijs en ontbreken de vlekjes op de wangen; 



daarentegen is het geslachtskenmerk reeds duidelijk bij hen zigtbaar. Nadat zij het 
nest reeds hebben verlaten, worden zij nog eenigen tijd door de ouden uit den 
krop gevoerd. 

Oorspronkelijk behoort de Grasparkiet in Australië te huis, waar hij door de 
inboorlingen met vogéllijm of met kleine netten en in rieten kooitjes wordt ge- 
vangen en aan de Europeanen verkocht, waardoor hij van lieverlede over den geheelen 
aardbol verspreid is. Nog steeds worden er voorwerpen uit hun vaderland her- 
waarts gevoerd; doch hun aantal is gering in verhouding tot de alhier gekweekte. 
Hij teelt dan ook even ligt in gevangen als in vrijen staat, broeit zoowel in 
kamer als in tuin, en kan bijna even goed als onze inheemsche vogels de koude 
doorstaan. Nogtans dient, wanneer men hem in den tuin houdt, de volière bij koud 
of guur weer met glazen ruiten gesloten of, wanneer zij zeer groot is, van digte 
of gemetselde wanden voorzien te worden; de traliezijde moet naar het Zuiden 
gerigt en de aanwezige temperatuur mag niet beneden het vriespunt zijn. 

Om de vogels in het broeijen te hulp te komen, dient het plaatsen van ver- 
molmde wilgenstammen op den achtergrond of in de hoeken der volière; de daarin 
aanwezige holen moeten niet te veel verborgen zijn en de gaten mogen niet meer 
dan acht centimeters middellijn hebben. Men kan hierin van stroo gemaakte nestjes 
plaatsen, ofschoon tot bouwstof voor het nest niet meer noodig is dan eenig hooi, 
daar het wijfje des noods hare eijeren op den molm legt. Soms ook worden bam- 
boezen kokers gebezigd, op den bodem met hooi bedekt. 

Het voedsel van de Grasparkiet bestaat in gierst of wit zaad, alsook in 
vruchten en pitten; peterselie daarentegen is voor hem, gelijk voor alle andere 
Papegaaijen, vergift. 

Door fraaijen zang onderscheidt de Grasparkiet zich niet; evenwel klinkt het 
zacht gekweel, dat hij soms laat hooren, niet onaangenaam. Hij kwijnt wanneer 
hij alleen opgesloten zit, of niet gepaard is; ook is het van belang, deze vogels in 
eene niet te enge kooi te houden, daar gebrek aan ruimte, en daardoor moeijelijker 
ruijen, velen doet sterven. 




I 

•\ 

V 

X 

I 
I 



e V 



DE KLAAUWIEK. 

LANIUS EXGUBITOR. 



De Klaauwieren bewonen de oude wereld en Noord-Amerika en worden in 
Zuid-Amerika door de Tyrannen (Tyrannus) vervangen. In vele streken ontbreken 
zij geheel of zijn er zeldzaam; in andere daarentegen zijn zij tamelijk menigvuldig. 

Wat grootte betreft, staan zij nagenoeg tusschen de Musch en de Zwarte 
Lijster in; ten opzigte van vorm en geaardheid daarentegen kunnen zij tusschen 
de roofvogels en de zang- of roestvogels gerangschikt worden, of, juister gezegd, 
zij bekleeden de qualiteit van roofvogels onder de zangvogels. En waarlijk, onder 
de eigenlijke familie der roofvogels vindt men menige soort, veel minder wreed, 
woest en moordzuchtig, dan de meeste Klaauwiersoorten. 

De wetenschap kent nog andere vogels, die eveneens als Klaauwieren kunnen 
beschouwd worden en van den grondvorm slechts weinig afwijken, zoodat het ont- 
staan van nieuwe geslachtsnamen meer is toe te schrijven aan de ontdekking van 
nieuwe soorten, dan aan de afwijkende vormen des vogels. Daaronder behooren 
de ondergeslachten: Corvinella, Maloconolus, Prionops, Falmneulus, Laniarius, 
Basanistes, Dryoscopus, Vanga, enz. 

Er bestaan slechts weinig soorten van het geslacht Lanius, en de meeste zijn 
zeer eenvoudig gekleurd. Van alle bekende soorten zijn de mannetjes nagenoeg 
aan de wijfjes gelijk, en verschillen de jongen van de ouden door de overdwar- 
sche, fijne streepjes, die zij aan de veeren der onderdeelen hebben. 

In Europa is de Gewone- of Grijze Klaauwier het talrijkst in individuen, het 
meest verspreid, en de grootste soort, maar ook de brutaalste, koelbloedigstc 
moordenaar onder zijne geslachtsgenooten. 

Zijn wetenschappelijke soortnaam „ezcubüor", d. w. z. „wachter", heeft waar- 
schijnlijk betrekking op zijne gewoonte om, zoodra hij een Roofvogel ontwaart, 



een luid geschreeuw aan te heffen, waardoor hij andere vogels waarschuwt, zoo- 
dat hij als wachter, of liever als wachtpost, eene groote rol onder het gevogelte 
vervult. In verschillende streken van ons land noemt men hem Klapekster (de 
eigenlijke officiële naam), welke titel echter noch met zijne hoedanigheid, noch 
met zijne vormen strookt; want de Klaauwier klapt niet, en verschilt in alle opzig- 
ten van de Ekster. Sommigen noemen hem Slagter of Slagtervogel, anderen Wach- 
ter, Negendooder, Doorndraaijer; in verschillende streken draagt hij nog andere namen, 
te veel om hier op te sommen. De menigte titels, die deze vogel alzoo voert, zouden tot 
de onderstelling kunnen leiden, dat hij zeer algemeen is; dit is echter het geval niet: 
hier te lande is hij zelfs overal schaarsch; daarentegen treft men hem in Duitschland, 
Hongarije, Polen, alsmede in verschillende streken van Rusland en in Noord-Eüropa 
meer algemeen aan. In Scandinavië wordt hij dikwijls opgemerkt, maar in Engeland 
is hij eene groote zeldzaamheid en niet eens in de fauna opgenomen. 

Het mannetje verschilt van het wijfje door het donkerder en glimmender zwart 
aan de vleugels, de meer gelijke grijs-witte kleur aan de onderdeelen en de meer 
duidelijke witte streep boven het oog. Oude wijfjes zijn moeijelijk van de mannetjes 
te onderscheiden. Zoo lang zij niet ouder dan een of twee jaren zijn, merkt men meestal 
donkere randen aan de borstveêren op, welke echter bij het eene individu veel 
duidelijker dan bij het andere zijn, en meer in verband staan met den leeftijd, 
dan met de sekse. De jongen hebben, tegen den tijd dat zij het nest verlaten, 
bijna dezelfde kleuren als de ouden, maar hunne onderdeelen trekken dan nog 
meer naar het geelachtige, en aan iedere veer hebben zij dan nog een smallen, 
donkeren rand; ook is het zwart aan den kop bij hen nog zeer flets, en aan 
de vleugels minder glanzig, dan bij de volwassen voorwerpen. 

De Klaauwier maakt een tamelijk groot en vlak of halfkogel vormig nest, dat 
op het eerste gezigt naar een lijslernest gelijkt, maar kleiner is. Het wordt een- 
voudig uit heide en dunne takjes zaamgesteld en van binnen soms met dunnere 
worteltjes belegd; ook heeft men er wel eens vederen in gevonden. De eijeren, 
gewoonlijk vier a zes in één broeisel, zijn niet zeer puntig, blaauwgroen met eeni- 
ge groote en kleine, zwarte en donkerbruine vlekken, waarvan de kleine gewoon- 
lijk aan het stompe einde, de groote over het geheel verspreid zijn. Beide ouden 
broeijen en verzorgen de jongen. Zoodra er in de nabijheid van eene boerderij 
een nest met jongen is, kan men dit spoedig bemerken aan de ouden, die onop- 
houdelijk langs de mestputtcn komen vliegen, om er de kevers op te sporen. 



Kevers zijn namelijk hel voornaamste voedsel der jongen. Weekje insecten wor- 
den door de ouden zelden gegeten, en ook niet aan de jongen uitgedeeld. 
Zijn de jonge Klaauwieren bijna volwassen, dan ziet hel er voor de in den 
omtrek broeijende zangers slecht uit, vooral wanneer de Klaauwier geen genoeg- 
zamen voorraad kevers of wespen kan magtig worden. Dan is het een gevaar- 
lijk vijand voor het gevogelte; want alles wordt zijn buit. Een oude Klaau- 
wier valt des noods broeijende Lijsters, ja zelfs Duiven aan, om de jongen on- 
der haar weg te rooven; zijne jongen verlangen voeder, en dan kent de Klaauwier 
geen medelijden. Na den broeitijd eten jong en oud weder insecten, en zelden 
valt een hunner een zwakker vogeltje aan, zoo lang zij niet door den honger 
gekweld worden. In het najaar of tegen den winter, als de kleine vogels trekken 
en de insecten dood of verscholen zijn, komt de moordlust weder te voorschijn, 
en vele zwakke diertjes worden dan door den Klaauwier overvallen en verslonden. 
Hij kan dan, even als de Vliegenvangers, een tijdlang onbewegelijk op den loer 
blijven zitten. Komt er nu een groote vogel in de nabijheid, dan slaat hij dezen 
naauwlettend gade en schijnt diens Kracht te schatten; ten minste, er ligt dan 
iets twijfelachtigs in zijne wijze van doen. Blijft hij zitten, dan is dit een bewijs, 
dat hij niet door den honger gekweld wordt; want anders valt hij er op aan, 
onverschillig of zijn tegenpartij al dan niet sterker is. Dikwijls moeten dan 
grootere vogels het onderspit delven, daar de aanval zoo onverwachts en zoo 
schielijk geschiedt, dat den overvallen vogel reeds eenige doodelijke beten zijn 
loegebragt, vóór hij nog tijd heeft, om zich in tegenweer te stellen. Zoo b. v. 
werd door zekeren vogelliefhebber, op zijne buitenplaats nabij Rotterdam, een Klaau- 
wier geschoten, terwijl deze juist bezig was eene Zwarte Lijster te verslinden, 
de vierde reeds welke men hem binnen eene week daar had zien vangen. 
De tuinier verzekerde mij, dat dezelfde Klaauwier dikwijls zelfs met een Vlaam- 
schen Gaai in den strijd was getreden en reeds gedurende eenige maanden in dit 
oord onophoudelijk Winterkoningjes en Staartmeezen vervolgde en meester werd* 
Ik heb dikwijls gezien dat Boomkruipers op eens van den boomstam werden weg- 
gepakt, zonder nog den Klaauwier opgemerkt te hebben. Zulk een roof had iets 
sperwerachtigs, geschiedde in de vlugt en zóó snel, dat ik den tijd niet had, om 
te zien door welken vogel de Boomkruiper was weggeroofd. Ik bemerkte echter 
later, dat het de Klaauwier was, daar ik hem onder het wegvliegen aan zijne 
grootte en vlugt herkende. Een mijner vrienden ving vogels op lijmstokken 



met den Uil; er zaten op de lijmstokken eenige Staartmeezen, die nog 
niet bemerkten dat zij gevangen waren; plotseling schiet er een Klaauwier 
langs de stokken, pakt onder het voorbijscheren een der gevangen Staarlmeezen 
aan, en verdwijnt er mede in een mastboschje; eenige veeren van de Slaartmees 
bleven aan den lijmstok zitten, doch dit vastkleven van zijne prooi had den Klaau- 
wier geenerlei oponthoud veroorzaakt, hetgeen tevens vo.or zijne kracht getuigt. 
In het najaar van 1868 werd er buiten Rotterdam, in de Nieuwe Plantage, een 
Klaauwier gevangen in een Meezenknip. 

Zoo als we hierboven aanmerkten, verraadt de Klaauwier de tegenwoordigheid 
van roofvogels; hij vliegt dezen onder een luid geschreeuw na, hetzij om hen te 
plagen, hetzij misschien om eenigen afval van hun buit te krijgen. Door zijn luid 
geschreeuw worden nu wel is waar de in de nabijheid zijnde vogels gewaarschuwd 
en kunnen deze zich voor die roofvogels verbergen; doch de Klaauwier speelt hierbij 
eene natuurlijke doch valsche rol: want van de in het hout verscholen vogels 
weet hij voor zich zelf wel degelijk partij te trekken. De groote roofvogel namelijk 
kan moeijelijk tusschen de takken door zulke kleine vogeltjes magtig worden; 
maar de Klaauwier, die ze eerst zoo vriendschappelijk waarschuwt om zich te 
verschuden, komt, zoodra zij verscholen zijn, hen onverwachts op 't lijf, en ver- 
wurgt ze. Even als de Klaauwier de groote roovers naschreeuwt, zoo wordt ook 
hij wederom door Meezen, Sluipers en Zangers uitgejouwd. Meezen blazen en 
schateren zoodra zij hem bespeuren; Sluipers vliegen om hem heen en varen 
tegen hem uit als tegen den Uil, waarbij zij zich echter meer in acht nemen, 
want hij is een veel gevaarlijker vijand dan de Uil. Winterkoningjes zijn het 
meest voor hem bevreesd; zoodra zij hem gewaar worden, kruipen zij tusschen 
het gebladerte weg of laten zich vallen, onverschillig waar zij neerkomen. Ik heb 
ze wel eens uit het gras opgejaagd, meenende dat de arme diertjes gewond waren, 
daar ik bijna op hen trapte. Zij waren zoo onthutst, dat ik ze schier met de hand 
kon vangen, vlogen weg en verscholen zich onmiddellijk weer. Hadde ik niet spoe- 
dig in de nabijheid den loerenden Klaauwier op een tak zien zitten, dan ware mij 
het verschijnsel onverklaarbaar gebleven. 

Men heeft van den Klaauwier ook waargenomen, dat hij kleine en groote insecten, 
zelfs vogels, op doornen vaststeekt of tusschen naden en scheuren bevestigt, ten 
einde, bij latere behoefte, van zijn voorraad gebruik te kunnen maken. Men heeft echter 
niet opgemerkt of hij ook bij dien voorraad de wacht houdt, hetgeen trouwens 



wel noodig moet zijn, aangezien hij anders kans heeft, dat zijn 'zoo zuinig be- 
spaarde buit door andere vogels in beslag genomen wordt. 

Fraaijen zang heelt de Klaauwier niet; als hij zich op zijn gemak gevoelt, laat hij, 
boven in de boomen zittende, eenige heldere toonen, of liever, een kwelenden wildzang 
hooren, waarin men strophen uit den zang van andere vogels wil opgemerkt heb- 
ben. Er zijn echter vele vogels, waarvan dit gezegd wordt, en hoogst waarschijnlijk 
is ook deze waarneming geheel ongegrond; want, als men van alle bestaande 
vogels den zang in zijn geheugen prent, zal men veel onderlinge overeenkomst 
in den algemeenen zang der vogels opmerken. Wel is waar komen, onder zulke 
zoogenaamde nabootsingen, vele geluiden voor, welke met die van andere vogels 
overeenkomen, maar dan is dit geluid aan den natuurlijken zang van het individu 
eigen. In gevangenschap is het er anders mede gesteld: daar hebben de vogels niet 
zoo veel in 't hoofd, en bepalen hunne waarnemingen zich meer tot hetgeen er 
rondom hen voorvalt, en dan vinden zij verslrooijing door een of ander zonder- 
ling geluid of deze of gene zonderlinge gewoonte aan te nemen. 

Het gewoon geroep van den Klaauwier klinkt scherp, gelijkt min of meer 
naar dat der Ekster, doch is veel zwakker. Ziet hij een roofvogel, dan klinkt zijn 
geschreeuw als „cliriek-chriek-chriek" . In het voorjaar daarentegen laat hij een 
zacht gefluit hooren, luidende als: „oe-iek wiek" enz. 

Men kan de Klaau wieren zeer goed in de kooi houden, en dan zijn zij zeer 
aardige, oplettende vogels. Men geeft hun kleine stukjes vleesch, meelwormen, 
miereneijeren en gehakt ei. Vleesch lusten zij het liefst, en op Meikevers (Melo- 
lontha vulgaris) zijn zij verzot. Ik heb dikwijls een gekooid voorwerp in de gele- 
genheid gesteld om insecten aan een doorntak vast te steken; maar nooit maakte 
de vogel van die gelegenheid gebruik: waarschijnlijk achtte hij dit onnoodig, daar 
hij, met het oog op zijn steeds gevulden elensbak, de gewoonte, om voorraad 
te verzamelen, niet meer in praktijk behoefde te brengen. 




V 



Si 

IJ 

V 

I 



V, 



DE VLAAMSCHE GAAL 

GARRULUS GLANDARIUS. 



De Vlaamsche Gaai, ook Meerkol, Broek- en Klapekster genaamd, behoort 
tot de orde der kraaiachtige vogels, waarvan hij echter in kleur en in vele 
andere opzigten afwijkt. Deze vogel is in Nederland niet zeldzaam en houdt zich 
meestal in de bosschen op. Gewoonlijk trekt hij in het najaar weg, doch blijft 
ook dikwijls over, voornamelijk bij zachte winters of wanneer er zich in het 
najaar veel eikels voordoen; hij heeft dan ook den naam glandarius daaraan te 
danken, dat hij in den nazomer eikels verzamelt en in boomholen bergt, ten 
einde zich 's winters daarmede te voeden. 

De vogels van deze soort, verschillen onderling eenigermate in kleur, hetgeen 
vooral aan den leeftijd en ook aan het jaargetijde is toe te schrijven. Dit verschil 
bepaalt zich echter tot het meer of minder heldere van den toon. Tusschen de seksen 
is geen uiterlijk onderscheid op te merken; de jongen verschillen slechts weinig in 
kleur met de ouden. Zeer oude voorwerpen zijn gewoonlijk iets donkerder van 
kleur en hebben dikwijls het wit der vleugelpennen blaauw gezoomd. 

Eigenlijken zang heeft de Gaai niet, doch hij bootst vele geluiden van 
andere vogels na, en laat slechts nu en dan, vooral wanneer hem eenig gevaar 
nadert of iets zijne verwondering wekt, een hem eigen geluid hooren, dat schel 
en onaangenaam klinkt. Vele andere vogelsoorten kennen dit geluid, dat hun tot 
waarschuwing strekt, en ontvlugten dan ook, meestal zonder te weten waarom, 
gelijktijdig met den Gaai. Daarom zien de vogelvangers niet gaarne, dat hij nabij 
de lij ster strikken komt; want gewoonlijk is alsdan, om genoemdereden, de vangst 
niet voordeelig. Vinden alzoo tal van vogelen in hem een zeer nuttig vriend, voor ande- 
ren is hij des te gevaarlijker vijand, dewijl hij dikwijls jonge vogels uit de nesten rooft 
en zelfs jonge Patrijzen en ander klein gevogelte vangt; waarom de Vereeniging 






tot bescherming van den wildstand, hem, als eene voor de jagt schadelijke vogel, 
liet vervolgen en in 1867 berigtte, dat aan haar 63 Vlaamsche gaaijen, waarvan 
26 vóór en 37 na den 15 Mei, vertoond waren. Ook op den Steenuil is hij zeer 
verbitterd en bij dag vervolgt hij ook de Horen- en Velduil. 

't Is alles behalve gemakkelijk, den Gaai levend te vangen; hij laat zich 
niet ligt verschalken; hij is schuw, slim, voorzigtig, zeer opmerkzaam en wan- 
trouwend; daarbij houdt hij zich gewoonlijk verborgen en komt alleen 's ochtends 
vroeg op den grond of in vlakke streken te voorschijn; vandaar dat men 
hem slechts zelden te zien krijgt, hoewel het een zeer algemeene vogel is. In 
zijne vlugt beweegt hij zich met korte, maar ongelijkmatige vleugelslagen, en zet 
zich gewoonlijk op de bovenste takken der boomen neder. 

De broeitijd van dezen vogel duurt van Mei tot Augustus. Ieder paar 
maakt twee broeisels: het eerste tegen half Mei, het laatste in Julij. Hun nest. 
bouwen zij in boomholen of tusschen takken. In het eerste geval wordt het 
slechts half voltooid en kan dan bijna geen eigenlijk nest genoemd worden ; tus- 
schen takken daarentegen wordt het vrij goed afgewerkt. Het bestaat uit heide, 
dunne takjes of worteltjes, die luchtig over elkander gelegd zijn, waardoor het 
min of meer veerkrachtig is. De eijeren, drie a vijf in getal, hebben veel over- 
eenkomst met die van den Ekster of van het Kouwtje (Corvus monedula). De jongen 
zijn aanvankelijk schier zonder dons en hebben eene zeer doorschijnende huid, 
zoodat zij er bijna geheel rood uitzien. Zij worden door de beide ouden met 
rupsen, wormen, alsook met bezien grootgebragt. 

De voorwerpen, die wij in gevangen staat aantreffen, zijn in den regel 
jong uit het nest gehaald. Zij worden zeer mak, zelfs brutaal, en nemen gaarne 
allerhande zaden en gekapt vleesch tot voeding. Bij goede behandeling leeren zij, 
even als de Raaf en vele andere vogels, eenige woorden klappen, zonder dat men 
hun den tongriem behoeft te snijden. 




I 



DE EKSTEE. 

PICA VARIA. 



De Ekster is een kraaiachtige vogel. Ofschoon vroegere ornithologen haar als 
eene kraaijensoort beschouwden en dan ook Corvus pica noemden, wordt thans 
erkend, dat zij een eigen geslacht vormt, waarvan het geringe aantal soorten 
zich inzonderheid door kortere vleugels en langeren staart van de eigenlijke 
Kraaijen onderscheiden. 

In 't Noorden van Europa komt de Ekster menigvuldiger voor, dan in de 
Zuidelijker gelegen streken. Hier te lande wordt zij in vrij groote menigte aan- 
getroffen, en kan als een standvogel worden aangemerkt, omdat van de bij ons 
uitgebroeide voorwerpen slechts eenigen wegtrekken of rondzwerven. 

Er bestaat bij dezen vogel geen uiterlijk verschil in kleur of stemgeluid tus- 
schen de seksen; alleen hebben de mannetjes, vooral in het voorjaar, soms glan- 
ziger vleugel- en staartpennen. Ook de jongen vertoonen hetzelfde vederkleed; 
zelfs als hunne vederen nog maar ten halve zijn uitgegroeid, is de fraaije 
metaalglans reeds zigtbaar. 

Het groote, uit takken zaamgevlochten nest wordt door beide ouden reeds 
vroeg in de lente gebouwd, soms ook van een uit takjes vervaardigd dak voor- 
zien, als wanneer de ingang op zijde is. Menig eksterpaar bouwt echter meer dan 
eene woning, en dikwijls zijn deze zoogenaamde speelnesten zeer verre van 
elkander verwijderd. Meestal wordt alleen in het veiligst gelegen nest gebroeid, en 
uit de overtollige of speelnesten haalt het mannetje dan de gebruikte takjes 
weder weg en voegt ze bij het nest, waarin de eijeren moeten gelegd worden. 
Dikwijls ook worden de speelnesten geheel weggehaald, of wel door andere, 
meestal jongere eksterparen in beslag genomen en verder afgewerkt. Zooveel is 
zeker, dat oude voorwerpen nooit in de speelnesten hunner soortgenooten zullen 



broeijen, maar integendeel, hoe ouder zij worden, des te steviger nesten zullen 
zamenstellen. Zij kiezen daarvoor gewoonlijk de hoogste takken van hooge boö 
men, en bezigen als bouwmaterialen alleen doode takjes; soms echter wordt aar 
de binnenzijde van het nest ook wel heide aangetroffen. Als de takjes dooreer, 
gevlochten zijn, brengt het mannetje in den bek slijk aan en werpt dit in de nog 
aanwezige openingen, meest altijd aan de binnen-, zelden aan de buitenzijde 
daardoor hechten zich de takjes vast en wordt het geheel steviger, 'tgeen dan 
ook, de hoogte, waarop het geplaatst is, in aanmerking genomen, wel het geval 
dient te zijn, wil het nest niet door stormen uit elkaêr gerukt worden. 

Elk broeisel bestaat uit vier a zes eijeren, die flets blaauwachtig groen zijn, met 
graauwe, kleine, gelijkmatig verdeelde vlekjes. In kleur zijn zij, even als die van 
de Vlaamsche Gaai, aan de eijeren van alle andere kraaiachlige vogels gelijk, doch 
verschillen daarvan door hunne geringere grootte. 

De broeitijd duurt gewoonlijk achttien dagen, soms een of twee dagen lan- 
ger, al naardat het weder min of meer warm is. De jongen worden door beide 
ouden in de eerste dagen met rupsen en wormen, later met hardere insecten 
gevoed. Als ze reeds het nest kunnen verlaten, blijven zij nog eenigen tijd, die 
van het tweede broeisel meestal tot het volgende voorjaar, in 't gezelschap der 
ouden. 

De oude Eksters blijven jaren lang gepaard, komen op dezelide plaats terug, 
om te broeijen, maar maken daar een nieuw nest, waartoe echter nog dikwijls 
van de bouwstoffen van het vorige nest gebruik wordt gemaakt. 

liet voedsel dezer vogels bestaat hoofdzakelijk uit insecten, kleine hagedissen, 
veldmuizen of wormen, die zij behendig uit den grond pikken; zij vangen ook 
vlinders en kevers in de vlugt, stelen de eijeren van andere kleine vogelsoorten 
en versmaden ook de zeer jonge voorwerpen niet, wanneer zij die magtig kunnen 
worden. 

Hun stemgeluid is, ofschoon eenvoudig, meer ontwikkeld dan dat der overige 
inheemsche kraaiachtige vogels, en naar omstandigheden laten de Eksters ver- 
schillende geluiden hooren. Hunne lokstem is krachtig en wordt dikwijls schateren 
genoemd; men hoort die tegen en na, maar zelden gedurende den paartijd. 

Bij hunne bewegingen in de hoornen maken zij groote sprongen, doch op 
den grond loopen zij gewoonlijk, en springen alleen dan, wanneer zij spoediger 
vooruit willen komen. Het zijn zeer voorzigtige, schuwe en verstandige vogels, 



die, altoos voor een vogel, een uitmuntend geheugen bezitten, en onder de men- 
schen zeer goed vrienden van vijanden weten te onderscheiden. Wanneer zij , 
b. v., in een weiland of langs den weg loopen, zullen zij, voor de eerste maal 
verjaagd wordende, niet zoo ver wegvliegen, als wanneer zij herhaaldelijk worden 
opgejaagd. Zijn zij eenmaal door een geweerschot verontrust geworden, dan 
zullen zij, op het gezigt van den jager, onmiddellijk onder luid gekras wegvlie- 
gen, maar daarentegen bedaard blijven zitten, wanneer hun een ongewapend 
persoon nadert. Zitten zij langs de straatwegen, dan zullen zij zich niet veront- 
rusten, wanneer er iemand voorbijloopt; blijft men echter staan en ziet men hen 
aan, dan nemen zij dadelijk de vlugt. In streken, waar zij nimmer verjaagd wor- 
den, zijn zij dan ook zeer mak, en zelfs bij ons blijven zij op plaatsen, waar hen 
geen gevaar bedreigt, zonder argwaan voortwandelen. liet valt dus niet gemak- 
kelijk, hen magtig te worden, en men kan dan ook alleen de jongen uit de nesten 
halen; deze moeten dan echter minstens acht en hoogstens veertien dagen oud 
zijn, daar zij anders meestal in de gevangenschap sterven; evenwel houden die 
van het eerste broeisel het gewoonlijk beter uit dan de anderen. Men voert ze 
met gehakt vleesch en zelfs met raauwen visch. 

Men moet deze vogels nimmer in de kamer vrij laten rondloopen; want dan 
stelen zij allerhande glinsterende voorwerpen en verbergen die dikwijls zoo goed, 
dat men ze vooreerst niet terug zal vinden. Van deze hunne eigenaardigheid, welke 
reeds dikwijls tot allerlei fabelen omtrent hunne diefachtigheid heeft aanleiding- 
gegeven, ligt de oorzaak hierin, dat zij in den vrijen staat, even als de Vlaamsche 
Gaai en andere hier overwinterende vogels, winter- of voorraadschuren inrigten; 
dat hierbij hun smaak vooral op glinsterende voorwerpen valt, is hieraan toe 
te schrijven, dal hun natuurlijk voedsel, des zomers en in het najaar, grooten- 
deels uit loop- en mestkevers bestaat, die bijna allen glimmen of eene metaal- 
blaauwe kleur hebben. 

Men kan de gekooide Ekster verschillende woorden leeren klappen, zonder 
dat men haar daartoe den tongriem behoeft te snijden. Haar spraakvermogen is 
echter zeer gering en bepaalt zich slechts tot eenige weinige, scherp klinkende 
woorden, vooral die, waarin de ch en de k voorkomt. In landen, waar meer 
melodieuse talen gesproken worden, vindt men dan ook minder pratende Eksters. 

In gevangenschap is het door zijne oplettendheid een zeer aardige vogel, die 
tot veertig en meer jaren oud kan worden. Hij drinkt weinig, maar eet veel, en 






geeft dikwijls door luid geschreeuw zijne verschillende gewaarwordingen te 
kennen. 

De gewone Ekster van Japan is van de onze alleen door hare mindere grootte, 
maar niet in kleur te onderscheiden. 

In ons land komt slechts ééne Ekstersoort voor, en variëteiten behooren tot 
de zcldzaamheden. 



DE PESTVOGEL. 

AMPELIS GARRULA. 



Vele vogelliefhebbers zullen zich dikwijls verwonderd hebben over den zonder- 
lingen naam, waarmede deze vogelsoort hier te lande bestempeld wordt. Wij 
lezen dienaangaande in eene breedvoerige verhandeling betreffende dezen vogel, 
van den Heer A. A. van Bemmelen (Jaarboekje Natura Artis Magistra.), dat 
de verschrikkelijke naam Pestvogel zijn ontstaan te danken heeft aan het bij- 
geloof, hetwelk in de verschijning van dezen vogel de voorbode eener nade- 
rende pestziekte zag. Het is echter gebleken, dat die ziekte niet na de verschij- 
ning des vogels, maar op verschillende tijden geheerscht heeft, en dat juist in 
die jaren, waarin men door genoemde ziekte bezocht werd, geene Pestvogel- 
verhuizing werd waargenomen. 

't Is dan ook inderdaad te betreuren, dat een zoo fraaijen vogel in ons land 
geen betere titel geschonken wordt, te meer daar hij in andere landen steeds een 
met zijne kleuren of eigenschappen strookenden naam voert. Ook d&arom, dunkt 
mij, diende hem een andere, betere naam gegeven te worden, omdat men anders 
gevaar loopt, dat de bewijzen van Nederlandsche ligtgeloovigheid uit. vroegere 
dagen door den naam eens vogels vereeuwigd worden. Maar ook nog te huidigen 
dage wordt de verschijning van dezen vogel door sommigen als de voorbode van 
een of ander onheil beschouwd, terwijl anderen weer van meening zijn, dat de 
verhuizing dezer vogels geregeld om de zeven jaren geschiedt. Een en ander is 
echter geheel onjuist, en de oorzaak van het feit, dat men slechts nu en dan 
deze vogels aantreft, ligt alleen in het meer of minder groote aantal dezer vogels in 
de Noordelijker gelegen landen, alsmede in de rigting van den wind gedurende den 
trektijd. Ditzelfde geldt eveneens voor andere trekvogels; ook omtrent dezen is 
immers eiken zomer of najaar iets bijzonders op te merken, b. v., dat er het eene 



jaar veel, en het volgende jaar weinig individuen van deze of gene vogelsoort 
gevonden worden. 

De vogel, dien wij, zoolang geen beteren naam in gebruik is, Pestvogel 
zullen blijven noemen, behoort niet in Nederland te huis, maar wordt er alleen 
op den trek aangetroffen; soms echter, wanneer er velen tot ons overgekomen zijn, 
blijven eenigen overwinteren, en van deze worden er soms in het volgende jaar 
hier broeijende gevonden. 

Het vaderland dezer vogels is Zweden, Noorwegen en een groot gedeelte van 
Rusland. Zij bewonen dus de koude streken van Europa, en uit hunne aankomst 
in ons land zou men alleen kunnen afleiden, dat het in die streken te koud 
voor hen geworden is, en dat wij dus eveneens kans op een strengen winter 
hebben; doch ook dit heeft zich evenmin bewaarheid; want de winters, die op 
de komst dezer vogels volgden, waren al niet kouder dan gewoonlijk. 

De Pestvogels vormen een op zich zelf staand geslacht, waarvan slechts 
drie soorten bestaan, die echter in kleur weinig of niet van elkander verschillen. 
De eene soort bewoont Noord- Amerika en heeft geelachtige buikvederen, de tweede 
die iets kleiner dan de Europeesche is, leeft in Japan en eindelijk de Europee- 
sche zelf. 

De Pestvogels bouwen hun nest op takken, en bezigen als bouwstof dunne 
dennentakjes, de verdorde stijve blaadjes der dennen, of andere plantaardige 
zelfstandigheden, al naar de localiteit dit meebrengt. 

Elk broeisel bestaat uit vier a zes eijeren, die blaauwachtig wit, en aan het 
stompe uiteinde van groote, bruine, olijf kleurige en violetzwarte vlekken voorzien 
zijn, waartusschen zich nog kleinere, roodachtige vlekjes vertoonen. Bij de jongen 
ontbreken aanvankelijk de zwarte vlek aan de keel en de roode puntjes aan de 
vleugelveêren; bij velen worden echter reeds in het eerste najaar na hunne 
geboorte deze puntjes aangetroffen. 

De jongen worden met insecten gevoed. Het voedsel der ouden bestaat des 
zomers uit allerhande vliegende insecten, die zij, even als de Vliegenvangers, in 
de vlugt vangen. Gedurende het koude jaargetijde en in het najaar eten zij ook 
zaden en bezien, vooral die van den hulst. 

Eigenlijken zang hebben zij niet, maar zij laten nu en dan een zacht geluid 
hooren, dat wel eenige overeenkomst heeft met dat van den Appelvink (Coccothraustes 
vulgaris). Zij zijn niet zeer schuw, leven slechts in troepen van hunne soort 



of gepaard, en laten zich gemakkelijk vangen. In de jaren, waarin er velen hier 
te lande voorkwamen, geraakten er velen in lijsterstrikken en zelfs op de vinken- 
baan gevangen. 

Zij kunnen zich zeer goed in de gevangenschap schikken en nemen dan 
gaarne allerlei zaad tot voedsel. Men houdt hen het best met broodkruimels en 
gekneusd hennepzaad, alsmede, wanneer men dit kan opdoen, met vlierbessen, 
hulst- en lijsterbessen. De meeste zijn ook verzot op krenten, mits geweekt, 
zoodat krentenbrood voor hen eene lekkernij is. In de kooi leven zij gaarne 
gezellig met voorwerpen hunner soort, ot met andere vogels, laten zich echter 
weinig hooren, doch zitten daarentegen veel, en schijnen meer zachtaardige, dan 
vrolijke vogels te zijn. Zij worden echter zeer mak en kunnen in de gevangenschap 
zelfs zeer oud worden. 



DE BOEBMZWALÜW. 

HIRUNDO RUSTICA. 



De Zwaluwen maken door hare eigenaardige vormen een zeer kennelijk ge- 
slacht uit. Het zijn de eigenlijke gevederde luchtbewoners, daar zij door hare lange, 
smalle vleugels en sterke vleugel- en borstspieren in staat zijn, uren achtereen te 
vliegen, en dan ook slechts nu en dan een poosje behoeven te zitten om uit te 
rusten. 

De verschillende soorten van dit geslacht bieden onderling weinig onderscheid 
in vorm aan, en de kleuren der meeste zijn eenvoudig. 

De Zwaluwen worden door de natuurkundigen onder de Roestvogels (Insessores) 
gerangschikt, tot welke uitgebreide orde alle vogelgeslachten behooren, die in 
boomen leven en op takken rusten, of wel op den grond loopen, kortom, alle vogels 
die niet tot de orde der Roof-, Klim- en Struisvogels, Duiven, Hoenders, Stelt- 
loopers en Zwemvogels behooren. 

Het geslacht „Zwaluwen" is in alle werelddeelen vertegenwoordigd, en som- 
mige soorlen zijn rijk aan individuen. Alle Zvvaluwensoorten voeden zich uitsluitend 
met insecten, die zij onder het vliegen vangen; zij drinken weinig, en de meesten 
hebben een zeer aangenamen zang. 

In ons land komen drie soorten voor, van welke de zoogenaamde Boerenzwa- 
luw de algemeenste en fraaiste is. Bij deze soort hebben beide seksen dezelfde 
kleuren, maar de mannetjes zijn iets zwaarder dan de wijfjes. De jongen hebben 
de kleuren der ouden, doch minder helder en niet zoo glanzig; de staart is bij 
hen slechts weinig vorkvormig, en de buitenpennen komen eerst langzamerhand, 
in drie maanden, tot volkomen lengte. 

De paartijd der Boerenzwaluw duurt van half April tot Mei, als wanneer zij 
den nestbouw beginnen. Het nest wordt in betrekkelijk korten tijd (acht a veertien 



dagen) door beiden vervaardigd. Eerst brengen zij tegen den een of anderen ouden 
muur, of onder daken of bruggen aan houten balken een weinig slijk aan; dit schep- 
pen zij, met haar breeden bek, van den grond, vliegen er mede naar de bestemde 
plaats, en werpen het daar neder. Zoodra er zich een weinig klei of slijk vastge- 
hecht heeft, halen zij kleine pluisjes of dunne halmpjes, en plakken dit aan het 
alzoo gelegde fondament. Den volgenden dag, als het werk van den vorigen ge- 
droogd is, brengen zij, vooral 's ochtends vroeg, eene tweede laag klei aan, en 
hechten deze eveneens met draad- of pluisachtige zelfstandigheden aan het eerste 
vast. Tegen den avond hervatten zij den arbeid, en gaan zoo voort, totdat, op 
den vierden of vijfden dag, aan het binnenwerk wordt begonnen. Terwijl dit laatste 
voltooid wordt, brengt een der vogels nog telkens slijk aan, om den arbeid zijner 
wederhelft steeds hechter te maken, en terwijl het wijfje de laatste bezigheden aan 
het binnenwerk verrigt, metselt het mannetje aan de buitenzijde voort, en smeert 
en plakt alles zoo vast, dat ten laatste, als het nest geheel tot het broeijen ingerigt 
is, het wel een half kilo gewigt kan dragen, zonder te breken. De Zwaluwen zijn 
dus ware kunstenaars, degelijke metselaars onder de vogels. 

Het wijfje is eene trouwe broeister, die zeer zorgvuldig voor hare eijeren en 
later voor hare jongen is; ook het mannetje is een trouwe wachter: hij lost het 
wijfje dikwijls in het broeijen af, en slaapt 's nachts gewoonlijk op den rand van 
het nest. 

Ieder paar broeit tweemaal: in Mei en in Julij. Het eerste broeisel bevat meestal 
vier, soms echter wel vijf of zes eijeren; het tweede daarentegen zelden meer dan 
drie; zij zijn langwerpig, zeer dun van schaal, min of meer glanzig, parelwit, met 
ongelijkmatig verdeelde, paarsroode streepjes en vlekjes, en worden in twaalf a 
dertien dagen uitgebroeid. 

Gewoonlijk verloopen er dertig a veertig dagen tusschen het eerste uitvliegen 
der jongen en het begin der tweede eijerlegging. Het duurt namelijk lang vóórdat 
de ouden hunne uitgevlogen nakomelingen aan hun lot overlaten; vandaar dat 
het tweede broeisel zoo laat na het eerste komt. 

De jongen verlaten eerst dan het nest, wanneer zij in staat zijn te vliegen; 
zij hebben trouwens geen ander middel, dan hunne vleugels, om zich te bewegen, 
terwijl andere jonge vogels daartoe ook de pooten te hunner beschikking hebben 
Dikwijls komen de jonge Zwaluwen op den rand hunner woning zitten, spreiden 
de vleugels uiten stellen zich aan alsof zij nog bevreesd waren, den eersten vleugel- 



slag te wagen; naauwelijks echter hebben zij den eersten stap tot vliegen gedaan, 
of zij fladderen reeds dartel weg, een luid geschreeuw aanheffende, maar dalen weldra 
op de eene of andere digtbij gelegen rustplaats neder, om echter spoedig weder op 
te vliegen; zij blijven evenwel steeds in de nabijheid der ouden, met welke zij 's avonds 
naar het nest terugvliegen. Over dag zetten zij zich op dunne takken, telegraafdraden 
of op de daken neer en wachten geduldig, dat een der ouden hun al vliegende 
eenig voedsel aanbrengt. Als zij ouder geworden zijn, vliegen zij de ouden achterna 
en ontvangen het voedsel insgelijks in de vlugt. 

De geheele Zwaluwen- familie, zooweide ouden als de jongen van beide broeisels, 
blijft bij elkaêr tot den trektijd (September tot October). Dikwijls zit het geheele 
gezin aaneengesloten op een uitstekenden tak; het oude mannetje zingt dan, het 
wijfje accompagneert, en de jongen voegen er de weinige geluiden, die zij kun- 
nen voortbrengen, bij. Zulk een concert van Zwaluwen heeft iets liefelijks; haar 
gezang geeft duidelijk haar levendig karakter te kennen; de schielijk herhaalde, 
krachtige, maar eenvoudige toonen van het mannetje, begeleid door de zwakkere 
geluiden zijner familie, hebben waarlijk iets aantrekkelijks. 

Onze Boerenzwaluw wordt om hare geaardheid beschermd, om haar nut boven 
vele andere vogels ontzien, en dan ook door bijna niemand gehinderd. De Zwaluw 
beseft dit zeer wel; daarom komt zij op onze daken zitten, vereenigt hare woning 
met de onze, vliegt op zolders en komt zelfs in de kamers der buitenhuizen, om 
er de vliegen en muggen weg te vangen. 

Er bestaan zelfs voorbeelden van Zwaluwen, die, in het bouwen van haar nest 
niet wel kunnende slagen, zich daarin door de bewoners van het huis lieten helpen. 
Men bragt namelijk klei tegen het gebroken nest aan, en daarop gingen de Zwaluwen 
met haar arbeid voort, vlogen later de kamers van het huis binnen, en kwamen 
het volgende jaar terug, door hare meerdere makheid bewijzende, dat zij dezelfden 
waren en de haar betoonde hulpvaardigheid niet vergeten hadden. 

Men is het er nog lang niet over eens, waar onze Zwaluwen heêntrekken en 
waar zij 's winters vertoeven. Zij trekken allen Zuidwaarts, en vereenigen zich 
daartoe in troepen. Eenigen blijven den geheelen winter in het Zuidelijkst gedeelte 
van Europa, anderen trekken Zuid-Oostwaarts tot Egypte, Palestina, sommigen 
waarschijnlijk nog verder, tot in de onbekende binnenlanden van Afrika. Den 
2den April 1865 nam ik er eene op 2 graden Noorderbreedte, in volle zee, waar; 
zij kwam in het touwwerk onzer stoomboot zitten, rustte daar uit en verliet ons 



eerst den volgenden dag. In December 186-4 nam ik er eenige in de omstreken 
van Lissabon waar, en in Februari]* 1866 vlogen er vele door de straten van ge- 
noemde [Portugesche hoofdstad. Volgens de inwoners, blijft zij er dikwijls 's winters 
over; maar wanneer het daar te koud wordt, verdwijnt zij op eens, en komt 
eerst tegen Maart terug. 

Hier te lande komen zij eerst in April, en wel in de laatste helft dier maand. 
Evenwel worden er bijna alle jaren reeds vóór dien tijd (omstreeks den 4 den tot 
den 10 den April) eenige gezien. Een op den 5 den April geschoten mannelijk voor- 
werp was zeer mager en had geen voedsel in de maag, 'tgeen tot de onderstelling 
leidde, dat deze vogel eene verre reis had afgelegd. 

De meening, dat de Zwaluwen een winterslaap hebben, is niet ontstaan door- 
dien men 's winters half doode voorwerpen heeft aangetroffen, maar wel door de 
omstandigheid, dat de Oeverzwaluw (H. riparia) haar nest in aardholen langs 
rivieren maakt, zoodat men natuurlijk heeft kunnen waarnemen, dat zij uit een 
aardhol te voorschijn kwam, op welk feit dan ook de fabel werd gegrond, dat de 
Zwaluwen 's winters in den grond kruipen en, even als de kikvorschen, een win- 
terslaap hebben. 

Men kan de Zwaluwen niet in gevangen staat houden, tenzij in ruime volières, 
waarin zij lustig vliegen kunnen. Men behoeft ze ook waarlijk niet te vangen, 
want zij komen uit eigen beweging nabij onze woningen, en bekommeren er zich 
weinig om, of er al dan niet menschen in de nabijheid zijn. 

Een aan onze Boerenzwaluw verwante vogel, of liever klimaatsvariëteit is de 
Hirunda rustica cahirica, die rosser op de borst en verdere onderdeelen is en 
in 't Zuid-Oosten van Europa wordt aangetroffen. Evenwel worden ook hier te 
lande dikwijls voorwerpen gevonden, die door hare rossere kleuren eenigzins tot 
genoemde variëteit overhellen. Geheel witte of isabelkleurige zijn ook wel eens, 
doch zelden, waargenomen. 




eulemarvs. ad nat. 




\ 



- / 



DE GKAAUWE VLIEGENVANGEE. 

MUSCICAPA GRISOLA. 



Onder den naam Vliegenvangers duidt men verschillende geslachten van vogels 
aan, welker voornaamste bedrijf in het vangen van vliegende insecten bestaat en 
wier vormen met die der Zangers, Klaauwieren of Drongo's overeenkomen. De 
Europesche Vliegenvangers staan, wat levenswijze en vorm betreft, tusschen de 
Zwaluwen en Zangers in. De Amerikaansche grootere soorten hebben veel overeen- 
komst met de Europesche, maar sommige soorten hellen meer tot de Klaauwieren 
over. De Drongo's der oude wereld hebben zoowel iets van Vliegenvangers als van 
Klaauwieren. Het getal der vogelgeslachten, die tot de familie der Vliegenvangers kunnen 
gebragt worden, is zoo groot, dat het de grenzen van dit werk overschrijden zou, ze 
allen op te sommen, waarom we ons alleen tot de Europesche zullen bepalen. 

Deze vogels hebben lange, spitse vleugels, een lang, smal ligchaam en korte 
pooten, terwijl hun snavel aan den mondhoek breed en wijd is. Zij kiezen zich 
steeds eene standplaats, van waar zij eene groote ruimte kunnen overzien, vangenen 
verzwelgen dan hunne prooi in de vlugt, of keeren er mede naar hunne vorige zitplaats 
terug. De weinige soorten, welke ons werelddeel bewonen, hebben allen nagenoeg 
dezelfde levenswijze en verschillen weinig in grootte. De meest algemeene hier te 
lande is de Graauwe of Gewone soort. De Zwartkop-Vliegenvanger (M. hictuosa of 
atricapilla) is hier te lande zeldzamer, daarentegen in Duitsehland en in 't Zuid-Oosten 
van Europa weder menigvuldiger. De Gekraagde Vliegenvanger (M. albicollis ofcollaris) 
komt in Nederland weinig, maar in de dennenbosschen van Midden- en Oost-Europa 
vrij talrijk voor. De Roodborst-Vliegenvanger (M. parva) is hier te lande nog niel 
waargenomen, maar in Griekenland, Turkije, Egypte en Arabië algemeen en nage- 
noeg een standvogel. 

De Gewone Vliegenvanger, van welken wij hier eene afbeelding geven, komt 



in Nederland als trekvogel voor, en overwintert in Noord- tot Midden- Afrika, soms 
echter ook in Zuid-Europa; althans ik vond ze nog in December nabij Lissabon. 
Deze vogeltjes verschijnen in Nederland eerst in de laatste helft van April, om in 
het begin van Augustus weder te vertrekken. Als eene uitzondering op den regel, 
kan ik hier nog bijvoegen, dat ik in het begin van September 1868 in de om- 
streken van Leiden een broeijend wijfje met een viertal jongen aantrof; deze 
jongen waren slechts eenige (drie a zes) dagen oud; eenige dagen na deze ont- 
dekking vond ik de jongen allen dood, en een oud voorwerp op eenige schreden 
van hel nest. Ten einde mij te overtuigen, of mijne waarneming juist was, schoot 
ik het vogeltje, en bevond dat het werkelijk een wijfje van den Gewonen Vliegen- 
vanger (Muscicapa grisola) was. 

Kort na hunne aankomst paren deze vogels; zij broeijen slechts eenmaal: 
tegen 't einde van Mei, of in Junij. De jongen trekken te gelijk met de ouden weg 
en hun verdwijnen onderscheidt zich door dit zonderlinge, dat er, daags nadat 
men ze overal nog aantrof, nergens meer een enkele Vliegenvanger te vinden 
is, zonder dat men te voren eenige voorbereiding tot hun vertrek had kunnen 
waarnemen. 

Bij deze soort is geen verschil tusschen de seksen op te merken; zeer oude 
voorwerpen zijn meer eentoonig graauw van kleur; alleen de jongen hebben meer 
en duidelijke strepen. 

Het nest wordt uit dunne worteltjes, pluis, koe- of paardenhaar en veeren 
zaamgesteld en zóó geplaatst, dat het broeijendc wijfje moeijelijk ontdekt kan 
worden, zonder dat echter het nest geheel verborgen ligt. Boven in een boom 
nabij den stam, op maar nooit tusschen de takken; boven op knotwilgen; tusschen 
niet te digt groeijend klimop, of in vensters van torens der buitenhuizen zalmen 
spoedig bet nest kunnen ontdekken, zoo men slechts de ouden gadeslaat. Dezen blijven 
namelijk in de nabijheid van hun kroost, of liever, bouwen een nest in den omtrek 
van hun lievelingsoord; want Vliegenvangers vertoeven steeds op die plaatsen, 
waar zij eenmaal ondervonden hebben dat genoegzaam insecten te vangen zijn. 
Aangezien zij nu hun voedsel in de vlugt bemagtigen en met ieder gevangen 
insect naar hunne vorige zitplaats of naar het nest terugkeeren, ziet men 
weldra waar zij met het voedsel heênvliegen, en dus ook waar het nest ligt. 
Wanneer echter het wijfje op eijeren zit, moet men goed uit de oogen zien; want 
zij vliegt, bij naderend gevaar, niet altijd weg, en de kleuren harer veeren komen 



meestal dermate overeen met de plaats, waar het nest ligt, dal. zij gemakkelijk 
aan het oog ontsnapt. 

De eijeren, waarvan er vier a zes in een broeisel gevonden worden, zijn grijs- 
achtig of vuil wit, soms naar het rosé trekkende, met kleine, graauwe en donkerbruine 
streepjes, die aan het stompe einde grooter zijn en meer tot vlekken overgaan; zij 
hebben veel overeenkomst met die der Grasmusch, doch zijn niet zoo groenachtig 
van grondkleur. 

Zoo als we hierboven hebben aangestipt, worden de jongen met insecten 
gevoerd. Het spreekt nu van zelf, dat beide ouden druk in de weer moeten 
zijn, om hunne jongen te bevredigen; want zij worden slechts één vliegend insectje 
te gelijk magtig, en de jongen hebben veel van zulke kleine diertjes (muggen, 
vliegjes, vlindertjes, enz.) noodig, vóórdat zij oud genoeg zijn, om zelve in hun 
onderhoud te voorzien. Nog eenigen tijd nadat zij voor 't eerst het nest verlaten 
hebben, ziet men ze digt bij elkaér op een takje zitten, en al kunnen zij dan 
reeds vlug genoeg vliegen, om een dreigend gevaar te ontsnappen, insecten-van- 
gen kunnen zij dan nog niet: daartoe is meer ontwikkeling noodig. Ook hierin 
gelijken deze vogels de Zwaluwen. Eerst eenigen tijd nadat zij gevlogen hebben, 
oefenen zij zich in de jagt. In de eerste dagen ontsnapt hun nog menig insect, 
en al wordt er een gebrekkig vliegend vlindertje door het geheele broeisel vervolgd, 
toch moeten nog meestal de ouden er bij te pas komen, om den buit magtig te worden. 

De Graauwe Vliegenvanger heeft een zeer eigenaardig geluid, dat hij op zijn 
rusttakje zittende herhaaldelijk laat hooren; het klinkt nagenoeg als de syllaben 
„tuk-chèch". Hij zingt weinig of niet; alleen laat het mannetje in den paartijd 
soms eenig gekweel hooren. 

Deze vogeltjes zijn niet schuw en kunnen dan ook gemakkelijk gevangen 
worden. Het oude wijfje vangt men door middel van een paardenharen lusje, dat 
men naast het nest vasthecht en waarvan de lus over de geheele wijdte gelegd 
wordt. Ook door middel van lijmtakjes kan men ze spoedig meester worden: men 
legt of bevestigt slechts een of twee takjes naast of boven het nestje, en weldra 
heeft men daarmee het wijfje en dikwijls te gelijker tijd het mannetje gevangen. 
Even gemakkelijk vangt men ze met den Steenuil en de lijmstokken. 

In kooijen kunnen zij niet zoo spoedig aarden en sterven dan ook meestal 
binnen weinige dagen; laat men ze echter in de kamer rondvliegen, dan houden 
zij 't dikwijls lang uit, mits zij 's winters niet van de koude te lijden hebben. 



Als men de Vliegenvangers in de kamer houdt, zullen de muggen en vliegen 
er veel spoediger uit verdwenen zijn, dan door het zoogenaamde vliegenpapier. 
Voor hun dagelijksch onderhoud hebben deze vogeltjes toch wel een honderdtal van 
zulke insecten noodig. Die lastige zomergasten, waarvan wij vooral in onze tuinkamers 
te lijden hebben, worden dus spoedig genoeg door deze vogeltjes verslonden, zoo- 
dal men hen waarlijk als zeer nuttig kan beschouwen. Weinigen in ons land zul- 
len dit middel tegen vliegen hebben aangewend, hoewel het in Duitschland op vele 
buitenplaatsen algemeen in zwang is. Maar behalve dit nuttige, is het ook zeer 
aardig, deze vogeltjes bezig te zien. Gewoonlijk kiezen zij voor rust- of liever 
loerplaats een lat, lijst of eenig ander voorwerp boven in het vertrek. Van daar 
schieten zij ieder oogenblik op cene voorbijsnorrende vlieg neder en pakken die in 
den breeden bek, om er naar dezelfde of eene andere zitplaats mee terug te keeren, 
waar zij dan, alvorens haar te verslinden, haar eenige malen door den bek draaijen 
en kantelen, totdat er de vleugels en pooten afvallen. 

's Winters kan men ze met meelwormen, gehakt ei en brood- of beschuit- 
kruimels, door elkaêr gemengd, in 't leven houden. Zij drinken weinig, doch baden 
zich gaarne. Laat men ze vrij in de kamer vliegen, dan slapen zij meestal tus- 
schen bloempotten, op bloemhangers of eenig ornamentwerk , altijd zóó, dat men 
ze 's avonds moeijelijk vinden kan. 




\\ lli !,! n; " llttl 



f ///f Y ■;. 



DE MEES. 

PARUS MAJOR. 



Onze Mees, ook Plakker, groote of, wegens hare glimmend zwarte kleur, Koolmees 
genoemd, is een der algemeenste zangvogels, die in Nederland gevonden worden. 
Zij is geen eigenlijke standvogel; want vele voorwerpen trekken, gelijktijdig met 
de andere vogelsoorten, in het najaar Zuidwaarts henen. Nogtans blijven er vele 
Meezen bij ons over, en dezen houden zich, in gezelschap van de Zwartkopmees, 
den Pimpel, en dikwijls met de Winterkoningjes, in de tuinen en nabij de steden 
op. De Meezen trekken niet op gelijke wijze als de andere zangvogels; zij door- 
vliegen zelden groote afstanden, maar gaan van boom tot boom voort, en nimmer 
in eene bepaalde rigting; zoodoende veranderen zij weinig van plaats, en menig- 
maal vliegen zij des namiddags evenveel terug, als zij des ochtends waren vooruit 
gevlogen. 

De mannetjes zijn iets zwaarder en glanziger zwart dan de wijfjes; de streep 
langs hunne onderdeden is breeder en eindigt in eene geheel zwarte vlek op 
den buik tot achter de pooten. 

De jonge voorwerpen zijn het eerste jaar iets fletser van kleur. Wanneer zij 
het nest verlaten, ontbreekt hun nog het geslachtskenmerk en zijn de wangen 
vuil geelachtig, in plaats van wit. Hun stemgeluid heeft dan iets eigenaardigs en 
is zeer gemakkelijk te herkennen aan de korte, schorre toonen, die zij onop- 
houdelijk laten hooren. 

De stem van het volwassen mannetje is krachtig, helder klinkend, somtijds 
scherp en over 't algemeen zeer buigzaam. 

De Mees laat, al naar de omstandigheden, verschillende geluiden hooren. Het 
eerste is de korte, kweelende zang, dien men alleen in het voorjaar en des 
zomers verneemt. Het tweede, het gewone geroep, bezigt hij in het najaar, om 



de voorwerpen zijner soort te lokken. Het derde geluid is de roepstem aan zijn 
wijfje of zijn gewoon voorjaarsgeluid, dat ongeveer als „tsi-tsi, tu-tu" luidt, 
welke syllaben hij soms honderdmaal achtereen herhaalt. Dit geroep is stootend, 
helderklinkend en daardoor op zeer verren afstand hoorbaar; het heeft, in het 
laatste geval, eenige overeenkomst met het geluid, dat door het kloppen met een 
hamer op een aanbeeld ontslaat, om welke reden men dezen vogel in Duitschland 
ook Wapensmid genoemd heeft. De vierde wijze, waarop de Mees zich laat 
hooren, is het zoogenaamde „schateren". Dit geluid is krachtig, scherp en schor. 
De vogel drukt daarmede toorn of verwondering uit; men verneemt het ook als 
hij schrikt of wanneer hij den Steenuil plaagt. Het dient in dit geval ook tot 
sein voor zijne soortgenooten, en ook andere vogelsoorten herkennen het; want 
naauwelijks heeft de Mees haar toorn tegen dien vijand te kennen gegeven, of 
lal van klein gevogelte komt onmiddellijk uit de nabijheid aanvliegen, ten einde 
zich rondom de schaterende Mees te scharen. 

Als de Meezen zich op den grond bewegen (hetgeen zelden gebeurt), springen 
zij. Voor 't overige zijn hunne ledematen meer tot klimmen en hangen ingerigt; 
zij klauteren dan ook zeer behendig tegen de dunne takken op en blijven er 
schommelend aan hangen. Zij kruipen in de gaten en kloven, die zij ontmoeten, 
klimmen tegen de stammen, doorzoeken de naden der schors, en vinden zoodoende 
menig insect. 

Door middel van hun krachtigen snavel kunnen zij de harde schilden van 
kevers en chrysaliden der vlinders doorbreken en ook zaden openen. 

De Meezen zijn bij dag gedurig in beweging, zoodat zij, steeds insecten ver- 
nielende, zeer nuttige vogels zijn. Alleen voor den bijenhouder zijn zij niet van 
nut, want een troep Meezen kan dikwijls onder de uitgevlogen bijen groote ver- 
woestingen aanrigten. Bij gebrek aan insecten, eten zij ook verschillende zaden 
en des noods bezien. 

Van Mei tot Augustus kan men de Mees broéijende aantreffen. Het kost 
echter wel wat moeite, het nest te ontdekken; het ligt namelijk in diepe boom- 
holen, waarvan de toegang zóó naauw is, dat men er onmogelijk de hand door 
kan steken. Het eerste broeisel bestaat uit zes a twaalf witte, met kleine roode 
vlekjes bedekte eijeren, somtijds uit meer, al naar den min of meer ruimen 
voorraad van voedsel, dat zich voor de ouden, en vooral voor het wijfje, opdoet. 
Bij het tweede broeisel is het getal iets minder. De jongen, vooral die van het 



laatste broeisel, worden, nadat zij reeds uitgevlogen zijn, nog ongeveer eene week 
door de ouden gevoerd. 

Zij vliegen nog lang over dag niet de ouden mede en tegen den avond 
komt de geheele troep bijeen en brengt, terwijl de jongen tusschen de ouden 
ingesloten zijn, gezellig den nacht door. Ik heb waargenomen, dat de ouden het 
eerst ontwaken, of althans het eerst de nachtelijke rustplaats verlaten, terwijl 
de jongen blijven zitten, totdat de ouden hun eenig voedsel hebben aangebragt. 
Zulk eene familie vertoeft tot September in de nabijheid van de broeiplaats, 
doch na dien tijd zwerft zij rond, om tegen den winter, hetzij wegtrekkende 
of blijvende, van elkander te scheiden. 

Het vangen van de Meezen geschiedt op eene min of meer eigenaardige 
wijze, namelijk door middel van eene kooi, welke men om die reden „meezenknip" 
noemt. Men vangt ze echter het best met vogellijm, waarover wij bij onze beschrij- 
ving van den Steenuil breedvoerig zullen spreken. 

De Meezen kunnen de gevangenschap zeer wel verdragen; evenwel worden 
zij in de kooi zelden oud. Het meest geschikte voedsel is hennepzaad, hetwelk 
echter slechts bij afwisseling met insecten-voeder mag toegediend worden. Deze 
vogels hebben, even als de Pimpel, Zwartkop- en kleine Koolmees, de gewoonte, 
het zaadje tusschen de pooten te nemen en er met de scherpe punt der boven- 
kaak een gat in te maken of het open te breken, waarna zij er den inhoud be- 
hendig uitpluizen. Men heeft deze eigenschap „kloppen" genoemd, omdat daarbij 
een sterk kloppend geluid ontstaat. Als het stokje, waarop de vogel klopt, holen 
de kooi ligt is en tegen een houten wand hangt, klinkt dit geluid bijna even 
sterk, als wanneer er iemand aanklopte. Het is echter beter, het zaad te kneuzen, 
zonder het te veel te breken. Dit geldt vooral voor de kleinere Meezensoorten, 
die spoedig sterven, als men het hennepzaad niet voor hen gebroken heeft. Tot 
afwisseling zijn meelwormen, spinnen en mierenpoppen (zoogenaamde miereneijeren) 
een uitmuntend voedsel. Vele vogelliei hebbers zijn gewoon, de Meezen, in plaats van 
water, melk te geven, ter wille van de daarin voorkomende voedende bestanddeelen. 
Dit kan echter alleen dan van invloed zijn, wanneer de melk versch is. Intusschen 
is zuiver water voldoende; ontdooide ijs of sneeuw echter is voor hen, even als 
voor alle andere kamervogels, schadelijk, omdat de vóór het bevriezen daarin 
aanwezige infusiediertjes dan gestorven zijn. Door het voortdurend gebruik van 
melk verliezen de Meezen hare kleur; het zwart wordt flets en de gele onder- 



deelen geheel vuil wit; zelfs het groen van den rug wordt grijs. Zij hebben dan 
zeer veel overeenkomst met de kleuren der gewone soort van Japan (Parus mi- 
nor Japonicus). 

Onze Mees is een der vrolijkste kamervogels. In de kooi is zij op den duur 
in de weer, klautert tegen de traliën op en maakt allerlei potsierlijke bewegingen. 
In gezelschap van andere vogels is zij echter gevaarlijk, want meestal doodt zij uit 
moordzucht en kwaadaardigheid, hare kooigenooten, waarbij zij haar slagtoffer 
den schedel verbrijzelt, om de hersenen te verslinden, 't Is dus raadzaam, de Mees 
afzonderlijk te houden. 

Zij leeft in gevangenschap zelden langer dan vijf jaren en sterft meestal, 
tegen den tijd waarin de in vrijheid levende Meezen paren. 




X 

1 




\x~ 



V 



DE KUIFMEES. 



PARUS CRISTATUS. 



De Kuifmees is hier te lande veel minder algemeen, dan de meeste andere 
Meezensoorten; slechts in enkele provinciën treft men haar, meestal in gezelschap 
van andere vogels, in de dennenbosschen aan; in de kustprovinciën ziet men 
haar zelden anders, dan op den trek, terwijl zij daarentegen in de meeste streken 
van Gelderland en Noord-Braband het geheele jaar door wordt opgemerkt. In 
Frankrijk komt zij menigvuldiger dan bij ons voor; in Duitschland daarentegen 
weder minder algemeen dan in Frankrijk, terwijl zij in Engeland eene algemeene 
Meezensoort is. 

Ofschoon de Kuifmees door hare verlengde kopveêren een zeer eigenaardig 
uiterlijk heeft, wijkt zij toch in andere opzigten weinig van de Zwartkop-Mees 
(P. palustris) af, met welke zij althans in kleuren, grootte en stemgeluid bijna 
geheel overeenkomt. Vooral het gewone geroep dezer beide Meezensoorten biedt 
zoo weinig verschil aan, dat men, alleen op het geluid afgaande, ze niet van 
elkaêr zou kunnen onderscheiden. 

Het mannetje verschilt slechts weinig van het wijfje; bij haar zijn alleen de 
kleuren aan den kop minder duidelijk afgescheiden. De jongen hebben reeds de 
eerste weken na het uitv liegen kuifveêren, welke echter niet zoo lang als die der 
ouden zijn. 

De broeitijd der Kuifmees begint in Mei of in 't laatst van April. Ieder paar 
broeit gewoonlijk tweemaal; het eerste broeisel bevat vijf a acht, het tweede zelden 
meer dan vijf eijeren, die in kleur en grootte nagenoeg aan die der Pimpel- of 
Zwartkop-Mees gelijk zijn, doch meestal iets meer naar het roode trekken, hetzij 
door de roseachtige tint der schaal over het geheel, hetzij door de meerdere of 
grootere roestroode vlekken aan den stompen kant. Het nest ligt in eene boom- 



holte, welke meestal zeer diep, en waarvan de opening of ingang zeer naauw is. 
Het mannetje lost het wijfje dikwijls in 't broeijen af, en brengt haar voedsel 
aan terwijl zij broeit. 

De jongen worden door beide ouden met insecten gevoerd. Binnen vijf weken 
zijn zij volwassen, doch vliegen dan nog eenige dagen in 't gezelschap der 
ouden rond. 

Behalve in den paartijd, vindt men de Kuifmees zelden alleen; gewoonlijk 
vliegt zij in gezelschap van andere Meezen, trekt of zwerft met dezen rond, en 
dan meestal in streken waar masthout groeit. In de dennenbosschen zal men de 
Meezen steeds het menigvuldigst, zoowel in aantal als in soort, aantreffen. Op die 
plaatsen, waar de Kuifmees woont, ontmoet men zeker ook de Zwarte- of Dennen- 
mees (P. aler), en waar beide laatstgenoemde soorten aanwezig zijn, daar krioelt 
het ook van Gewone-, Zwartkop- en Pimpelmeezen. 

In het najaar, op den trek, of zwervende, komen er wel eens Kuifmeezen in 
onze kustprovinciën voor; soms ook in het voorjaar. Zelden echter worden er bij 
ons gevangen, ofschoon men ze in Engeland dikwijls gekooid aantreft. Op eene buiten- 
plaats nabij Arnhem werden eenige jaren geleden twee nesten gevonden, hetgeen 
toen als eene groote zeldzaamheid werd aangemerkt; intusschen zou men zeker 
jaarlijks vele nesten kunnen vinden, indien men de kleine bosschen van Noord- 
Braband doorzocht; althans heb ik in de omstreken van Breda eens een viertal 
jongen, en nabij Bergen-op-Zoom tweemaal ouden aangetroffen. 

Men kan ze zeer goed in de kooi houden bij gelijke behandeling als voor de 
Pimpelmees is voorgeschreven. 




,->.. A ' 



J-G-Keulemans ad nat. 




'& //> 



PWM.Trap. exc. 



DE PIMPEL. 

PARUS CffiRULEUS. 



Van de in Nederland levende Meezen is de Pimpel of Pimpelmees de 
meest algemeene en een der fraaist gekleurde. Hij is overigens over geheel Europa 
verspreid, doch de voorwerpen, die in het Noordelijk gedeelte van Europa worden 
aangetroffen, zijn meestal iets lichter, die in het Zuidelijk gedeelte daarentegen 
gewoonlijk iets donkerder blaauw van kleur. 

In Algerië komt eene zeer verwante soort, Parus ultramarinus, voor, welke 
slechts blaauwer en iets donkerder is dan de onze. Parus cyaneus, van Siberië, 
heeft insgelijks met den Pimpel eenige overeenkomst, maar is grooter, heeft meer 
wit en is grijs op den rug. 

Ofschoon de Pimpels, vooral door de blaauwe bovenkopveeren, van de overige 
inlandsche meezensoorten aanmerkelijk verschillen, heeft niettemin de verdeeling 
der kleuren aan het ligchaam, veel overeenkomst met die van de Gewone en 
Zwarte of Dennen-Mees. De Pimpels gaan door hun korteren bek eenigzins naar 
de Staartmeezen over. 

Het mannetje is. iets fraaijer van kleur dan het wijfje, en de smalle streep 
over den buik is bij hem iets donkerder en duidelijker zigtbaar. De zeer oude 
mannetjes zijn steeds donkerder gekleurd dan de jongere, doch volwassen, voor- 
werpen. De jonge Pimpels zijn, tegen den tijd dat zij het nest verlaten, veel 
fletser van tinten dan de ouden; hetgeen bij dezen wit is, wordt bij hen door 
flets geel vervangen, terwijl het blaauw aan den kop meer naar het grijsgroene 
trekt. In dit jeugdig kleed ondergaan zij eene langzame kleursverandering waarna 
in het najaar door ruijing hun vederkleed, hoewel nog iets minder helder, toch 
overigens aan dat der ouden gelijk geworden is. Zijn evenwel de jongen eerst 
laat in den zomer uitgekomen, dan behouden zij het geelachtige aan de wangen 



■■ 



gedurende den geheelen winter, en ruijen eerst in het volgende voorjaar, terwijl 
de jongen van een vroeger broeisel, even als de ouden van alle inheemsche 
meezensoorten, reeds in het najaar van vederen verwisselen. 

De Pimpels broeijen van Mei tot Julij. Zijn zij echter eenmaal verjaagd of 
verstoord, dan broeijen zij eerst in Junij, en dan komt het tweede broeisel of 
in 't geheel niet, óf in de laatste helft van Julij. Zij bouwen hunne nesten in 
boomholen, gewoonlijk in die van lage wilgenboomen. Het nest wordt van mos, wor- 
teltjes en, naar mate van de localiteit, van allerlei zachte zelfstandigheden ver- 
vaardigd ; het ligt meestal een halven voet diep en heeft niet zelden twee uitgangen, 
of liever een ingang en eene andere opening om uit te gaan; daarom kiezen de 
Pimpels liefst zeer oude wilgenstammen, omdat daarin veeltijds de holen digt bij 
elkaêr liggen en die stammen in den regel hol zijn. De opening tot den in- of 
uitgang is meestal zoo eng, dat men er naauwelijks den vinger in kan steken. 
Het is wel eenigzins vreemd te zien, dat de ouden in en uit een zoo naauw gat 
kunnen kruipen, maar als wij deze vogeltjes meer van nabij beschouwen, dan 
zullen wij ons kunnen overtuigen van de geringe grootte van hun ligchaam, en 
ontwaren, dat hun omvang hoofdzakelijk in hunne lange, weeke veeren bestaat. 

Men heeft gemeend en zelfs geschreven, dat de Pimpels wel een zestiental 
eijeren leggen; dit is echter overdreven: het getal eijertjes bedraagt nooit meer 
dan tien, hoewel men wel eens meer jongen in één nest heeft kunnen aantreffen. 
Velen zullen echter wel, even als ik, hebben waargenomen, dat het wijfje som- 
tijds nog een a drie eijeren legt terwijl zij reeds jongen heeft, ja dat zelfs naast 
jongen van meer dan eene week oud wel eens eijeren worden gevonden, zoodat, 
als deze uitgebroeid zijn, de vroeger geboren jongen reeds den ouderdom bereikt 
hebben, waarop zij het nest kunnen verlaten. Dit pleit zekerlijk voor de vrucht- 
baarheid der soort, en deze wijze van eijerleggen levert, ofschoon van den gewo- 
nen regel afwijkende, voor het wijfje dit gemak op, dat zij de later gelegde eitjes 
niet zelve behoeft uit te broeijen, maar dit aan de in het nest zijnde jongen kan 
overlaten. 

De eijeren der Pimpels zijn, hoewel betrekkelijk klein, toch, naar den om- 
vang van het ligchaam gerekend, van middelbare grootte. Zij worden (altoos be- 
halve bovengenoemde uitzondering), alleen door het wijfje in dertien dagen 
uitgebroeid, en de jongen door beide ouden met insecten, vooral spinnen, 
gevoerd. 



Het geluid der jonge Pimpels klinkt minder helder dan dat der ouden en, 
even als dat van de Gewone Mees (Parus major), eenigzins schor. 

De jongen van het eerste broeisel zwerven in elkanders gezelschap, die van 
het laatste met de ouden rond, door wie zij nog eenige dagen worden gevoerd. 
In het najaar vereenigen deze vogels zich in troepjes met de Gewone, de Zwart- 
kop- en Staartmees, alsook met andere trekkende vogels. In het late najaar, wanneer de 
bladeren reeds van de hoornen zijn gevallen en de vogels talrijker en beter waar 
te nemen zijn, ontmoet men niet zelden zwermen trekkende of zwervende vogeltjes, 
waaronder Winterkoningen (Regulus cristatus), Goudhaantjes (Regulus ignicapillus) , 
Staartmeezen, Gewone en Zwartkopmeezen, Roodborstjes, de zoo eigenaardige 
Klein-Jan of Sluiper (Troglodytes europceus), en eindelijk de Pimpels, die wel het 
voornaamste gedeelte van zulk eene vliegende kolonie uitmaken. Zulke troepen trek- 
ken niet in eene bepaalde rigting voort, maar verhuizen slechts bij geringe afstanden. 
Somtijds verlaten de Gewone Meezen het gezelschap, maar de Pimpels, althans de 
meeste hunner, blijven den geheelen winter bij den troep. De Zuidelijker trekkenden 
kunnen alleen de laatgeboren jongen zijn, die nog niet geruid hebben; want dezen 
zouden het in hun zomerpak des winters hier te koud krijgen. 

In levenswijze hebben de Pimpels veel overeenkomst met de Gewone Mees, 
van wie zij echter in karakter wel min of meer verschillen; zij zijn namelijk nog 
vrolijker, nog levendiger en onrustiger, en ook vertrouwelijker en minder brutaal, 
dan hun groote geslachtsgenoot; ook zijn zij lang niet zoo bloeddorstig als deze, 
maar liefelijker en zachtzinniger, veel teerder en daardoor ook minder geschikt 
om in gevangenschap te leven. Tegen den Steenuil zijn zij even verwoed als de 
overige Meezen; zij blijven het langst in zijne nabijheid en schijnen daarbij, wat 
plaagzucht betreft, alle andere Meezen te overtreffen. Hun stemgeluid is zachter 
en liefelijker dan dat van de Gewone Mees, hoewel het daarmede in vele op- 
zigten, zoo als in het zoogenaamde schateren en in het slepende gewone geroep, 
eenige overeenkomst heeft. In het voorjaar echter hoort men van den Pimpel een 
geluid, dat andere Meezen nimmer laten hooren, namelijk de helder klinkende, 
eenigzins tremolerende liefelijke zang van het mannetje. 

Men vangt deze vogeltjes in het najaar met den meezenknip, en ook zeer 
goed met den lijmstok. Eigenlijk zijn het vooral de Pimpels, waarvan men zich 
op laatstgenoemde wijze meester maakt. Gevangen zijnde, hebben zij de gewoonte, 
elkander in het schoonmaken der veeren (die door de vogellijm bemorst zijn) te 



helpen, welke dienst zij trouwens ook aan andere vogelsoorten bewijzen. Als 
namelijk de pas gevangen Pimpels in de kooi zijn geplaatst en er nog vogellijm 
aan hunne pootjes kleeft, zoodat zij moeijelijk op de stokjes kunnen zitten, gaan 
zij op den rug liggen en maken in die houding, door hunne kooigenooten bijge- 
staan, hunne pootjes schoon. 

Even als voor de andere Meezen, zijn ook voor de Pimpels meelwormen een 
vereischte, om hun de gevangenschap dragelijk te maken. Het hennepzaad, dat 
hun voornaamste voedsel moet worden, dient gekneusd te zijn. Des winters kan 
hun zonder nadeel versche melk gegeven worden, hoewel dit voor hen evenmin 
als voor de Gewone Mees eene behoefte is. 

Voor den vogelaar met den meezenknip is het wijfje van den Pimpel (in de 
vogelaarstaai het „zoutje" genaamd) een puike lokvogel, waarmee hij even goed 
Meezen als Pimpels vangt. In het vroege voorjaar vangt hij er vele mannetjes 
(zoogenaamde „hijtjes") meê, terwijl, wanneer de lokvogel eene Mees is, zelden 
andere vogels dan Meezen zullen gevangen worden. 










y f y /ï/f //'///// f -y . 



DE STAAKTMEES. 

PARUS CAUDATUS. 



De Staartmeezen bieden, naar gelang van de luchtstreken, welke zij bewo- 
nen, eenig verschil van kleur aan, hetwelk alleen in de meerdere of mindere uit- 
gebreidheid van het wit of het zwart aan den kop bestaat. Er zijn echter 
standvastige soorten, wier kleuren in de meeste opzigten mei de Europesche 
overeenkomen. Daar nu de voorwerpen der gewone soort (P. caudatas) onderling 
eenige afwijking' in kleur aanbieden, de jongen van de ouden verschillen, en 
er op den trek lichter gekleurde voorwerpen uit het koude Noorden tot ons 
overkomen, zoo heeft dit tot de onderstelling geleid, dat er in Europa verschillende 
soorten van Staartmeezen voorkwamen, namelijk, de eerste in het Noorden, 
de tweede in het Midden, en eene derde soort in het Zuiden van Europa. 

Ofschoon deze vogels gewoonlijk, en door de meesten, als eigenlijke Meezen wor- 
den beschouwd, zijn ze dit niet, hoewel zij in vele opzigten met de Meezen overeen- 
komen, namelijk, door hun korten, maar zeer puntigen en krachtigen snavel, hunne 
lange, maar losse, ijle veeren, en hun stemgeluid. Reeds in 1752 werden zij 
door den ornitholoog Möhring van de Meezen afgescheiden en tot een nieuw ge- 
slacht (Orites) ingedeeld. Later werd de nieuwe geslachtsnaam Orites weder 
verworpen, omdat door Keyserling en Blasius dezelfde wetenschappelijke naam voor 
een geheel anderen vorm van vogels gebezigd werd. Volgens Linnaeus zijn het 
eigenlijke Meezen (Parus), maar door de tegenwoordige ornithologen worden zij 
weder met de wetenschappelijke namen Megisturus, Mecistura en Acredula 
aangeduid. 

In Noord-Europa zijn de voorwerpen witter en grooter dan de hier 
te lande broeijende. Alleen de jongen hebben, het eerste jaar, twee ros- 
achtig zwarte strepen over den bovenkop. Na dien tijd zijn zij, even als de 



ouden, wit. De wijfjes worden er insgelijks wit aan den kop, doch zelden 
vóór het derde levensjaar. Hieruit volgt, dat alleen de eenjarige jongen streepjes 
op den kop hebben, en de omstandigheid, dat er onder een troep trekkende 
Staartmeezen slechts enkele witkoppen voorkomen, is hieraan toe te schrijven, dat 
zulke zwermen uit beide ouden met de jongen van het laatste broeisel bestaan. 
Men kan er dan ook zeker van zijn, 's winters, hier te lande, onder een trek- 
kenden troep van tien a twintig voorwerpen, altijd twee a vier zoogenaamde wit- 
koppen aan te treffen. 

De ornithologen zijn het aangaande deze kleurverschillen lang niet eens: 
sommigen beweren, dat het meer of minder wit aan de seksen is toe te schrijven; 
anderen daarentegen noemen het witte een winter-, en het gestreepte een zomer- 
kleed, terwijl weder anderen er verschillende soorten van maken. Van deze soorten 
zou dan de eerste moeten zijn de zoo even genoemde Noordsche of Scandinavische 
Staartmees (Paroïdes longicaudes en P. caudatus van Brehm; Orites caudatus van Sun- 
deval, en Acredula caudata van Koch), terwijl de tweede soort (de West- en Midden- 
Europesche Staartmees) volgens Blyth Mecistura rosea, volgens Macgillavry Mecistura 
longicaudata, volgens Gould Mecistura caudata en volgens Koch Acredula rosea 
moet heeten. In hoe verre dit nu soorten zijn, kan alleen dan uitgemaakt worden, 
wanneer iedere autoriteit aanneemt, dat eene min of meer aanmerkelijke verkleu- 
ring, welke door verschil van luchtstreek bij de vogels wordt te weeg gebragt, 
eene voldoende reden oplevert om ze in soorten af te deelen. De Engelsche 
natuurkundigen beschouwen datgene, wat wij gewoonlijk klimaatvariëteiten noe- 
men, als standvastige soorten, omdat zij van de meening uitgaan (theorie 
van Darwin), dat het ontstaan van soorten aan vele omstandigheden kan 
toegeschreven worden, en derhalve het verschil in kleur bij de voorwerpen, 
door mindere of meerdere koude of andere omstandigheden veroorzaakt, voldoende 
reden oplevert om afwijkingen van de typen als zoo vele nieuwe soorten te beschouwen. 

Het meest opmerkenswaardige bij de Staartmeezen is, dat de Noordsche 
voorwerpen niet Zuidelijker trekken dan België. In Pruissen komen zij alleen in het 
Noordelijk gedeelte en, even als bij ons, slechts in den winter voor. In Engeland ziet 
men ze nooit; zelfs in 't Noorden van Schotland of Ierland zijn zij nooit waar- 
genomen. De Midden- en West-Europesche Staartmees (dezelfde als de Zuid-Euro- 
pesche) is in Engeland een standvogel, in Nederland daarentegen een trek- of zwerf- 
vogel, die ons in October of November verlaat, en waarvan steeds eenige voorwerpen 



hier overwinteren. Die, welke ons verlaten; trekken Zuidelijk, tot het Noorden 
van Spanje, Lombardije en Toscane, waar zij van November tot April en soms 
den geheelen zomer blijven; zij broeijen er ook, en de daar geboren jongen zijn 
kleiner en donkerder aan den kop, dan de hier te lande uitgebroeide. Dit nu zijn 
de Zuidelijke Staarlmeezen; zij krijgen nooit een witten kop, maar blijven op eiken 
leeftijd en in elk jaargetijde gestreept. Bij de Midden-, West- of Zuid-Europesche 
individuen levert dus noch sekse, noch leeftijd of jaargetijde eenig aanmerkelijk 
verschil in kleur op. In Engeland, het Noorden van Spanje, Lombardije en Tos- 
cane worden dan ook geene Staartmeezen gevonden, wier bovenkop geheel wit is. 
Dit geldt ook voor de hier te lande uitgebroeide voorwerpen. Daar nu de Noord- 
sche Staartmees in Nederland, in België en in 't Noorden van Pruissen over- 
wintert, en er onder deze vogels voorwerpen met witten kop worden aangetroffen , 
is het gemakkelijk te verklaren, dat, ten onregte, aan de hier broeijende Staart- 
meezen een winterkleed wordt toegeschreven. Bij de Staartmees, namelijk bij de 
hier te lande broeijende, is het mannetje niet van het wijfje te onderscheiden. De 
jongen daarentegen hebben de strepen op den bovenkop niet zwart, maar donkerbruin 
met roskleurige veertjes langs deze donkere strepen; het naakte ooglid is bij hen 
rosé; hunne onderdeelen zijn minder blank dan die der ouden, en de geheele 
vogel is kleiner. Na den eersten rui hebben zij nagenoeg de kleuren der ouden. 

De Noordsche Staartmees is steeds van de onze te onderscheiden door den 
witten kop der ouden, doordien de vlekjes op de borst ontbreken en de voor- 
werpen steeds aanmerkelijk grooter zijn. De vleugels zijn 5 a 9, de staart 10 a 
12 en de tarsus of voetwortel 1V 2 millimeter langer dan bij de Midden-Europesche 
voorwerpen. De jongen der Noordsche Staartmees zijn bij 't verlaten van het 
nest reeds grooter dan de volwassen voorwerpen der Midden-Europesche; nadat 
deze jongen volwassen geworden zijn en gebroeid hebben, worden de vederen 
aan den kop en aan de onderdeelen nog lichter, dikwijls geheel zilverwit, en 
heeft het kale ooglid eene oranjeroode kleur aangenomen. Zij broeijen in Scan- 
dinavië, maken nesten even als de bij ons levende, en trekken 's winters naar 
Midden-Europa, namelijk, gelijk ik hiervoren opsaerkte, naar Nederland, Noord- 
Pruissen en België. De trekkende troepen bestaan gewoonlijk uit de jongen van 
het laatste broeisel met de ouden, of uit jongen (welke misschien die van het 
eerste broeisel zijn) alleen. Zij vereenigen zich weder met andere zwermen 
of sluiten zich bij Meezen, Winterkoningjes of Goudhaantjes aan. In het najaar 



ontmoeten zij de hier te lande zwervende Midden-Europesche voorwerpen, zoodat 
men gelijktijdig, doch alleen 's winters, het Noord- en het Midden-Europesche ras 
hier aantreft. 

Het getal der in Nederland broeijende Staartmeezen is zeer gering, in ver- 
houding tot de menigte voorwerpen, die hier komen overwinteren. Meestal nestelen zij 
op plaatsen, waar vruchtboomen groeijen, zoo als boomgaarden. Zij broeijen reeds 
vroeg in het jaar; de eerste eijeren worden soms reeds in het laatst van April gelegd. 
Men vindt gewoonlijk eenige paren in denzelfden boomgaard, soms zelfs twee nesten 
in een en denzelfden boom. De Staartmeezen maken niet, zoo als de eigenlijke 
Meezen, haar nest in boomholen, maar bouwen het zeer kunstmatig op of tusschen 
met mos bedekte takken. De woning, die zij voor haar kroost bereiden, is zoo 
degelijk ingerigt, dat het broeijende wijfje niet alleen voor koude of regen beschut, 
maar ook aan het oog van Sperwers of andere vijanden geheel onttrokken wordt. 
Bij het vervaardigen van het nest is vooral het wijfje druk in de weer; zij weeft 
en vlecht de bouwstoffen, die door het mannetje worden aangebragt, zóó stevig 
in elkaêr, dat het eenmaal voltooide nest moeijelijk, zelfs bij de hevigste stor- 
men, zijn vorm kan verliezen. De materialen tot den nestbouw bestaan uit aller- 
hande dunne, zachte plantenvezels, koe- en paardenhaar, spinsels en webben van 
rupsen of spinnen, uitgepluisde cocons van vlinders en zachte, doode blaadjes; 
met deze eenvoudige zelfstandigheden wordt de grondslag voor de woning gelegd; 
zoodra eenige takjes daarmede omwoeld zijn en de bodem is gelegd, wordt alleen 
naar de hoogte en van buiten naar binnen gewerkt, totdat, in een tijdsverloop van 
ongeveer tien dagen , een groot bolvormig nest vervaardigd is ; gedurende de laatste 
dagen werken de beide vogeltjes mos en kleine stukjes boomschors tusschen de 
wanden in, en bootsen daardoor zóó natuurlijk kleur en hoedanigheden van een 
boomtak na, dat het nest zelfs door het meest geoefend oog slechts moeijelijk 
van een stronk of knot kan onderscheiden worden. De ligging van het nest is 
meestal zóó, dat de naauwe opening door de bladeren verborgen wordt; deze 
opening is in den regel bovenaan en wijd genoeg, om het wijfje door te laten; 
het mannetje komt niet in het nest, maar blijft vooral 's nachts, in de nabijheid. 

De acht a twaalf eitjes, waaruit het broeisel gewoonlijk bestaat, zijn wit, 
eenigzins naar het rosé trekkende (welke tint na het uitblazen verdwijnt); aan de 
stompe zijde zijn eenige roestbruine vlekjes aanwezig. De jongen worden door de 
beide ouden met kleine insecten en insecteneijeren grootgebragt. 



De Staartmeezen broeijen tweemaal gedurende den zomer; de jongen van 
het eerste broeisel blijven bij de ouden totdat er een tweede broeisel komt, waarvan 
de jongen met de ouden wegtrekken of tot in den winter rondzwerven. 

Men vangt de Staartmeezen in menigte op de lijmstokken, met den Uil en ook 
(even als de Sijsjes) met den lijmhengel. Meestal vangt men eerst de ouden. 
Zoodra er een gevangen zit, laat hij een geluid hooren, dat men alleen dan ver- 
neemt, wanneer hij in gevaar verkeert. Dit geluid is trillend en bestaat in het schielijk 
herhalen van de klanken dzirrhihihi! Op het hooren van dezen angstkreet komen de 
overigen allen naar hun gevangen makker toevliegen, ontzien geene gevaren en schij- 
nen zoo met hem bezig te zijn, dat zij hunne eigen veiligheid vergeten en bijna met 
de hand te vangen zijn. Ditzelfde neemt men waar, wanneer men het nest ont- 
dekt. Ofschoon hun gewoon geroep met dat van den Pimpel overeenkomt, en 
hunne lokstem bijna niet van die der Dennen-Mees (P. ater) te onderscheiden is, 
hoort men nimmer een dergelijk geluid van eenige andere Meezensoort. 

In de gevangenschap dienen zij insectenvoeder en eene groote kooi te 
hebben, wil men ze in 't leven houden. 



HET BAAKDMANNETJE. 

PARUS BIARMICUS. 



Baardmannetjes zijn vogels van een op zich zelf staanden vorm. Zij komen hel 
meest met de Meezen overeen; waarom zij dan ook gewoonlijk als zoodanig worden 
aangemerkt. Zij verschillen echter van de eigenlijke Meezen (Parus) vooral door 
hun meer gebogen bek, hunne levenswijze en hun stemgeluid. 

Door de latere ornithologen worden zij Calamophüus genoemd, ofschoon wij 
hen tegenwoordig behalve als Cal. biarmicus, ook als Panurus biarmicus, Mysta- 
cinus barbatus of Parus barbatus beschreven vinden. In het Nederlandsch noemt 
men ze ook Baardmeezen. „Baardmannetje" is afgeleid van hunne verlengde 
knevelveêren, zoodat zij eigenlijk „Knevelmannetje" moesten heeten. De gewone 
Fransche naam „Mésange d moustaches" is dan ook juister. 

Deze vogeltjes bewonen Europa, doch zijn overal weinig menigvuldig en komen 
vooral in die landen, waar weinig water is, dus in bergachtige streken, zeer 
zeldzaam voor. Men vindt ze hoofdzakelijk langs den Donau; in Nederland in de 
omstreken van Rotterdam, langs de meeren (plassen) nabij Kralingen. Op 
het zoogenaamde Schollevaarseiland waren de Baardmannetjes vroeger zoo talrijk, 
dat er in de maanden April en Mei, en weder in Augustus, dagelijks wel 
veertig paar gevangen werden. In de laatste vijf jaren zijn zij, ten minste de 
groote massa, ten gevolge van aanhoudende vervolging en verstoring, van vogels 
en vogelnesten, verhuisd, en worden zij tegenwoordig hoewel schaars, in slechts 
enkele streken van Nederland aangetroffen. In Engeland vindt men ze langs de 
oevers van den Teems. 

Het mannetje onderscheidt zich van het wijfje door zijne fraaijere kleuren. 
Het wijfje heeft een graauwen kop en geen zwarte knevels; hare kleuren trekken meer 
naar het graauwe en leveren minder verscheidenheid op; de onderdekveêren van 



den staart zijn bij haar grijsachtig, bij het mannetje daarentegen zwart. Bij 't ver- 
laten van het nest vertoonen de jongen reeds eenigzins de kleuren der ouden en 
is reeds het geslachtskenmerk bij hen te onderscheiden: de jonge mannetjes zijn 
namelijk reeds grijzer aan den kop dan de wijfjes. Tot aan den eersten rui 
hebben de jonge voorwerpen lichter gekleurde rugveêren en eene donkere over- 
langsche streep op den rug. 

De Baardmannetjes zijn trekvogels, die in het Zuiden overwinteren en, naar 
't schijnt, alleen om te broeijen herwaarts komen. Zij bezoeken ons namelijk om- 
streeks het einde van April en het begin van Mei, soms vroeger; en vertrekken 
weder in Augustus oi' September. Zij broeijen slechts eenmaal, namelijk tegen 
hall' Junij. Gewoonlijk maken zij hun nest aan jonge rietstengels vast, hetgeen ten 
gevolge heeft, dat het langzamerhand rijst en, wanneer de jongen volwassen zijn, 
gewoonlijk een voet hooger staat, dan toen de eijeren erin gelegd werden. Men heeft 
ook wel eens een nest tusschen het hooge gras langs den waterkant aangetroffen, 
doch dit behoort, tot de uitzonderingen. Ik zelf heb verscheidene nesten gevonden, 
de meesten in het riet; eenige waren napvormig en aan kruiselings over elkaêr 
gegroeide rietstengels bevestigd; een ander was gedeeltelijk besloten in, gedeelte- 
lijk hangende aan de takken van een in het water gevallen boom; het volgende 
jaar vond ik op dezellde plaats weder een nest. Als bouwstoffen bezigen zij uit- 
gepluisde drooge rietbladeren en droog gras, welk een en ander zij met dunnere 
plantdraden zamenweven. Voor het binnenwerk gebruiken zij gewoonlijk paardenhaar. 

Het wijfje legt meestal vier eijeren, welke naar evenredigheid nog al vrij groot 
zijn en in kleur somtijds onderling verschillen; gewoonlijk zijn zij wit, met eenige 
lichtpaarsachtig grijze haaltjes en schrapjes aan het benedeneinde. De eijeren der 
Baardmannetjes hebben meer overeenkomst mei die eener Gors (Emberiza), 
dan met die der eigenlijke Meezen (Parus). Men heelt ook witte en licht roos- 
kleurige gevonden, maar zulken heb ik nooit gezien. 

Sommigen beweren dat beide ouden broeijen; ik heb dit echter nog nooit 
waargenomen, en ik houd het voor hoogst onwaarschijnlijk, en wel daarom, om- 
dat bij die vogelsoorten, waarvan het wijfje de kleuren heeft, welke met den 
grond, met het nest zelf, of met de plaats waarop het ligt, overeenkomen, en 
waarvan het mannetje fraaijer is gekleurd, het bijna een vaste regel is, dat 
alleen het wijfje broeit. 

Ieder natuuronderzoeker zal immers opgemerkt hebben, dat van fraai ge- 



kleurde vogels, die geen uiterlijk verschil van sekse vertoonen, in de meeste ge- 
vallen de nesten verborgen liggen, zoo als in boom- of aardholen, en dat daar- 
entegen bij die vogelsoorten, waarvan alleen het wijfje eentoonig gekleurd is, de 
nesten in den regel open liggen, zoo als op den grond, op steenen muren of 
rotsen, op dikke boomtakken, tusschen het lage hout of dunne takjes; in ieder 
geval dus handelt de vogel, 't zij door ondervinding of uit instinct, zóó, dat zijne 
nakomelingschap voor de aanvallen zijner vijanden beveiligd wordt; daarom heeft 
de wijze natuur, den broeijenden vogel een vederkleed toebedeeld, dat niet zoo 
spoedig opgemerkt wordt. Als b. v. de Papegaaijen (welke allen in boom- 
holen broeijen) nesten gelijk die der Ringduif maakten, ware hun leed niet te 
overzien; want zij zouden, door hunne afstekende kleuren, zeer spoedig door roofge- 
dierte opgemerkt worden. Zoo zouden ook indien de wijfjes der hoenderachtige vogels 
(welke op den grond broeijen) een vederkleed als dat der mannetjes hadden, 
ook zij natuurlijk veel minder veilig liggen. Vogels, waarvan de seksen gelijk- 
kleurig zijn, en die desniettegenstaande open nesten bouwen, zijn meestal eentoo- 
nig gekleurd, of brengen in het tegenovergestelde geval hunne nesten op zoo- 
danige plaatsen aan, waar zij zelden in handen hunner vijanden kunnen vallen, 
en daaronder behooren de meeste Roofvogels Het zou dus zeer te verwonderen 
zijn, indien bij de hier bedoelde vogeltjes (Parus biarmicus) ook het mannetje 
broeide. Men kan hem misschien op het nest hebben aangetroffen, namelijk 
op den rand of daarboven, maar nooit op de eijeren zittende. 

De jongen worden met insecten, vooral met rupsen van Leucania phragmi- 
tides gevoerd, zijn spoedig volwassen en vliegen tot den trektijd met hunne ouders 
mede. De ouden, alsmede de jongen tegen het najaar, eten ook zaden van som- 
mige waterplanten. Ik heb ook wel eens kleine s.'akjes of liever slakkenhuisjes in 
hunne maag gevonden. 

Men vangt deze vogeltjes volgenderwijze: Twee of drie voorwerpen worden, 
elk afzonderlijk, in een klein kooitje gezet en op een weiland, langs den water- 
kant, tegenover het riet geplaatst. De vogelaars buiten Kralingen weten reeds of 
zien aan de bewegingen in het riet, dat er zich Baardmannetjes bevinden. Nu plaat- 
sen zij een net, lV 2 Ned. el hoog en 4 a 5 Ned. el lang, in eene schuine rig- 
ting tegenover hel riet. Zulk een net wordt op een vierkant houten of ijzeren raam 
gespannen. Op den grond, tusschen dit raam en het riet, worden de kooitjes, 



eenige voeten van elkaêr verwijderd, neergezet. Op en vóór de kooitjes leggen zij 
eenige rietstengels. Op eenige passen vóór het net, vlak nabij den waterkant, 
worden twee houten paaltjes met katrollen in den grond geslagen; door deze 
katrollen loopen koorden, waarvan het eene einde aan één der bovenhoeken van 
het raam bevestigd is, terwijl het andere einde door den vogelaar, die op 
het weiland, achter een boomstam of aangebragte struiken, verborgen zit, wordt 
vastgehouden. Op het geroep der lokvogels komen nu de Baardmannetjes zeer 
spoedig aanvliegen, en vallen op de kooitjes neder, als wanneer de vogelaar 
onmiddellijk het net overtrekt en er de „nieuwelingen of wilden" (pasgevangenen 
in de vogelaarstaal) onder heeft. 

De Baardmannetjes zijn zeer gezochte kamervogels, zoowel om hunne zachte 
kleuren, als om hunne geaardheid. Men kan ze moeijelijk anders dan gepaard 
houden, en als een van beiden sterft en niet spoedig vervangen wordt, volgt de 
andere gewoonlijk weldra. 

Er worden allerhande sprookjes verhaald aangaande de levenswijze van ge- 
paarde Baardmannetjes in de gevangenschap, o. a. dat het mannetje des nachts, 
onder het slapen, zijn vleugel over het ligchaam van het wijfje legt en haar 
als ware 't omhelst. Nu is 't waar, dat deze vogeltjes 's nachts digt op elkaêr 
zitten; maar dit doen in de volière bijna alle kleine vogels, zelfs van zeer 
verschillende soorten. Ik althans heb lang Baardmannetjes gehad, maar van die 
teedere omhelzing nooit iets waargenomen. 

Deze vogeltjes zingen weinig; ook is hun zang, bij hun gevederte vergeleken, 
niet bijzonder fraai te noemen; hel bestaat slechts in het schielijk herhalen van 
hun gewoon geroep, waaronder het mannetje nu en dan een snorrend geluid laat 
hooren. 

Men voert ze in de gevangenschap met papaverzaad (maanzaad), gekneusd hen- 
nepzaad, meelwormen en, als men ze verkrijgen kan, met rupsen uit het riet. 
's Winters moet men hen binnen houden, daar zij geen strenge koude verdra- 
gen kunnen. De meesten sterven in den rui of ten gevolge van ondoelmatig 
voeder. 




. 



J. G.Kculem&ns, ad nat j? s~i / // 



P.WM.Trap exc 



HET GOUDHAANTJE. 

REGULUS 1GNICAPILLUS. 



Men noemt dit vogeltje Goudhaantje, omdat zijne fraaije kleuren eenige over- 
eenkomst hebben met die van een kevertje (Chrysomela fastuosa), hetwelk dikwijls, 
vooral door kinderen, met dien naam bestempeld wordt. Het draagt ook nog andere 
namen, als: Koningje, Goudsbloempje, Doorn- of Sparresijsje, Goudkuifje, en ook 
Winterkoningje, ofschoon deze titel meer algemeen aan eene verwante soort (Re- 
gulus cristatus) gegeven wordt. Nogtans heeft wel geen vogeltje meer regt, Koningje 
te heeten, dan juist het Goudhaantje, omdat zijn kuifje wel wat van een kroontje 
weg heeft; ook zijn wetenschappelijke naam (Regulus) duidt dit, waarschijnlijk om 
genoemde reden, aan. 

Men kan dus, ook ter aanduiding van dit vogeltje, gerustelijk den inlandschen 
naam Winterkoningje blijven bezigen, en wel vooreerst, omdat de twee verwante, 
hier levende soorten zeer veel overeenkomst (beiden kroontjes) hebben; ten andere, 
omdat men ze alleen 's winters of omstreeks dien tijd te zien krijgt, terwijl de weinige 
soorten van dit geslacht steeds in het Noordelijk halfrond worden aangetroffen. 

Twee aan de onzen verwante soorten, namelijk, de Reg. satrapa en Reg. calen- 
dula, bewonen Noord-Amerika. 

Een in kleur en grootte aan de Winlerkoningjes verwante vogel, de Sylvia 
(Phyllopneusle of Flcedula) proregulus (die zeer ten onregte ook als Regulus mo- 
destus beschreven is), bewoont mede hoofdzakelijk het Noordelijk gedeelte der oude 
wereld, is vooral in het zuiden van Siberië gemeen, en werd eenige malen in 
Holland, eens ook (eenige jaren geleden) in de omstreken van Leyden gevangen. 

Wij dienen hier nog aan te merken, dat de naam Winterkoning ook ter aan- 
duiding van een anderen Europeschen vogel, ja, als Hollandsche naam voor een 
geheel geslacht Sluipers (Troglodytes) gebezigd is, doch zeer ten onregte, vermits 



deze titel noch met den wetenschappelijken naam, noch met de kleuren of eigen- 
schappen dezer vogels strookt. 

De eigenlijke Winterkoningjes (Regulus) hebben in vorm eenige overeenkomst 
met de Zangers (Sylvia); hun snavel is echter spitser en dunner, terwijl hunne 
neusgaten met een stijf veertje bedekt, hunne pooten vrij lang, maar zwakker, en 
de schilden aan den voetwortel minder scherp afgescheiden zijn, zoodat de voet- 
wortel van voren uit een onverdeeld schild schijnt te bestaan; de vleugelpennen 
zijn naar evenredigheid langer dan die der meeste Sylvice, de staartpennen smaller, 
meer gepunt, en de staart zelf ingesneden. Hunne lange, zachte vederen bewijzen, 
dat deze vogeltjes de koude luchtstreken bewonen; vandaar ook, dat wij ze slechts 
bij uitzondering des zomers te zien krijgen. 

Het Goudhaantje zwerft van September tot Maart in ons land rond, meestal 
in gezelschap van Meezen en andere inseclenetende vogels. Het komt ons reeds in 
September opzoeken, terwijl het Winterkoningje (Reg. cristatus) eerst in October 
komt; gewoonlijk treft men na dien tijd beide soorten bij elkander aan. 

Het mannetje is fraaijer gekleurd dan het wijfje, wier kuif minder helder oranje, 
en wier nekveêren minder geel zijn. De jongen hebben, tegen den tijd dat zij het 
nest verlaten, over 't algemeen eene meer naar het graauwe trekkende kleur; de 
witte en zwarte streepjes aan den kop ontbreken hun nog, en de bij de ouden 
lange en gele kuifveêren zijn bij hen meer rond en flets groen. Hunne kleuren 
worden echter, naarmate de ruitijd nadert, van lieverlede fraaijer, en na dien tijd 
(Augustus) is hun vederkleed nagenoeg aan dat der ouden gelijk, hoewel toch 
over 't geheel nog iets fletser. 

Hier te lande worden zij, voor zooverre bekend is, niet broeijende aange- 
troffen; daarentegen dikwijls wèl in die landen, waar meer dennenhout groeit, dan 
bij ons, zoo als in Rusland, sommige streken van Duitschland en Zwitserland. 

Het nest, dat gewoonlijk op manshoogte of hooger ligt, is meestal aan het 
einde der dennenlakken geplaatst, omdat dit gedeelte meer aan de zon is blootge- 
steld, en er dus meer groen aanwezig is om het nestje te kunnen verbergen. Het 
wordt uit plantendraden, mos, spinrag, en van binnen uit plantenpluis zamengesteld, 
heeft eene halfkogelvormige gedaante en veel overeenkomst met dat van den Vink 
of van den Spotvogel, doch is veel kleiner. 

De eijeren, waarvan er gewoonlijk zes a negen in één broeisel gevonden wor- 
den, zijn geheel wit, met eenige, bijna onmerkbare vlekken aan het stompe einde; 



zij zijn bleeker dan die van het Winterkoningje en ook iets grooter, ofschoon zij 
met dezen de kleinste Europesche vogeleijercn zijn. 

Het voedsel, waarmede ook de jongen worden grootgebragt, bestaat uit kleine 
insecten, als rupsjes, mieren, spinnetjes, enz.; 's winters voeden zij zich met insec- 
teneijeren, vooral met die van de kruisspin; zaden schijnen zij slechts dan te eten, 
wanneer die klein en week zijn, en de nood hen daartoe dwingt. 

De zang van het mannetje heeft eenige overeenkomst met het zachte kwelen, 
dat sommige Sijsjes laten hooren, doch de toon is helderder, en telkens wordt 
de zang door een zacht slepend geluid afgebroken. Ook het lokgeluid of gewoon 
geroep is fijn en slepend; het heeft zeer veel overeenkomst met dat van den Pimpel, 
maar nog meer met dat van de Staarlmees, zoodat het daarvan bijna niet te 
onderscheiden is; ook in hunne verdere eigenschappen en bewegingen hebben de 
Goudhaantjes iets van de Meezen. Men ziet van deze vogeltjes dikwijls, dat zij zich 
voor of boven een takje, door snelle vleugelslagen, als in de lucht staande weten 
te houden, even als de Bloemzuigers (Nectarinia) en de Kolibrietjes (Trochilus). Dit 
doen zij vooral wanneer het een of ander hunne verwondering of aandacht wekt, 
of wanneer zij iets onderzoeken; althans dadelijk daarop ziet men hen iets weg- 
pikken of onmiddellijk voortvliegen. Zij zijn overigens meer bevreesd voor een 
Klaauwier (Lanius), dan voor den mensch; zoodra zij genoemden vogel ontwaren 
(en dit doen zij spoedig), laten zij zich op eens naar beneden vallen, en houden 
zich dan doodstil, hetzij op den grond, hetzij hangende tusschen de bladeren. Zij 
rigten hun zoo fraaije, zijdeachtige kuifje op, wanneer zij schrikken, zich ver- 
wonderen, vechten of vrolijk zijn; gewoonlijk echter zijn de kuifveèrtjes verbor- 
gen, en wel doordien de buitenveêren, namelijk de zwarte (waarvan de binnenste 
aan de binnenvlag geel zijn), zich naar het midden van den kop aaneensluiten, 
waardoor de daaronder liggende, oranjeroode, eigenlijke kuifveêren onziglbaar 
worden gemaakt. 

Men kan de Goudhaantjes zeer gemakkelijk vangen, daar zij buitengewoon 
mak zijn en zich 's winters tot vlak bij de woningen wagen. Ik heb ze dan ook 
's winters dikwijls met een vlindernet gevangen. Ook door middel van den lijm- 
hengel, of van de lijmstokken met den Uil, wordt men hen spoedig meester. 

In de gevangenschap houden zij 't gewoonlijk niét lang uit, tenzij men bij- 
zonder zorg voor hen drage. Vooreerst dient de kooi niet te eng, en allesn aan 
de voorzijde van traliën voorzien te zijn. Aanvankelijk plaatst men ze bij dag 



buitenshuis, liefst tusschen in de schaduw staande boomtakken, en voert men 
het gevangen vogeltje met de eijeren van de kruisspin, welke men reeds van half 
September af, onder de latten van heiningen, tusschen naden van planken muren, 
en onder dakpannen, bij massa's in een cocon of pluis gewikkeld, kan vinden, 
en die voor vele insectenetende vogels een uitstekend voedsel opleveren. Het ge- 
vangen Goudhaantje zal die gewoonlijk dadelijk nuttigen en met vijf of zes zulke 
spinnesten daags tevreden zijn. Verdorde bladeren, waarin zich insecten bevinden, 
pluist hij gaarne uit; daarom werpe men er een handvol van in de kooi: dat geeft 
den vogel te gelijker tijd eenige bezigheid. Den tweeden of derden dag geve men 
hem kleine of stukjes, en daarna eenige heele meelwormen, doch zonder de kop- 
pen; twaalf groote meelwormen daags zijn voldoende. Indien de vogel het daar- 
mee goed uithoudt en de eerste vier dagen in beweging blijft, kan men de kooi 
naar binnen of bij huis halen. Men ga nu voort met stukgehakte meelwormen, 
waaronder eenige fijne broodkruimels gemengd zijn, en langzamerhand brenge men 
er meer en meer broodkruimels en eijerdojer (hard gekookte) onder, tot dat op 't 
laatste dit zijn hoofdvoedsel wordt en men de meelwormen slechts nu en dan 
toedient. Zoolang het meelwormen krijgt, drinkt het vogeltje weinig, maar des te 
meer zoodra het aan brood en ei gewend is. 

Twee dezer vogels zullen bij elkaêr zich beter aan de gevangenschap kunnen 
gewennen, dan elk afzonderlijk. Voor koude schijnt het Goudhaantje ongevoelig 
te zijn, doch harden wind kan het niet verduren. In ieder geval vereischt het veel 
zorg, het levend te houden; maar komt men het eenmaal te boven, dan is er, 
voor de kooi of volière, zeker geen liever vogeltje, dan het Goudhaantje. 



. 



HET WINTEEKONINGJE, 

REGULUS GRISTATUS. 



Dit vogeltje, waarvan wij reeds bij het Goudhaantje spraken, bewoont bijna geheel 
Europa; het wordt echter in de koudere landen, zoo als in 't Noorden van Rus- 
land, in Zweden en Noorwegen, veel algemeener aangetroffen, dan in Midden- 
Europa, alwaar het wel overwintert maar zelden broeit en, even als hier te 
lande, vooral in het koude jaargetijde gezien wordt. Het Winterkoningje is meer 
een Noordsche, het Goudhaantje een Midden-Europesche vogel. Men heeft ze 
vroeger voor een en dezelfde soort gehouden, niettegenstaande het onderscheid 
zeer kennelijk is. Het Winterkoningje verschilt van het Goudhaantje door zijn 
meer eentoonig vederkleed, doordien het geen wit onder en boven het oog, en 
over 't algemeen minder zwart aan den kop heeft; zijn kuifje bevat ook meer 
gele en minder donker oranjekleurige veeren; zijn rug trekt meer naar het grijs- 
groene, en zijne nek veeren zijn niet, zoo als die van het Goudhaantje, fraai geel- 
groen, maar groenachtig grijs. 

Bij de Winterkoningjes is grooter verschil van seksen op te merken, dan bij 
de Goudhaantjes; het wijfje van laatstgenoemde heeft een licht oranje kuifje, 
terwijl het wijfje van eerstgenoemde slechts de buitenste, verlengde, citroengele 
kopveêren heeft. De jongen zijn schier geheel gelijk aan die der Goudhaantjes, 
van welke zij zich echter onderscheiden door een geelachtig streepje over den buik. 

In Noord-Braband worden wel eens Winterkoningjes broeijende aangetroffen: 
waarschijnlijk zijn dit paren, die daar 's winters overbleven. Na een kouden winter 
in het Noorden, of bij eene vroege lente hier te lande, blijven deze vogeltjes dan 
ook wel eens in velen onzer provinciën broeijen. 

Het nest, het getal en de grootte der eijeren zijn gelijk aan die der Goud- 
haantjes; alleen is bij het Winterkoningje de kleur der eijeren wit'. 



Het voedsel, zoowel van de ouden als van de jongen, bestaat uit kleine, 
insecten, vooral mieren, en uit eijeren van insecten, hoofdzakelijk van de 
kruisspin. 

De zang van het mannetje is eenvoudig en zwak, en gelijkt veel op dien van het 
Goudhaantje, doch is minder helder; het lokgeluid of gewoon geroep is echter bij 
beiden geheel gelijk. 

De beide soorten, R. cristatus, en R. ignicapillus hebben volmaakt dezelfde 
levenswijze. Daar eerstgenoemde in Noord-, en laatstgenoemde meer in Midden- 
Europa leeft, is het niet onwaarschijnlijk, dat de fraaijere kleur van ignicapillus 
door verandering van luchtstreek is te weeg gebragt, of, omgekeerd, dat de 
bleekere kleuren van het Winterkoningje zijn toe te schrijven aan de koudere 
streken, die het bewoont. 

Men vangt de Winterkoningjes gewoonlijk, even als de Goudhaantjes, op den 
lijmstok met den Uil, en ook met den lijmhengel. Zij zijn zeer gemakkelijk té 
vangen, daar zij zich dikwijls tot digt bij de huizen wagen; 's winters komen zij 
zelfs in de schuren, alsmede in broeikassen, waar zij dan dikwijls tot in het 
voorjaar vertoeven. 

Als men in het koude jaargetijde rietmatten (zoogenaamde dekmatten) langs 
een muur of heining plaatst, vliegen deze vogeltjes dikwijls achter die matten, 
ten einde tusschen het matwerk of langs de heining kleine insecten te zoeken; 
eens er ingevlogen, vervolgen zij gewoonlijk al zoekende hun weg, en komen 
dan aan het andere einde weder te voorschijn. Ligt men nu aan het eene 
einde de matten een weinig op, zoodat de ingang grooter wordt, en brengt men 
dan aan het andere einde een net aan, dan kan men veel van die vogeltjes 
magtig worden, door ze namelijk op te jagen totdat zij aan het uiteinde in het 
net geraakt zijn. 

Men kan ze ook in de volière houden, en behandelt de pas gevangenen op 
gelijke wijze als bij het Goudhaantje is opgegeven. Overigens schijnen de Winter- 
koningjes beter dan de Goudhaantjes de gevangenschap te kunnen verdragen. 




. I 



/ r -v/////Vv; 



K\ ' , ci 



DE SLUIPER. 

TROGLODYTES EUROP^US. 



Onder het geslacht Troglodytes rangschikt men een gering aantal soorten, 
welke onderling zeer veel overeenkomst in kleur hebben, en voornamelijk in Noord- 
Amerika te huis behooren. Het zijn standvogels; zij houden zich digt bij den grond 
op en zijn zeer vlug in hunne bewegingen, waarbij zij den korten staart meestal 
opgerigt houden; zij hebben een krachtig stemgeluid, bouwen groote en zeer kun- 
stige nesten, en voeden zich hoofdzakelijk met kleine insecten. 

Dit vogeltje draagt hier te lande verschillende namen; in vele streken van 
Noord-Rraband noemt men hem Sluipertje, Heggesluipertje of Heggekruipertje ; in 
bijna geheel Zuid-Holland Klein-Jan, en in sommige omstreken van Rotterdam 
Pieter-Teunis. 

De naam Winterkoning, waaronder hij meestal beschreven wordt, is waar- 
schijnlijk ten gevolge van misverstand op hem toegepast. Ik kan niet met zeker- 
heid zeggen, van waar die buitengewone naam afkomstig is; althans de landlieden 
kennen hem alleen onder bovengenoemde namen, en verstaan onder „Winterkoning" 
steeds Regulus cristatus of ignicapillus. Ik heb den naam Sluiper gebezigd met 
het oog op zijne bewegingen, die inderdaad iets sluipends hebben; hij houdt zich 
namelijk tusschen heggen, in digt begroeid hout en onder takkebossen op, en waar 
geen andere kleine vogel meer kan tusschendringen, daar sluipt dit vogeltje nog 
even gemakkelijk door; het weet zich dan ook bij naderend gevaar zoo goed tus- 
schen het hout te verbergen, dat het voor de aanvallen zijner vijanden volkomen 
veilig is. 

Dit vogeltje nu bewoont, behalve geheel Europa, een groot deel van Azië en 
Japan. In Zuid-Europa zijn deze vogeltjes meestal donkerder op de bovendeelen, 
dan hier Ie lande. Sommigen beschouwen deze donkere voorwerpen als eene andere 



soort en noemen ze T. meridionalis. Nu vindt men ook wel in Nederland zulke 
donkere voorwerpen, doch deze zijn oude mannetjes. 

Het verschil tusschen de seksen bestaat daarin, dat het wijfje iets kleiner en 
meer eentoonig van kleur is, dan het mannetje, terwijl bij haar de witte streep 
boven het oog minder duidelijk is. De jongen verschillen, bij 't verlaten van het 
nest, van de ouden alleen door hunne meer gelijke bruine kleur. 

De Sluipertjes broeijen tweemaal, namelijk, in Mei en tegen het einde van Junij 
of het begin van Julij. Het nest is, in verhouding tot den vogel, buitengewoon 
groot. De oude paren bouwen grootere nesten, dan de voor het eerst broeijende 
paren; sommige nesten overtreffen in omvang zelfs dat van de Zwarte Lijster. 
Men vindt ze op knotwilgen, op de uitstekende wortels van boomen, vooral van 
elzen, die langs den waterkant staan, in ruime boomholen, ook tusschen takken, en 
soms ook onder oude rieten daken. Als bouwstoffen voor het nest bezigen deze vogel- 
tjes dunne worteltjes, mos, kleine doode blaadjes, allerhande plantaardige vezels, 
en voor het binnenwerk paardenhaar, schapenwol en soms ook veeren, alle welke 
bouwstoffen zij bijna altoos in de onmiddellijke nabijheid van het nest vinden, ter- 
wijl zij de buitenzijde zoodanig met zacht groen mos bekleeden, dat het geheel over- 
eenkomt met de plaats, waarop het is vastgehecht, en dan ook moeijelijk te vin- 
den is. Zij maken ook dikwijls zoogenaamde speelnesten, of liever, bouwen op 
verschillende plaatsen half voltooide nesten, en broeijen, naar 't schijnt, in dat 
nest, hetwelk hun het veiligst voorkomt. 

Elk broeisel bevat zes a negen, het tweede zelden meer dan zeven eijeren, 
welke wit van kleur zijn, met eenige rosse vlekjes aan de stompe zijde. Het wijfje 
is eene trouwe broeister; zij verlaat haar kroost niet dan in de uiterste noodzakelijkheid, 
en wordt op het nest door het mannetje gevoerd, welke bijzonderheid sommigen 
tot het vermoeden heeft geleid, dat ook het mannetje broeijen zou. Dit is echter 
het geval niet, en wanneer men het mannetje in het nest ziet gaan, kan men 
er zeker van zijn, dat hij daar alleen komt om zijn wijfje of zijne jongen te voeren. 

De jongen worden door beide ouden met insecten gevoerd, en zijn spoedig 
volwassen; zij blijven gedurende de eerste dagen, nadat zij het nest verlaten heb- 
ben, laag bij den grond, en komen gewoonlijk de eerste week niet in de boomen. 
Het ouderpaar houdt dan nog een wakend oog op de uitgevlogen jongen, doch laat 
hen voor hun eigen onderhoud zorgen, en tegen den tijd, dat het tweede broeisel 
begint, worden zij geheel aan hun lot overgelaten; met de jongen van dit tweede 



broeisel gaat het meestal op gelijke wijze als met die van het eerste; soms echter 
vertoeven deze tot den winter in dezelfde streek als de ouden. 

Het stemgeluid is bij deze vogels zeer ontwikkeld. De zang van het mannetje 
is buitengewoon krachtig-; hij zingt zoowel 's winters als 's zomers, begint met 
eenige zacht luidende syllaben, valt daarop in eens in, houdt soms plotseling op, 
begint dan weder op nieuw, en woekert als ware 't met zijn stemvermogen. Dik- 
wijls, vooral in den paartijd, hoort men twee mannetjes zoo lang achtereen tegen 
elkander in zingen, dat zij eindelijk schor worden en geen geluid meer kunnen 
geven; zulk een zangwedstrijd duurt meestal eenige uren, en wanneer de mede- 
dinger niet spoedig uit den omtrek verdwijnt, wordt de strijd dagen achtereen 
herhaald. Het gewoon geroep of lokgeluid heeft iets eigenaardigs en gelijkt naar 
het ratelen bij het opwinden van een uurwerk. 

Het zijn zeer tamme vogeltjes; vooral 's winters, komen zij digt bij de wo- 
ningen. Men vangt ze gemakkelijk op de lijmstokken met den Uil, en in het najaar, 
als zij met Meezen en andere trekkende vogels rondzwerven, worden zij ook wel 
met den meezenknip gevangen. 

In gevangenschap kan men ze, vooral als zij 's winters gevangen zijn, zeer 
goed met meelwormen en kunstmatig voeder in 't leven houden. De kooijen, waar- 
in men ze houdt, moeten vooral van naauwe traliën voorzien zijn, daar zij anders, 
„sluiperljes" in naam en daad, alligt zouden ontsnappen. 










^7 

zy r 7//YS-, 



BE GBASMUSCH. 

SYLVIA CINEREA. 



Wij kennen onder den naam „Grasmusch" een vogeltje, dal tol het geslacht 
Zangers (Sylvia) behoort, doch, wegens zijn eigenaardigen vorm weder door som- 
migen tot eene afzonderlijke groep wordt gebragt. Er komen in Europa en in 't 
Noorden van Afrika onderscheidene vogels voor, die in vorm en kleur met onze 
Grasmusch overeenkomen en daarom ook tot dezelfde groep (Currica) behooren. 
Het zijn: de Sylvia Ruppelli, die de onze in Griekenland en Turkije schijnt te ver- 
vangen; de S. melanocephala, uit Italië, Spanje en Portugal; de S. conspicillata, 
uit dezelfde streken, en vooral op de bergen en in de vlakten der Kaapverdische 
eilanden, Teneriffe en Madeira zeer algemeen; bij deze soort zijn de kleuren over 
het geheel iets levendiger, de vleugels ronder, en de geheele vogel kleiner, doch 
overigens komt hij, wat zang, levenswijze en verschil in sekse betreft, onze Gras- 
musch zeer nabij. Voorts de S. provincialis, die het Zuiden van Frankrijk, Zwitser- 
land en geheel Zuid-Europa bewoont, en ook in Engeland herhaaldelijk is waarge- 
nomen; deze soort komt in kleuren met de onze nagenoeg overeen, heeft dezelfde 
levenswijze, maar is iets kleiner. Eindelijk de S. subalpina, mede aan de onze ver- 
want, maar kleiner, door fraaijer zang en door hare wijze van nestelen van de onze 
verschillende. Tot de groep „Curruca" behoort ook de Braamsluiper (S. curruca). 

De gewone soort, S. cinerea, bewoont bijna geheel Europa, met uitzondering 
van de zuidelijkst gelegen landen; en in de meeste streken, waar zij vertoeft, 
is zij zeer algemeen. De officiële naam „Grasmusch" is hieraan toe te schrijven, 
dat men haar, meer dan andere iSyw'a-soorten, in het lage hout en hooge gras, 
en vooral langs begroeide slootkanten aantreft, en dat hare kleuren wel eenigzins 
naar die van onze Huismusch gelijken. 

De Grasmusch bezoekt ons van half April tot de eerste dagen van September, 



en broeit dus hier te lande. Zij overwintert in Noord-Afrika en in 't Zuiden en 
Zuid-Oosten van Europa. Even als bij de meeste vogels, die hier broeijen, het 
geval is, komen de mannetjes eenige dagen vroeger dan de wijfjes. De seksen 
bieden weinig verschil aan; alleen zijn de kleuren van het wijfje over 't alge- 
meen fletser. 

Kort na hunne aankomst paren zij en beginnen den nestbouw, waaraan het 
wijfje het voornaamste deel heeft, maar waartoe de bouwstoffen door het mannetje 
worden aangebragt. Deze bouwstoffen worden uit de onmiddellijke nabijheid op- 
gezocht en bestaan uit lange, dunne grasstengels, drooge, dunne grashalmen, 
kortom uit lange, dunne plantaardige voortbrengselen; voor het binnenwerk wordt 
wel eens schapenwol, koe- of paardenhaar gebruikt, maar in vele nesten wordt 
dit niet aangetroffen. Men vindt de nesten meestal langs slootkanten, onder de 
uitstekende takken van wilgen of elzen, en dan gewoonlijk nabij den grond, hetzij 
tusschen de takken zelven, of tusschen het gras, aan stengels of aan lage planten 
vastgehecht. In tuinen vindt men hunne nesten wel eens in heesters en stam- 
rozen, soms ook tusschen de digt met klimop begroeide prieelen of muren. 

De broeitijd duurt van Mei tot Julij, in welk tijdsverloop de vogel tweemaal 
broeit. Elk broeisel bestaat gewoonlijk uit vier of vijf, het tweede broeisel echter 
dikwijls uit niet meer dan drie eijeren. Deze hebben eene vuil geelachtig witte 
kleur en zijn over het geheel van zeer kleine donkere streepjes, en aan het 
stompe einde van digt op elkander staande vlekjes voorzien, waardoor er als ware 
't een breede ring van vlekjes op zigtbaar is. 

Alleen het wijfje broeit, terwijl het mannetje dikwijls zeer ver van het nest 
gezocht moet worden. Daaraan is het dan ook misschien wel toe te schrijven, 
dat de Koekoek (Cuculus canorus) zijn ei bij voorkeur in het nest van deze 
vogelsoort brengt; want, ware het mannetje een trouwer wachter, dan zou het 
wijfje bij tijds voor den Koekoek gewaarschuwd kunnen worden. Dereden, waarom 
de Grasmusschen zich zoo ver van hunne broeijende wijfjes verwijderen, is 
waarschijnlijk in de wijze van voedsel zoeken en in de soort van voedsel zelve 
gelegen. Zij voeden zich namelijk bij voorkeur met zachte rupsjes, hoofdzakelijk 
met die, welke zich in de bladen van brandnetels verschuilen (zoogenaamde 
bladrollers). Daar nu de brandnetels gewoonlijk niet gelijkmatig langs de sloot- 
kanten, maar op verschillende, van elkander verwijderde plaatsen voorkomen, en 
die rupsen in den regel slechts daar leven, waar genoemde planten in menigte 



groeijen, zoo laat het zich zeer wel verklaren, dat de Grasmusch van de eene 
plaats naar de andere trekt, om het lievelingsvoedsel voor zich en voor zijne 
wederhelft op te sporen. 

Ook de jonge Grasmuschjes worden met datzelfde voedsel grootgebragt, 
maar daarvoor zorgen beide ouden; anders zou het, om genoemde reden, wel 
eens kunnen gebeuren, dat het kroost van honger omkwam. 

De zang van het mannetje is kort en bestaat uit eenige heldere, schielijk en 
meestal regelmatig herhaalde toonen. Dikwijls zit hij boven in de wilgen- of 
elzenboomen, vliegt al zingende even omhoog, doch zwijgt op eens en valt dan 
plotseling op zijne zoo even verlaten plaats terug. Zijn gewoon geroep heeft iets 
zeer kennelijks en bestaat uit het gedurig en schielijk herhalen der syllaben: 
„chèch chèch". Daar hij bij dit zachte geroep steeds in beweging is, kan men 
den vogel moeijelijk vinden, en klinkt het nu eens van zeer nabij, dan weder 
van zeer verre af, al naar gelang van de rigting, waarin de vogel den kop of 
het geheele ligchaam wendt. 

Men treft de Grasmusschen zelden in gezelschap van andere vogelsoorten 
aan, maar meestal alleen. Ook de jongen worden spoedig aan hun lot overgelaten, 
en verwijderen zich van elkander. Evenwel zijn het geenszins stille of de eenzaam- 
heid zoekende vogels; want, ofschoon men ze gewoonlijk alleen aantreft, vindt 
men ze toch altijd in zulke streken, die druk door andere zangers bezocht worden. 
Daar b. v., waar de Ringmusch (Fringilla (Passer) montana) leeft, wordt ook 
gewoonlijk de Grasmusch aangetroffen. In bosschen vindt men haar bijna nooit, 
dan alleen langs de zoomen; daarentegen zijn er weinig boomgaarden en boer- 
derijen, waar niet een dezer vogels zich een zomerverblijf gekozen heeft. 

De jongen kan men met geweekt brood, rupsjes en miereneijeren groot- 
brengen; later gewennen zij zich zeer goed aan dit kunstmatig voeder; zij worden 
in de gevangenschap zeer mak en zetten hunne kopveêren, even als een kuifje, 
op, wanneer men hun een meel worm geeft. De ouden sterven meestal spoedig, 
wanneer men ze gevangen houdt; ook van de jongen gaan er, vooral tegen den 
trek- of ruitijd, velen verloren. 




^zjjy% 




I r.uus, ad nat. 




y 



f /vr/^///yy////W'. 7 



.'. frap :xc 



DE BRAAMSLUIPEE. 

S Y L V 1 A C ü R R ü C A. 



De Braamsluiper, die in verschillende streken van ons vaderland ook Kersen- 
diefje genoemd wordt, is in Europa, naast de Grasmusch (S. cinerea), de alge- 
meenste soort van de groep Curruca. In de wetenschap heet hij, volgens nieuwe 
schrijvers, ook Curruca rufa en C. albigula. Den bijnaam Kersendiefje heeft hij te 
danken aan zijne eigenschap, om 's zomers in de boomgaarden kersen te eten, of 
liever, van de kersen te pikken. Men noemt hem Braamsluiper, omdat hij veeltijds 
wordt aangetroffen in streken, waar braambeziën groeijen en waar hij dan in de 
braamstruiken rondspringt en ook nestelt. 

Deze vogel bezoekt on» van half April tot de eerste dagen van September; 
meestal komt hij gelijktijdig met de Grasmusch. Na September vindt men hem nog 
in Zuid-Europa, alwaar hij dikwijls overwintert; wordt het hem daar echter nog 
te koud, dan trekt hij tot Noord- Afrika. 

Hier te lande vindt men den Braamsluiper het menigvuldigst in Gelderland 
en Noord-Braband; in laatstgenoemde provincie behoort hij tot de meest algemeene 
zangers en schijnt zelfs in sommige streken de Grasmusch geheel te vervangen. 
In de kustprovinciën daarentegen is hij, ofschoon lang niet zeldzaam, toch niet 
zoo algemeen als in genoemde streken. Hij bewoont bij voorkeur een droogen, 
heideachtigen grond, laag hout, als struiken en heesters, en boomgaarden. 

Er bestaat geen aanmerkelijk verschil tusschen de seksen; alleen is het man- 
netje wat rosser op de borst en donkerder aan de wangen, terwijl de kleuren aan 
keel en oorsteek zich bij hem duidelijker afscheiden, dan bij het wijfje. 

De jongen hebben dezelfde kleuren als de ouden, doch over 't algemeen wat 
fïaauwer tint; hunne pooten zijn geelachtig, hunne iris blaauwgrijs en hun snavel 
blijft gedurende de eerste maanden bruingeel. 



De Braamsluiper bouwt zijn nestje in struiken, heesters, heide, vruchtboo- 
men, enz., altijd tusschen dunne, en nooit op dikke takken; gewoonlijk in 't blad- 
rijkste gedeelte van den struik of boom, maar nooit op plaatsen, waar zich veel 
of dikwijls menschen vertoonen. 

Het nest is, even als dat der Grasmusch, slordig bewerkt; het wordt uit 
verschillende materialen zaamgesteld, zoo als dunne plantstengels, vooral pluizen 
of draden van brandnetelstengels of draden en stukjes van verschillende andere 
schorsen of basten, al hetwelk met dun, droog gras zaamgevlochten wordt. Van 
binnen is het nest met dunne, afgepluisde plantendraden en haar, soms ook met 
insectenweefsels belegd. 

De eijeren, waarvan gewoonlijk 4 a 6 in het eerste, en 3 a 5 in het tweede 
broeisel gevonden worden, zijn grijsachtig, of liever, vuil wit, met kleine graauwe 
vlekjes en streepjes over het geheel, en met eenige grootere, donkerbruine vlekken 
hier en daar, maar vooral aan de ronde zijde. De groote vlekken vormen aan den 
stompen kant een min of meer duidelijken kring, welke echter veel minder in 't 
oog valt, dan bij de eijeren der Grasmusch. 

Het mannetje schijnt aan het broeijen geen deel te nemen; althans, even als 
bij de Grasmusch 't geval is, vindt men hem maar zelden in de nabijheid zijner 
broeijende wederhelft. • 

Men verhaalt van het wijfje van den Braamsluiper (volgens anderen, van de 
Grasmusch), dat zij, zoodra een of andere vijand het nest nadert, zich op den 
grond laat vallen, zich vleugellam houdt, vervolgens schijnbaar gebrekkig tracht 
te onf vlugten en zoodoende den vijand langzamerhand van het nest afleidt, totdat 
hij ver genoeg verwijderd is, als wanneer zij plotseling weer opvliegt en langs 
een omweg naar haar kroost terugkeert. Ofschoon ik dergelijke listen van andere 
vogelsoorten (van den Leeuwerik b. v.) dikwijls heb waargenomen, ben ik nog niet 
in de gelegenheid geweest, dit van den Braamsluiper op te merken. Grasmusschen 
heb ik in menigte broeijende gevonden, maar nog nooit hebben die broeisters 
zulke kunstjes voor mij vertoond. Waarschijnlijk zijn dan ook die schrijvers, vol- 
gens welke de Braamsluiper en niet de Grasmusch die listen te baat. neemt, liet 
best ingelicht; nogtans is het zeer wel mogelijk, dat men het van beide, en mis- 
schien van nog meer soorten, heeft kunnen opmerken. 

De jonge Braamsluipers worden door beide ouden gevoerd en krijgen in de 
eerste dagen weeke insecten, vooral rupsjes en spinnetjes. Bezien schijnen de 



ouden, ofschoon zij zelve die nuttigen, hunnen jongen slechts bij gebrek aan beter 
toe te dienen. Nadat de jongen het nest verlaten hebben, worden zij nog eenigen 
tijd door de ouders verzorgd. 

Jonge Braamsluipers plaatsen zich gaarne in den zonneschijn; de ouden daar- 
entegen verschuilen zich liever tusschen het digtst gebladerte. Braamsluipers zullen 
zich gaarne ophouden in tuinen, waar pruimen groeijen. 

Ofschoon het over 't algemeen schuwe vogeltjes zijn, kan men ze toch in 
stille streken, b. v. in het duin, tot op vrij korten afstand naderen; zijn zij echter 
eenmaal opgejaagd, dan kan men ze op geen veertig pas meer nabij komen. Als zij 
dan wegvliegen, doen zij dit zelden in de hoogte of boven het struikgewas, maar 
gewoonlijk tusschen de struiken door en langs den grond. Meestal vliegen zij eerst 
regt vooruit, houden zich vervolgens in het lage groen even schuil, en keeren dan 
in eene schuinsche of tegenovergestelde rigting terug. Deze eigenschap, die ik 
meermalen waarnam, staat wel eenigzins in verband met het vleugellam houden 
der broeijende wijfjes. 

De zang van den Braamsluiper heeft wel iets van dien der Grasmusch, maar 
de laatstgenoemde zingt eene langere, bijna geregelde strophe, terwijl de Braamsluiper 
meer een zoogenaamden wildzang heeft. Zijn geluid is ook iets scherper, en som- 
mige scherpe toonen volgen elkander zoo schielijk op, dat men ze onmogelijk 
kan nabootsen. Zijn gewoon geroep heeft ook iets eigenaardigs: hij doet namelijk 
alsof hij begon te zingen, doch houdt plotseling stil, en uit dan voor afwisseling, 
bijna onhoorbaar, de syllaben „chuch-chuch" . 

Men kan ze in kooijen houden en de jongen opkweeken op dezelfde wijze als 
voor de Grasmusch is opgegeven Tn hun kooileven vertoonen zij ook dezelfde 
eigenschappen als laatstgenoemde vogel. 



'S^>j«Ü' 



■'W:..,^ 







X 

.X 




HET KOODBOKSTJE. 

SYLVIA RUBECULA. 



Dit bij ons zeer algemeen vogeltje is zijn inlandschen naam verschuldigd aan 
de oranjeroode kleur, die zijne borst en krop versiert. Het behoort tot het geslacht 
der eigenlijke Zangers (Sylvia) en komt in vorm het meest de aan den Nachtegaal 
verwante soorten nabij, waarom het met dezen tot een nieuw ondergeslacht 
„Lusciola" is ingedeeld. 

Het bewoont geheel Europa, gaat Noordelijk tot Siberië, is het meest alge- 
meen in Midden-Europa, zeldzamer in de Zuidelijker gelegen streken, en in vele 
landen van Midden-Europa een standvogel. 

De voorwerpen, die zich hier te lande 's zomers bevinden, blijven meest allen 
hier overwinteren; slechts enkele, laatgeboren jongen trekken inliet najaar weg. 

Tusschen de beide seksen is bij dit vogeltje slechts weinig verschil in kleur 
op te merken; alleen is bij het mannetje het grijs aan den kop duidelijker, en 
het oranje op den krop meer naar het onderlijf uitgebreid. Daarentegen levert het 
gevederte der jonge voorwerpen, tot aan den ruitijd, zeer veel verschil op: terwijl 
namelijk de roode kleur en grijze veeren hun nog ontbreken, hebben zij eene 
graauwe tint, op de bovendeelen met donkere zoomen aan de veeren, en aan de 
onderdeelen naar het bruingele trekkende, met een donkerbruinen rand aan iedere 
veer, zoodat zij er als gestreept of gegolfd uitzien; hunne keel is vuil wit en flaauw 
gestreept. De bek der jongen is minder donker aan de punt en geler aan den 
mondhoek, dan bij de oude voorwerpen. 

Het Roodborstje paart in April of begin van Mei. De mannetjes voeren in den 
paartijd dikwijls een hevigen strijd om het bezit van een wijfje, en vervolgen 
daarbij elkander, al schreeuwende, zóó lang, dat geen van beiden het wijfje meer 
kan terugvinden. Zoodra twee mannetjes in dien tijd elkander op eenigen afstand 



gewaar worden, beginnen beiden te zingen; van lieverlede echter naderen zij 
elkander, terwijl hun gezang al krachtiger wordt en meer gramschap verraadt, en 
op eens vliegen zij elkaêr aan, tuimelen eenige malen in de rondte, en pikken 
elkander de kop veeren uit, bij dit alles echter hun luid gezang voortzettende. 

Het nest van het Roodborstje is uit mos, doode blaadjes, plantendraden, en 
van binnen uit haar of pluis zamengesteld, en in verhouding tot den vogel, tame- 
lijk groot, en halfkogelvormig. Gewoonlijk kan men het op de onderste takken van 
mastboomen vinden, nimmer echter bovenin de boomen, maar altijd op duistere, 
zeer beschaduwde plekken. Is het nest in lage heesters, struiken of tusschen tak- 
kebossen gebouwd, dan is het ronder van vorm en heeft het meer overeenkomst 
met dat van den Sluiper (Troglodytes europceus). 

Elk broeisel bevat vier a zes eijeren, roodachtig wit van kleur, met groote 
en kleine, grijze en bruine, onregelmatige vlekken, waarvan de groote meer over 
de geheele schaal, en de kleine vooral aan het stompe einde aanwezig zijn. 

Even als bij de meeste andere vogels van dezelfde grootte, duurt ook bij het 
Roodborstje de broeitijd dertien dagen. De jongen worden met zachte insecten (als 
spinnen, rupsen of muggen) vooral door de moeder gevoerd. Het mannetje blijft 
in den omtrek van de broeiplaats, zit dan meestal stil op een takje, laat nu en 
dan zijn zachten zang en bij afwisseling een ratelend geroep hooren, doch bemoeit 
zich weinig met het opvoeden der jongen, die dan ook spoedig in hun eigen onder- 
houd kunnen voorzien; want zoodra zij het nest verlaten hebben, pikken zij reeds 
rupsjes van de takken, en komen ook dikwijls op den grond, om daar kleine worm- 
pjes op te sporen. Des zomers eten de Roodborstjes vooral insecten, in het na- 
jaar ook gaarne vlierbessen, en 's winters, als de nood hen dwingt, zelfs brood- 
kruimels, die zij, in gezelschap van onze Huismusschen, nabij de woningen komen 
opzoeken. Als er veel sneeuw gevallen is, worden de Roodborstjes, door behoefte 
gedrongen, zóó mak, dat zij in de vensters komen zitten en op eenen of anderen 
daar achtergelaten bloempot, als ware 't eene schuilplaats tegen de koude komen 
zoeken; het is dan eigenlijk meer de honger die hen kwelt; want zoodra zij 
door het nuttigen van eenige broodkruimels wat opgeknapt zijn, beginnen de 
arme diertjes weder te zingen. 

Er ligt iets betooverends in, 's winters, terwijl alles zwijgt, nog de streelen- 
de, gemoedelijke toonen van onzen wintergast te hooren; en dan dat roode borstje r 
als een klompje vuur, tegen de witte sneeuw te zien glinsteren. 



Heeft het diertje eenmaal een toevlugtsoord gevonden, dan verlaat het dit 
niet vóórdat het gure jaargetijde voorbij is; het weet zelfs zeer wel den tijd te 
onthouden, waarop het gewoon is eenig voedsel te ontvangen, en treurig ziet het 
u dan aan en wacht op de versnapering, waaraan het reeds gewend is. Zijne 
eenigzins diep liggende, groote oogen en ingevallen mondhoek geven hem een 
lijdend, armoedig uiterlijk; zijne wijze van springen, zien, zingen, kortom al 
zijne eigenschappen hebben iets droefgeestigs, iets sombers; het houdt dan ook 
van de eenzaamheid, en duldt zijns gelijken niet in zijne nabijheid, vooral niet 
daar, waar het met medelijden behandeld wordt; vandaar dat men zelden meer 
dan één Roodborstje in dezelfde buurt zal aantreffen. Reeds vóór zonsop- en nog 
na zonsondergang, wanneer alle andere vogeltjes de nachtrust genieten, laat het 
zich hooren. Ochtend- en avondschemering zijn de lievelingsoogenblikken van het 
Roodborstje, dan zingt het vrij en schijnt zelfs opgewekt; maar zoodra het mor- 
genlicht de andere zangers doet ontwaken, verzwakt zijn geluid en vliegt hij naar 
den beschaduwden grond, als om er de eenzaamheid terug te zoeken. 

Ziet men het in 't najaar soms in gezelschap van Meezen of Pimpels, men 
kan er dan wel zeker van zijn, dat het hen niet heeft opgezocht, maar dat 
toevallig deze rondzwervende Meezen de verblijfplaats van het Roodborstje door- 
trokken; het vliegt dan ook soms een eindwegs mede, maar keert toch altijd 
naar zijn eigen oord terug. 

't Meest verbitterd is dit vogeltje op den Steenuil; zoodra het bij dag een slui- 
merenden Uil ontwaart, laat het zijn ratelend geluid hooren, op welk sein alle in 
de nabijheid rondzwervende Meezen, Sluipers, Winterkoningjes enz. komen aan- 
vliegen, om hun plaaglust op den gemeenschappelijken vijand bot te vieren; doch 
nog lang nadat al deze vogels zich weder van hem verwijderd hebben, hoort men 
nog het Roodborstje in zijne nabijheid. Daarom worden ook de meesten met den 
Uil en den lijmstok gevangen. Alle vogelaars zullen evenwel opgemerkt hebben, 
dat het Roodborstje wel is waar dikwijls dadelijk op de stokken aanvliegt, maar 
ook dikwijls zich tevreden stelt, den Steenuil op een afstand te plagen, zoodat het 
óf terstond, óf in 't geheel niet te vangen is. 

Indien men het tegen den winter vangt, en in eene donkere kooi alleen 
houdt, kan men het met meelwormen en broodkruimels in 't leven houden; tegen 
het voorjaar geeft men het een weinig gehakt kalfshart of het bij den Kwikstaart 
aangewezen voeder. 



In de kooi zingt het Roodborstje den geheelen winter door, en ruit het 
gewoonlijk tweemaal 'sjaars, in September en in Maart. In de vrijheid daarentegen 
ruit het slechts eenmaal, in Augustus of September, en bekomt daarna meer en 
zwaarder veeren dan in zijn zomerkleed, even als dit het geval is met de meeste 
vogels, die hier overwinteren, en daarom weinig van de koude gevoelen. In het 
daarop volgende voorjaar, laten vele veeren los, terwijl die, welke niet afgeworpen 
worden, door langzame verkleuring, eene nieuwe glans of frischheid krijgen. Bij 
het Roodborstje is deze verkleuring weinig merkbaar. 

Bij vogels die in kooijen leven, vooral die veel in huis worden gehouden, 
wijzigen zich deze natuurlijke eigenschappen; zij verliezen dikwijls in het voorjaar 
vederen, die door nieuwe worden vervangen. 




^ 

^ 

^ 



-- 

o- 



•O 



DE ZWARTE LIJSTER. 

TURDUS MERULA. 



De Lijsters hebben een slanken vorm, tamelijk hooge pooten en een vrij 
spitsen bek. Zij staan in grootte tusschen den Leeuwerik en het Kouwtje in, en 
zijn over de geheele wereld verspreid. 

Er bestaan verschillende geslachten van vogels, welke men allen tot de 
Lijsterfamilie zou kunnen brengen, omdat zij van den algemeenen vorm der Lijs- 
ters slechts weinig afwijken. Het is echter moeijelijk, vaste kenteekenen aan te 
geven, omdat die lijsterachtige vogels onderling eenigzins in vorm verschillen, om 
welke reden zij thans vele geslachten uitmaken. De meeste lijsterachtige vogels doen, 
door hun vorm, aan de Zangers (Sylvia) of de Tapuiten (Saxicola) denken, zoodat 
men ze als groote Sylviae zou kunnen beschouwen. 

Tot de lijsterachtige vogels behooren de geslachten Oreocincla of Maanlijsters, 
welke halvemaanvormige vlekken en veertien groote slagpennen hebben. De Rotslijsters 
(Monticola en Petrocossyphus) zijn eigenlijk groote Tapuiten met een langeren staart. 
Het geslacht Geocichla bevat eenige soorten, die op den grond leven. Tot een 
anderen vorm van lijsterachtige vogels behoort het geslacht Zoöthera. De voor- 
werpen der weinige tot dit geslacht behoorende soorten zijn krachtig van bouw en 
doen aan de Waterspreeuwen denken. Daarna volgen de geslachten Myiophoneus 
en Crateropus. Al de genoemde geslachten worden in de oude wereld aange- 
troffen. Ook in Amerika komen lijsterachtige vogels voor, namelijk, het geslacht 
Taxostoma en de Spotvogels (Mimus of Orpheus), welke de geluiden van 
alle andere vogels kunnen nabootsen, en waartoe de Amerikaansche Spot- 
ter, Mocking bird (Mimus polyglottis) behoort. Tot de Lijsterfamilie behoort 
ook het geslacht Copsychus, hetwelk in Oost-Indië en op Madagascar wordt aange- 
troffen; het geslacht Cossypha bevat eenige kleine soorten, waarvan C. pectaralis 



aan de Kaap de Goede Hoop gevonden en in kooijen gehouden wordt. Het ger 
slacht Ixos, ook Picnonotus of Brachijpus genaamd, bevat een aantal, meestal kleine, 
soorten, welke door haar vorm eenigzins aan de Klaauwieren (Lanius) doen denken; 
deze worden allen in Oost-Indië, op het vasteland van Indië en in China gevon- 
den. Eenige, welke nog meer tot de Klaauwieren overgaan, namelijk, de weinige 
soorten van het geslacht Trychophorus, bewonen de heete streken van Azië en 
Afrika. In Australië leven slechts weinig lijsterachtige vogels, namelijk, eene soort 
van het geslacht Oreocincla en eenige soorten van het geslacht Colluricincla. 

Bijna alle lijsterachtige vogels onderscheiden zich door een krachtig, helder 
klinkend stemgeluid. Allen voeden zich met zaden, bezien en insecten; de meesten 
maken een zeer kunstmatig nest. 

In Europa leven tweeërlei vormen van Lijsters, namelijk, de Rotslijsters (Monti- 
cola) en die soorten, welke men eigenlijke Lijsters noemt. Deze laatsten zijn de volgende: 
de Gewone, Graauwe of Zanglijster (Turdus musicus), de Mispellijster (T. viscivorus) 
de Koperwiek (T. iliacus), de Kramsvogel (T. pilarus); zeldzamer is de Beflijster 
(T. torquatus). De meest algemeene in ons land is de Zwarte Lijster of Merel 
(T. meruia). Deze is in Nederland een standvogel; zij bewoont geheel Europa, 
behalve het Noordelijkst gedeelte, wordt echter in de Zuidelijker gelegen streken 
van dit werelddeel minder algemeen aangetroffen, dan in Duitschland, Engeland 
en Nederland, en komt voorts in Palestina, Algerië en Madera voor. 

Het mannetje, in den vrijen staat, is des zomers geheel zwart, terwijl zijne naakte 
oogleden en zijn snavel hoog oranjegeel zijn; 's winters is de bek bruin, de oogleden zijn 
niet zoo helder en de veeren minder glanzig. Het wijfje is donkerbruin op de onder- 
deelen, zwartachtig op de bovendeelen, en heeft geen gelen bek of gelen oogrand. 

De jongen zijn, sedert het tijdstip dat zij het nest verlaten tot aan den eersten 
rui, bruinachtig, met een lichten keel, eenigzins gevlekt op de onderdeelen, met 
een bruinen bek en, even als het wijfje, met een bruinen oogrand. Na den rui 
zijn de seksen reeds te onderscheiden. 

De broeitijd der Lijsters begint in Maart of April. Zij nestelen op beschaduwde 
plaatsen, in heesters, nabij den grond, ook tusschen takkebossen, dikwijls op de 
onderste takken van dennen, en soms in vruchtboomen. In het laatste geval is 
het nest vlakker dan gewoonlijk en ligt het op die hoogte van den stam, waar 
dfe takken beginnen. Het nest is in verhouding tot den vogel klein, meestal nap- 
vormig, en bestaat uit dunne worteltjes, die met slijk worden zaamgémetseld. 



Voor het binnenwerk gebruiken zij fijn stroo, zachte plantendraden, en paarden- 
haar. Het geheele nest heeft veel overeenkomst met dat van de Boerenzwaluw; 
de wanden zijn echter dikker, over het geheel zwaarder, doch niet veel grooter; 
slechts in enkele gevallen is het geheel rond, omdat de Zwarte Lijster het meestal 
tegen den stam aanmetselt. 

De algemeen bekende zang, of liever, het gefluit van het mannetje wordt 
reeds vroeg in het voorjaar en meestal reeds vóór zonsopgang gehoord. Onder het 
opvliegen maakt hij een geluid, dat met het zoogenaamde lagchen van den Toren- 
valk overeenkomt, doch scheller en helderder klinkt. Zijn gewoon geroep is nage- 
noeg als dat van den Vink maar klinkt meer als „(iet, fiet , \ Als hij zich op den grond 
beweegt, hoort men onophoudelijk zijn „tok, tok'", waarbij hij met den staart wipt. 

Door zijn zang, zijne wijze van bewegen en zijn uiterlijk heeft hij iets melan- 
cholisch, te meer daar hij bij voorkeur sombere streken bewoont; daarbij is hij 
schuw en wantrouwend, en is, behalve des winters, niet gemakkelijk te vangen. 

In het najaar wordt men ze in zoogenaamde lijsterstrikken dikwijls meester, 
en 's winters, vooral als er sneeuw gevallen is, kan men ze met slagnetjes en 
knipkooijen gemakkelijk vangen. 

In de gevangenschap zijn het stille, zonderlinge vogels, die soms uren 
achtereen in eene en dezelfde houding blijven zitten. Pas gevangen voorwerpen 
zijn schuw en vliegen zich dikwijls bek en vleugels tegen de traliën stuk. De 
beste zangers verkrijgt men uit de jongen, vooral die van het eerste broeisel, die 
men met beschuit, geklopt hennepzaad en gehakt vleesch opvoedt. Zij groeijen 
het spoedigst en ontwikkelen hun stemgeluid zeer snel, als men hun ve'el meel- 
wormen en miereneijeren geeft. Jong groen, zoo als de binnenste bladen van 
boerenkool, peterselie of kruiskruid, onder het voer gemengd, eten zij gaarne. 
Aan de ouden geeft men hennepzaad, wat havergort, bij afwisseling gehakt 
vleesch en meelwormen. Hoe beter men ze 's winters voert, des te vroeger zullen 
zij zingen. Donkere kooijen, op eene beschaduwde plaats aangebragt, zijn het 
meest geschikt. Zoolang er zon op de kooi schijnt zullen zij zeker niet zingen. 

In gevangenschap krijgen zij wel eens witte veeren, vooral op denbovenkop. 
Er bestaan ook voorbeelden, dat de vederen over het geheele ligchaam vaalkleurig 
en als gepoederd worden. De jonggevangen voorwerpen hebben meer aanleg om 
te verkleuren, dan de ouden, welke laatsten daarentegen soms den geheelen winter 
hun bek geel gekleurd hebben. 




I 

\ 



V 



V 



DE WINTEKZANGEK. 

ACCENTOR MODULARIS. 



Dit vogeltje, dat dikwijls met den zonderlingen naam „Bastaardnachtegaal" 
bestempeld wordt, is in ons land een der meest algemeene Zangers. Wat den 
vorm betreft, sluit de Winterzanger zich bij de Sylviae aan; doch zijn bek is 
meer priemvormig, hooger, alsook breeder aan den wortel; de teenen zijn kort, 
maar de nagels krachtig. In zijne bewegingen heeft hij iets sluipends, en hij 
springt zoo behendig door heggen en struiken, dat men zou denken dat hij vloog. 
De Winterzanger klimt nooit tegen takken op, en wordt meestal in horizontale 
houding gezien. Hij komt veel op den grond, springt daar schielijk voort, en 
wipt soms met den staart. 

Deze vogel bewoont Midden- en Zuid-Europa en Noord-Afrika ; hier te lande 
is het de eenige soort van het geslacht Accentor, welk geslacht uit slechts weinige 
soorten bestaat, die alleen in Europa en Azië worden gevonden. In de meeste stre- 
ken, waar Accentor modularis des zomers wordt aangetroffen, vindt men hem ook 
gedurende het koude jaargetijde; zelden verlaat hij de streek, waar hij gebroeid 
heeft; de weinigen, die wegtrekken, zijn dan ook hoofdzakelijk jonge voorwerpen. 

Er bestaat geen zeer kennelijk verschil tusschen beide seksen. Het mannetje 
is in 't oog vallend grooter en zwaarder dan het wijfje; zijne kleuren trekken, 
aan den kop, meer naar het helder grijze, en de vleugelvederen zijn duidelijker 
bruin en zwart. Eenjarige jongen zijn meer eenkleurig graauw. Tegen den tijd 
dat zij het nest verlaten, verschillen zij niet veel van de oude voorwerpen; alleen 
zijn de strepen op hunne borst donkerder, hun snavel geelachtig rood, en de iris 
donkergrijs, in plaats van lichtbruin. 

De Winterzangers paren in April, en omstreeks het einde dier maand 
beginnen zij den nestbouw. Het mannetje is gedurende den bloeitijd buiten- 



gewoon jaloersch; zeer verliefd en zeer zachtaardig voor het wijfje, maar nijdig 
en twistziek tegenover andere mannetjes zijner soort. 

Het nest wordt in struiken laag bij den grond, in heesters van groote, stille 
buitenplaatsen of in heggen gevonden. Soms ook nestelen deze vogeltjes tusschen 
klimop, en dan vindt men het nest tegen den muur. In dit geval heeft het den 
vorm van een zwaluwnest; anders is het halfkogelvormig. Zelden gebruiken zij 
andere bouwstoffen, dan mos, dunne worteltjes, doode blaadjes en koe- of paar- 
denhaar. De vier a vijf eijeren zijn groenachtig blaauw. Gewoonlijk broeit ieder 
paar tweemaal: de eerste maal in 't begin van Mei, de tweede maal omstreeks 
half Junij. De jongen worden met insecten en ook met bezien grootgebragt. Zoodra 
zij uitgevlogen zijn, jagen de ouden ze weg, en moeten zij voor hun eigen onder- 
houd zorgen. 

Als men een nest met jongen vindt, zelfs aanraakt, zullen de ouden het 
zelden verlaten. Zijn er daarentegen nog slechts eijeren in, dan is het zoo goed 
als zeker, dat het wijfje er niet weder op zal komen. 

Winterzangers zijn zeer ongezellig van aard. Na den paartijd jaagt het man- 
netje zijn wijfje, en jagen de beide ouden hunne jongen weg. Verjaagd zijnde vergeet 
het mannetje spoedig zijn broeijend wijfje, en het wijfje haar kroost. 't Schijnt dat het 
met Winterzangers al eveneens gelegen is, als met vele andere vogels, die zoo 
buitengewoon spoedig en hevig verliefd raken: op eens is het met de liefde uit, 
en zij vergeten het voorwerp hunner min voor altijd. 

De Winterzanger voedt zich met insecten, bezien en zachte zaden; in den 
regel neemt hij bezien als de insecten schaarsch worden, namelijk in het najaar; 
zaden schijnt hij alleen dan te nemen, wanneer er geen ander voedsel te ver- 
krijgen is. 

De zang van het mannetje is helder, kwelend, afwisselend van geluiden, kort 
en zeer zuiver van toon. Zijn muzikaal vermogen blijkt reeds uit de wetenschap- 
pelijken naam accentor en modularls. Des zomers is het een onvermoeide zanger: 
uren achtereen zit hij in struiken en heesters en kweelt en zingt als hadde 
hij niets anders te doen. De schoonste geluiden hoort men wanneer hij zich boos 
maakt; want de Winterzanger zingt bij de meeste zijner hartstoglelijke aandoe- 
ningen: hij heeft een lied voor lief, en een ander voor leed. 's Winters ontglippen 
hem dikwijls ecnige korte, maar toch liefelijke toonen, en daaraan heeft hij den 
naam \Vinlerzanger te danken. 



Men kan dit vogeltje zeer goed in de kooi houden, en het gewent zich spoc* 
dig aan allerlei plantaardig voedsel. 

In het najaar vliegt het soms met trekkende vogels meê en wordt dan met 
dezen dikwijls op de vinkenbaan gevangen. De in najaar gevangen voorwerpen 
zingen zelden vóór den daarop volgenden zomer; vangt men ze echter in het 
voorjaar, dan zingen zij reeds terwijl zij nog in den strik ot' in den knip zitten. 
Als men in 't begin van April een wijfje in eene slagkooi (meezenknip) plaatst en 
die kooi in een boomgaard of tuin ophangt, vangt men gewoonlijk binnen wei- 
nige oogenblikken een of meer mannetjes; zijn er vele paarluslige vrijgezellen in 
de buurt, dan komen die soms allen te gelijk naar het roepende wijfje, en zitten 
onmiddellijk op en tegen de kooi; er vallen dan meestal hevige gevechten voor, en 
zij zijn daarbij door woede soms zóó verblind, dat zij zich bijna met de hand 
laten grijpen. 

De gevangenen houdt men afzonderlijk in kleine kooitjes; men geeft hun wat 
gekneusd hennepzaad met broodbruimels en vier a vijf meelwormen daags, en 
laat ze vooral met rust. Indien zij den tweeden dag nog niet zingen, doet men 
beter, ze te laten vliegen; want dan zijn zij koppig en houden zich stil. Pas ge- 
vangenen zitten uren achtereen onbewegelijk te staren; meestal kruipen zij bij 
het naderen van den vogelaar weg; op de stokjes komen zij zelden vóórdat zij 
aan de kooi gewend zijn; is dit echter eenmaal het geval, dan zijn het aardige, 
makke vogels. Het beste voedsel is maanzaad, gekneusd hennepzaad met brood- 
kruimels en wat suiker door elkaèr gemengd; des zomers wat miereneijeren of 
eenige meelwormen daags, welk voedsel steeds eene gunstige uitwerking op het 
zingen heeft. Daar zij veel op den grond komen, moet de bodem der kooi ruim 
van droog zand voorzien zijn. Groote volières zijn voor deze vogeltjes minder 
geschikt; want als zij te veel beweging hebben, zingen zij weinig; maar ook te 
kleine kooijen zijn niet minder schadelijk, want daarin worden zij vuil, en breken 
de vleugel- en staarlpennen, en zij zingen dan niet of weinig. 

Als men dezen vogel in de hand neemt, onverschillig in welk jaargetijde, ver- 
liest hij steeds eene massa veeren, vooral die van den rug en de onderdeden; 
ook de staartpennen laten spoedig los. De gewone ruitijd van den Winterzanger 
is in Augustus en September; in het voorjaar ondergaat hij geenerlei verandering 
van kleur of verwisseling van veeren. 




' V 



X 

§ 
§ 

^ 



V 





V 



DE KWIKSTAAKT. 

MOTACILLA ALBA. 



Dit vogeltje, een zangvogcl, heeft zijn naam te danken aan zijne gewoonte, 
om gedurig en schielijk met den staart te wippen; het vertoeft meestal op den 
grond, beweegt zich daar zeer snel en loopt, terwijl de meeste andere inheemsche 
zangvogels, Tapuiten, Piepers en Leeuwerikken uitgezonderd, springen, wanneer 
zij zich op den grond bewegen. 

De Kwikstaarten vormen een op zich zelf staand geslacht, dat slechts weinige 
soorten bevat, die uitsluitend in de oude wereld te huis behooren. Zij zijn slank 
van gestalte, hebben een kleinen, min of meer platten kop, tamelijk hooge pooten, 
langen staart en zeer eigenaardig gevormde vleugels; de vleugelpennen der tweede 
orde, zijn namelijk bijna even lang als die der eerste orde of, anders genoemd, 
groote vleugelpennen; de vleugel heeft daardoor eenige overeenkomst met die 
der Steltloopers, zoo als Snippen, Kievitten, Strandloopers of Pluvieren. Men zou 
dus de Kwikstaarten, vooral omdat zij loopen, als een tusschen de Zangers en de 
Strandloopers staanden vorm kunnen beschouwen. 

Er komen in ons land drie soorten van dit geslacht voor, namelijk, de 
groote en kleine Gele Kwikstaart en de Witte, meestal „het Kwikstaartje" ge- 
naamd. Een aan de laatste soort verwant ras, of liever eene verscheidenheid daar- 
van, is de Donkere Kwikstaart, die vooral in Engeland voorkomt en door sommige 
ornith oiogen als eene zelfstandige soort is beschreven. 

Sommige natuurkundigen verdeden de bij ons voorkomende soorten in Grond- 
en Boom-Kwikstaarten, die alleen daardoor van elkander onderscheiden zijn, dat 
bij de eerstgenoemden de nagel aan den achterteen bijna regt, zeer lang en pun- 
tig, bij de laatstgenoemden daarentegen korter, stomper en meer gekromd is. 
Voor 't overige bestaat er geenerlei verschil in de levensmanier dezer beide ai- 



deelingen, ofschoon, volgens bedoelde geleerden, de eerstgenoemden meer op derï 
grond en de laatstgenoemden vooral op de boomen zouden leven, welk onder- 
scheid dan ook door hun naam wordt aangeduid. 

De Gewone of Witte Kwikstaart is een echt Hollandsche vogel, die nergens 
in zoo grooten getale wordt aangetroffen, als bij ons. Hij schijnt dan ook hier 
bijzonder wel te kunnen aarden, en inderdaad blijven velen dezer vogeltjes hier 
overwinteren. Hieruit blijkt ook, dat zij liefst die streken bezoeken, waar over- 
vloed van water met begroeide oevers, alsmede weiland en laag hout wordt aan- 
getroffen. In de boomen komen zij echter alleen om te rusten, en in de bos- 
schen vindt men hen slechts bij uitzondering. 

Zij dragen, naar gelang van het warme of koude jaargetijde, een verschillend 
kleed. Het prachtkleed, dat zij van half Maart tot October dragen, is steeds 
fraaijer dan hun wintertooi. Uiterlijk verschil tusschen de seksen bestaat er bij 
hen bijna niet. In hun pracht- of zomerkleed hebben zij de keel tot aan de borst 
en het achterhoofd zwart, de voorhelft van den kop met de wangen en een streep 
in den hals wit. In hun winterkleed is het zwart minder uitgebreid, terwijl de 
kleuren over het geheel fletser zijn en de snavel meer naar het graauwe trekt. De over- 
gang van zomer- tot winterkleed geschiedt gedeeltelijk door ruijing, gedeeltelijk door 
langzame verandering van kleur. De voorwerpen, die men van omstreeks half Februarij 
tot Maart opmerkt, zijn dan ook onregelmatig zwart gevlekt, en bij hen is de overgang 
het zomerkleed duidelijk zigtbaar. Na de ruijing komt echter nog dikwijls eene 
geringe kleursverandering op den bovenkop, ook krijgen sommige voorwerpen 
van het laatste broeisel uit den vorigen zomer hun prachtkleed eerst later, of 
gedurende den tweeden zomer slechts onvolkomen. 

De jongen van het eerste broeisel, uit denzelfden zomer, hebben in het 
eerstvolgende najaar een kleed, hetwelk met het winterkleed der ouden gelijkstaat. 
Die van het tweede broeisel blijven het geheele jaar door tot aan de volgende 
lente fletser dan de eerstgenoemden; zijn zij eerst laat in den zomer geboren, 
dan krijgen zij het eerste jaar geen winterkleed, maar gaan in den volgenden 
zomer uit hun onvolkomen gevederte in hun zomerkleed over; evenwel zijn zij 
dan nimmer zoo zwart als de oude voorwerpen. 

Bij gunstig warm weer, heeft er soms een derde broeisel plaats, waarvan de 
jongen in den regel kleiner zijn, in den volgenden zomer slechts onvolkomen of 
liever zwakker gekleurd blijven en dikwijls niet vóór het derde jaar paren. 



Wanneer de jongen hel nest verlaten, is het zwart aan hun bovenlijf nog 
zeer gering en veel fletser; het bepaalt zich alleen tot een smallen band over de 
borst; het wit aan hun kop ontbreekt, terwijl de grijze tinten meer naar het 
graauwe trekken, en bek en pooten lichter gekleurd zijn dan die der ouden. 

De volwassen Kwikstaartjes paren reeds in Maart en broeijen in het 
laatst van April. Zij bouwen hun nest, al naar de omstandigheden, in gaten of 
scheuren van oude muren, onder rieten daken of dakpannen, in wijde boomholen 
of op wilgenstammen, tusschen de planken aan houtzagerijen, of zelfs in aard- 
holen. Eens ontdekte ik een nest in een mollengat. dat zeker niet minder dan 
drie voeten onder de oppervlakte van den grond was. De Kwikstaartjes 
nestelen eigenlijk overal, waar zij eene geschikte plaats daarvoor vinden. De 
materialen voor den nestbouw zijn gewoonlijk hooi of fijne, doch lange plantenvezels; 
soms ook paardenhaar, koehaar of wol; veeren en allerhande pluis worden voor 
het binnenwerk gebezigd. Even als de broeiplaatsen, zijn ook de bouwstoffen 
naar plaats en omstandigheden verschillend. De eijeren bieden insgelijks eenige 
verscheidenheid in kleur aan, hetgeen waarschijnlijk is toe te schrijven aan het 
verschil van het voedsel der ouden. Elk broeisel bevat vier a zes eijeren, niet 
zeer puntig, vrij lang, gewoonlijk ligt grijs en met kleine, smalle, overlangsche 
bruine en graauwe streepjes gelijkmatig als bezaaid. Zij worden in dertien dagen 
door beide ouden uitgebroeid, doch meer door het wijfje dan door haar echtge- 
noot, die dan 's nachts wel in de nabijheid blijft, doch nimmer op het nest komt. 
Het mannetje brengt, in de eerste dagen, ook voedsel voor de jongen aan; zoodra 
dezen echter eenige dagen oud zijn, laat hij dien arbeid aan het wijfje over. 

Het voedsel voor de jongen bestaat in kleine spinnen en rupsen, en vooral 
in muggen, die het wijfje behendig vangt; zij keert niet naar het nest terug, 
vóórdat zij er een twintigtal gevangen heeft. Het is daarbij zeer opmerkenswaardig, 
dat deze vogel den bek kan openen om insecten te vangen, zonder echter die 
insecten, welke hij reeds in den bek heeft, te verliezen; waarschijnlijk worden 
dezen door een kleverig speeksel vastgehouden. 

De ouden eten allerhande insecten, als wormen, rupsen, maden, vliegen enz., 
en in het koude jaargetijde ook bezien en zelfs broodkruimels. 

De zang dezer vogels is zeer eenvoudig en bestaat alleen in het schielijk 
herhalen van hun gewoon, zeer bekend geroep, dat zij steeds onder het vliegen 
laten hooren; ook onder het loopen roepen zij, vooral de mannetjes, wanneer 



dezen in den paartijd nabij een wijfje zijn; alsdan hoort men dikwijls een stoo- 
tend, ratelend geluid, dat des te scherper wordt uitgedrukt, naarmate zij sneller 
loopen. 

De Kwikstaartjes scheppen er groot behagen in roofvogels, vooral den Torenvalken 
den Sperwer, soms ook den Koekoek, te plagen; zij vliegen hem na, schreeuwen zoo 
hard zij kunnen, en waarschuwen daardoor menig klein vogeltje, dat anders de 
prooi van den roofvogel zou geworden zijn. Ook op den Steenuil hebben zij het 
erg voorzien ; zij komen in zijne onmiddellijke nabijheid en plagen hem zoo lang, 
tot hij zich genoodzaakt ziet weg te vliegen, om dan door de Kwikstaartjes op 
nieuw vervolgd te worden. 

Het zijn voor 't overige zeer makke vogeltjes; zij volgen den landbouwer tot 
op eenige passen, om de wormpjes uit de versch omwoelde aarde op te pikken, 
en komen hem dikwijls zoo nabij, dat men hen schier met de hand zou kunnen 
grijpen. Zij zijn dan ook gemakkelijk te vangen, doch slechts weinigen kunnen de 
gevangenschap verdragen. Beter houden de jongen dit uit. Men voedt hen de 
eerste dagen met geweekt brood en miereneijeren, daarna ook met kleine meel- 
wormen en andere weeke insecten, en na eenige weken met een voeder, dat het 
natuurlijke moet vervangen, en waarmede zij zich in hunkooileven verder moeten 
behelpen; dit voedsel is nogtans het eenvoudigste en minst kostbare voor alle 
insectenëtende vogels, die, eenmaal daaraan gewend zijnde, even frisch en ge- 
zond blijven als hunne soortgenooten in de vrije natuur; het bestaat uit kruimels 
tarwebrood, fijn gehakt en even gekookt, of raauwe kalfshart, geschrapte wor- 
teltjes (peentjes) en eenige miereneijeren of meelwormen; dit wordt zoo goed 
mogelijk door elkaêr gemengd, en droog of een weinig met rivier- of regenwater 
bevochtigd in de kooi aangebragt. 

Groote volières zijn voor de Kwikstaartjes het best; op den grond moet 
vooral droog zand aanwezig zijn. Eene ruime drinkplaats, die, niet te hoog, liefst 
op den bodem, steeds van versch water voorzien is, en een zoogenaamd gras- 
zoodje, in het midden der kooi geplaatst, zijn voor dezen vogel eene ware be- 
hoefte, zoodat hij, bij gemis daarvan, meestal kwijnt en spoedig sterft. 



BE GELE KWIKSTAART. 

MOTACILLA FLAVA. 



Deze soort is bijna even algemeen als de Witte of Gewone, van welke zij zich 
echter, behalve door het verschil in kleur, ook daardoor onderscheidt, dat zij iets 
kleiner is, een veel korteren staart en een dunneren bek heeft, alsmede door een lange- 
ren nagel aan den achterteen, om welke laatste reden zij door sommigen onder die Kwik- 
staarten wordt gerekend, welke meer bijzonder op den grond leven. De bovenkop van 
den Gelen Kwikstaart is minder vlak dan die van den Grijzen, en komt in vorm meer 
met dien der Piepers (Anthus) overeen. Het is een trekvogel, die in October het Zuiden 
van Europa opzoekt, om daar te overwinteren, mits het er niet te koud wordt, 
in welk geval hij verder naar Noord- Afrika trekt, waar hij dan nabij rivieren en 
moerassen te vinden is. Bij zacht winterweder blijven echter soms wel eenigen bij 
ons over, die dan, in gezelschap van de Grijze soort, in den omtrek der steden 
ronddolen; wordt het evenwel in het vroege voorjaar weer kouder, dan trekken deze 
nog dikwijls weg, of komen in de steden eene schuilplaats zoeken. Vandaar dat 
men soms in den nawinter, als alle binnenwaters digt gevroren zijn, Gele Kwik- 
staarten op het ijs kan zien, zelfs in de volkrijkste steden. 

Het mannetje is fraaijer gekleurd dan het wijfje, bij welke laatste het geel 
fletser is en het grijs aan den kop meer naar het graauwe trekt. 

De broeitijd duurt van Mei tot het einde van Julij. Elk paar broeit gewoon- 
lijk tweemaal, meestal op den grond, vooral in hooiland, soms ook op wilgenknot- 
ten of in gaten van oude muren. In elk geval legt de Gele Kwikstaart zijn nest op 
een vlakken grond, en hecht het nooit aan of tusschen takken; want een kunste- 
naar in het bouwen is hij niet. 

Het wijfje legt vier a zes eijeren, die vuilwit zijn, met rosse en grijze stipjes 
en vlekjes. Even als bij de meeste andere kleine zangvogels, komen de jongen na 



twaalf a veertien dagen broeijens uit en worden met insecten, vooral muggen, en 
kale rupsjes, gevoederd. Bij 't verlaten van het nest, staat hun vederkleed, wat 
fraaiheid van kleur betreft, nog verre beneden dat der oude mannetjes; op de boven- 
deden zijn zij namelijk dan nog geheel graauw, aan de onderdeden geelachtig wit, 
en nog witter aan de keel; zij hebben reeds het witte streepje achter het oog, 
maar hunne oor vederen zijn nog geheel graauw en niet, zoo als bij de oude man- 
netjes, mede van eene witte streep voorzien; op de borst is een graauw vlekje of 
streepje aanwezig, en ook de buitenste borstveêren zijn licht graauw; voorts is 
hun bek bruin, aan den wortel der onderkaak geel, de pooten bruin en de iris 
donker grijs. De overgang tot het volkomen vederkleed geschiedt zeer spoedig, 
vooral bij de jongen van het eerste broeisel, zoodat de seksen reeds op den leef- 
Lijd van vijf weken aan de meer gele onderdeelen kunnen onderscheiden worden. 
Het grijs aan den kop krijgen zij echter eerst in het volgende levensjaar. 

Het winlerkleed van den Gelen Kwikstaart is eenvoudiger van kleur dan zijn 
zomertooi, waarin de seksen minder verschil vertoonen; hel blaauwgrijze aan den 
kop is 's winters groenachtig graauw, met een donker streepje achter en voor het oog 
en een ander aan de onderzijde der oorstreek; de keel is dan witter en het groen 
op den rug grijzer; ook de bek trekt 's winters meer naar het bruine. 

Het wijfje wisselt wel is waar ook van vederen, doch hare kleuren ondergaan 
bij den overgang tot den wintertooi nagenoeg geene verandering. 

De jonge mannetjes van het eerste broeisel zijn na de eerste ruijing gelijk aan 
de oude mannetjes in hun winterkleed; in dezelfde verhouding staan de jonge tot 
de oude wijfjes. De jongen van het tweede broeisel, zoowel wijfjes als mannetjes, 
zien er iets fletser uit. 

Als men des zomers Gele Kwikstaarten vangt, is het aan de mannetjes te zien, 
welke van het eerste en welke van het laatste broeisel des vorigen jaars zijn. De 
eerste zijn altoos schooner, meestal zwaarder, en hebben het witte streepje aan 
de oorvederen, hetwelk bij de jongen van het laatste broeisel meestal ontbreekt. 

De overgang van het zomer- tot het winterkleed geschiedt deels door ruijing, deels 
door verandering van kleur. Dun zomerkleed krijgen ze door afwerping van doode 
veeren (niet door ruijing) en langzame verkleuring. Velen meenen, dat de Kwikstaarten 
tweemaal 's jaars van vederen wisselen; deze meening is niet volkomen juist, wantin 
het voorjaar verliezen zij wel veeren, maar krijgen daarvoor geene nieuwe. Bij de 
meeste vogels, die naargelang van het. jaargetijde een verschillend kleeddragen, is 



ditzelfde het geval: de verandering geschiedt langzamerhand aan de vederen zelve, 
zoodat gedurende die verandering aan eene en dezelfde veder gelijktijdig de oude of 
winter- en de nieuwe of zomerkleur aanwezig zijn. 

Als men echter den vogel in het voorjaar eenige vederen uitrukt, dan krijgt 
hij daarvoor zoodanige in de plaats, als waarmede hij 's zomers getooid is. Trekt 
men hem daarentegen in het najaar, of tegen den tijd dat de vogel ruit, eenige 
zomerveêren uit, dan komen er ook later daarvoor winterveêren te voorschijn. 

Aangaande de kleuren van den Gelen Kwikstaart is nog iets bijzonders op te 
merken. In Engeland treft men namelijk deze vogels aan zonder blaauwgrijs aan 
den kop, maar met eene meer naar het bruine trekkende kleur. Niettegenstaande 
dit klimaatsverschil, worden in genoemd land voorwerpen gevonden, die aan de 
onzen gelijk zijn. Waarschijnlijk hebben dezen er eerst kort vertoefd of zijn zij 
er slechts op den trek gekomen, terwijl de variëteiten voorwerpen zijn, die er 
gebroeid hebben; de oorzaak dier kleurspeling schijnt dus aan een langdurig ver- 
blijf te moeten toegeschreven worden, en dergelijke verscheidenheden aan dat land 
eigen te zijn. 

De levenswijze dezer vogels is nagenoeg dezelfde als die van de Grijze soort; 
ook in den zang komen zij volmaakt overeen. 

Men kan ze ook op dezelfde wijze als de Grijze gevangen houden, ofschoon 
zij er zich niet zoo goed aan kunnen gewennen. Het best is, zich de jongen van 
het eerste broeisel te verschaffen, ze met de pen groot te brengen en vooral in 
ruime kooijen te houden. 








I 




s 




v 



DE HOOMLEEUWEKIK. 

ALAUDA ARVENS1S. 



De Hoornleeuwerik werd vroeger, en wordt ook thans nog, door velen beschouwd 
als tot de eigenlijke Leeuwerikken behoorende. Evenwel bestaat er tusschen de 
laatstgenoemden (Alauda) en de Hoornleeuwerikken (Otocoris) een aanmerkelijk 
verschil in vorm van pooten, van bek en — hetgeen minder is opgemerkt — ook 
in hoedanigheid van vederen. De pooten en vooral de teenen der Hoornleeuwe- 
rikken zijn, in verhouding tot het ligchaam, korter dan die der overige leeuwe- 
rikachtige vogels; daarenboven is bij hen steeds de voetwortel zoowel van ach- 
teren als van voren van schilden voorzien, hetgeen bij de laatstgenoemden niet 
van alle soorten het geval is. Hun bek is korter, en de bovenkaak aan de 
bovenvlakte meer gekromd. Terwijl namelijk bij schier alle tot de Leeuwerikken- 
familie behoorende geslachten en ondergeslachten de snavels min of meer naar 
dien der Zangers (Sylvia), Lijsters, Gorzen of Vinken, Boomkruipers enz., gelijken, 
wijkt bij de Hoornleeuwerikken de snavel geheel daarvan af; en dit is dan ook de 
voornaamste reden waarom de latere ornithologen hen als een afzonderlijk geslacht 
beschouwen. En wat nu eindelijk hunne vederen betreft, deze zijn rond, niet, zoo 
als die der eigenlijke Leeuwerikken gedeeltelijk puntig. 

Den naam „Hoornleeuwerik" hebben deze vogels te danken aan eenige verlengde 
veeren, welke zij aan weerszijden van den kop hebben en naar verkiezing kunnen 
oprigten. 

In Europa leeft slechts ééne soort, welke ook in Noord- Amerika schijnt ge- 
vonden te worden; althans de aldaar levende Alauda cornuta of Otocoris cornutus 
wijkt van den onzen niet aanmerkelijk af; en aangezien er van de Noord-Europe- 
sche vogels velen in Noord- Amerika gevonden worden, is het zeer waarschijnlijk, 
dat A. cornuta en A. alpestris een en dezelfde vogelsoort is. 



De wetenschappelijke naam alpestris toont aan., dat deze vogel ook de Alpen 
bewoont. In Nederland komt hij wel op den trek, maar hij broeit er niet, en be- 
hoort hier dan ook tot de min algemeene vogelsoorten. In Scandinavië, in 't Noor- 
den van Rusland, in Finland en Lapland is hij daarentegen een zeer algemeene 
vogel; in Schotland en op IJsland echter komt hij minder talrijk voor. 

Er bestaat weinig verschil in kleur tusschen de seksen; alleen zijn bij het 
mannetje de verlengde kopvederen iets langer dan bij het wijfje, dat ook over 
het geheel iets fletser van kleur is. 

Deze vogels maken hunne nesten op den grond, tusschen het hooge gras 01 
onder lage heesters en, in streken waar berkenhout groeit, ook dikwijls tusschen 
de afgevallen bladeren onder den boom. In Scandinavië treft men hunne nesten 
dikwijls tusschen, onder of naast met mos begroeide steenen aan. Kunstenaars in 
den nestbouw zijn zij niet, en veelal vindt men dan ook hunne eijeren losweg 
op afgevallen bladeren, op het mos of op een weinig door elkaêr gewerkt droog 
gras liggen. 

Elk broeisel bestaat uit drie a vijf eijeren, welke even groot zijn als die der 1 
Gewone Leeuwerik, en eigenlijk als geelachtige variëteiten van de laatstbedoel- 
den kunnen beschouwd worden. In Engeland, nabij Exmouth (South Devon), werd 
eens een nest gevonden met vier eijeren, welke vuil wit waren met kleine bruin- 
roode vlekjes, en aan het stompe einde van groote donkere stippen voorzien. 

De eenjarige jongen hebben nagenoeg de kleurverdeeling der ouden, maar het 
zwart aan hun kop is nog lichter en hunne vederen hebben lichte zoomen, terwijl hun 
nog de verlengde veeren ontbreken en de pooten bruin zijn. Tegen den tijd dat 
zij hel nest verlaten, zijn de strepen op den rug duidelijker, en hebben de rug-, 
vleugel- en achternekveêren lichte randen, welke echter spoedig verdwijnen. 

De zang van het mannetje heeft wel eenige overeenkomst met dien van den 
Gewonen Leeuwerik, doch bestaat slechts uit korte strophen. Hij vliegt ook zin- 
gende omhoog, maar daalt spoedig neder. Soms zingt hij ook onder het loopen, 
en slaat of kleppert dan daarbij met de vleugels. Zijn gewoon geroep is krachtig 
en schel; op eenigen afstand gehoord, doet het aan het schelle geluid van den Sper- 
wer (Nisus fringillarius) denken. 

In het najaar, den trektijd, vangt men de Hoornleeuwerikken dikwijls op de 
vinkenbaan. In Zuid-Europa vangt men ze in October en November met leeuwe- 
riknetten. Die voorwerpen, welke op de Alpen gebroeid hebben, trekken meestal niet 



zuidelijker, maar dalen meer naar de vlakten af en worden daar insgelijks met 
netten gevangen en in kooijen gehouden. 

In gevangenschap zijn het zeer aardige, levendige vogels, die in vele op- 
zigten de gewoonten van den Gewonen Leeuwerik hebben. Zij worden spoedig mak, 
maar zijn buitengewoon schrikachtig. Men voert ze met havergort, fijne broodkrui- 
mels, gekneusd hennepzaad en 's winters met een weinig gehakt vleesch of meel- 
wormen. In het voorjaar zijn meelwormen en miereneijeren van gunstigen invloed 
op hun zang; in melk geweekt wittebrood eten zij gaarne. Als men hun een kla- 
verzoodje geeft, pikken zij de jonge scheuten af; ook fijn gehakte kool, muur- 
en kruiskruid of kropsalade is voor hen eene lekkernij. 

Men houdt ze 't best in eene groote kooi met een gras- of klaverzoodje; men 
dient ze echter niet bij andere vogels te plaatsen, daar ze anders weinig of niet 
zingen. Zij kunnen beter de koude dan de zomerwarmte verdragen; daarom hange 
men ze des zomers in de schaduw. 






DE LEEÜWEEIK. 

ALAUDA ARVENSIS. 



Deze vogel, dien wij Veld- en Akkerleeuwerik of Gewonen Leeuwerik noemen, 
is hier te lande vrij algemeen. Hij is van de Europesche soorten de meest bekende, 
en men kan hem als den grondvorm van dit zoo uitgestrekte geslacht beschouwen. 
Er bestaan namelijk onder de leeuwerikachtige vogels vele vormen, die van de 
hier inheemsche min of meer afwijken, en die door vele ornithologen als afzon- 
derlijke geslachten worden aangemerkt. 

De leeuwerikachtige vogels komen zoowel in koude als in warme gewesten 
voor; sommige eigenaardige vormen zijn echter aan bepaalde streken eigen. In 
Europa treft men drieërlei leeuwerikachtige vogels aan, waarvan de Gewone, de 
Boom- en de Kuifleeuwerik eigenlijke Leeuwerikken kunnen genoemd worden. 
De tweede vorm, die der Hoornleeuwerikken (Otocöris), wordt in ons werelddeel door 
slechts ééne soort vertegenwoordigd. Tot den derden vorm behoort de zooge- 
naamde Kalander, die door zijn dikkeren bek eenigzins als een overgang tot de 
Musschen is te beschouwen. De vijf genoemde soorten van Leeuwerikken wor- 
den allen in ons land aangetroffen. 

Over 't algemeen zijn al de tot dit geslacht behoorende vogels eenvoudig 
gekleurd. Wat hunne grootte betreft, staan zij tusschen den Zwarten Lijster en 
het Sijsje in. De kleine vleugelpennen zijn bij allen zeer kennelijk en komen met 
die der Kwikstaarten en Piepers overeen. Op eenige uitzonderingen na, hebben alle 
soor'en een langen, regten nagel aan den achterteen, hetgeen aantoont dat deze 
vogels op den grond leven; evenwel worden er eenige wel eens op de takken 
der boomen gezien, zoo als de Boomleeuwerik (A. arborea), en uit dezen naam 
zou men alligt afleiden, dat deze vogel uitsluitend op boomen leeft; doch dit is 
het geval niet: ook de aldus genoemde soort toeft hoofdzakelijk op den grond, 



veelal in duinstreken. Alle Leeuwerikken loopen, maar kunnen ook even goed 
(gelijk de muschachtige vogels) springen; de meesten zingen onder het vliegen. 

De Gewone Leeuwerik is in geheel Europa zeer algemeen, leeft vooral op 
weilanden, en is bij ons een zwerfvogel. Hij zou een standvogel genoemd kunnen 
worden, zoo niet eenigen, in het najaar, Zuidelijker wegtrokken; des winters, 
wanneer de koude hem noodzaakt meer nabij de steden en woningen te komen, 
wordt de Leeuwerik dan ook hier meer nog waargenomen, dan gedurende het warme 
jaargetijde, als wanneer hij zich uitsluitend in de weilanden of in de duinen be- 
vindt, waar men hem echter zelden te zien krijgt, daar het mannetje zich meestal 
zingende in de lucht verheft, terwijl het wijfje broeijende verscholen zit. 

Het onderscheid van sekse, leeftijd en jaargetijde brengt bij deze vogels wei- 
nig verschil in kleur te weeg. Het is dan ook voor den vogelliefhebber meestal 
moeijelijk, de geslachten te herkennen, te meer daar zoowel bij de mannetjes als 
bij de wijfjes dikwijls aanmerkelijk verschil in grootte bestaat. Ofschoon de tinten 
niet zeer uiteenloopen , worden er toch licht en donker gekleurde mannetjes en 
wijfjes aangetroffen, welk verschil grootendeels aan de soort van voedsel is toe 
te schrijven. 

Het onderscheid der seksen bestaat dus eigenlijk meer in de eigenschappen 
en den vorm des vogels, dan in de kleuren zijner vederen. Men herkent het man- 
netje slechts in sommige gevallen aan zijn gevederte. Voorwerpen, die eene rosse 
borst met korte, breede, donkerbruine strepen, rosse zijden en dezelfde kleur aan 
de builenvlag der kleine vleugelpennen hebben, zijn zeker mannetjes, maar som- 
mige mannetjes zijn ook bleeker op de borst en hebben daarover lange, zwartachtige 
streepjes, zoodat men ze dikwijls voor wijfjes zou aanzien. Vele vogelhandelaars 
zoeken, doch vergeefs, bij de mannetjes, als herkenningsteeken, eene gekromde 
onderdekveêr van den staart, en sommigen beweren, dat deze werkelijk gevonden 
wordt; ik heb echter nooit zulk eene veer bij het mannetje aangetroffen. 

Wil men echter zeker zijn van het geslacht des vogels, dan dient men eenige 
voorwerpen bij elkander te brengen, op het volgende te letten, en te vergelijken. 
De mannetjes, meestal iets grooter en rosser gekleurd dan de wijfjes, rigten onop- 
houdelijk de kuif op, loopen met den kop in den nek, en slaan dikwijls met de 
vleugels. Zij stappen bedaarder en trotscher, en zien er stoutmoediger uit, dan het 
wijfje, dat minder de kuif opzet, zelden met de vleugels slaat, meer onrustig is, 
en over het geheel eene zachtere uitdrukking in het kleinere oog heeft. Aangaande 



den vorm kan men met zekerheid bepalen, dat zeer groote voorwerpen tot de 
mannelijke sekse behooren. Voorts hebben deze meestal een veel zwaarder bek, 
steviger pooten en den achterteen langer. De kleinere mannetjes moet men aan 
hunne kleuren herkennen, even als de jongeren, waarvan de wijfjes donkerder 
op de bovendeelen en bleeker aan de onderdeden zijn; de zeer jonge voorwerpen 
dragen nagenoeg hetzelfde kleed als de ouden, ofschoon zij op de bovendeelen 
meer van donkere, licht gezoomde veeren voorzien zijn. 

De Leeuwerikken broeijen reeds vroeg in het voorjaar, steeds op den grond, 
en meestal in hooi- of weilanden. Het kunstelooze nest bestaat uit de worteltjes 
van grasplanten, die in eene kleine holte in den grond worden gebragt. De nest- 
bouw valt dezen vogel trouwens zeer ligt: de materialen daarvoor zijn in ruime 
mate aanwezig, zoodat in slechts weinige uren het nest geheel in orde gebragt is. 
Het wijfje broeit hare vier a vijf graauwe, over het geheel gespikkelde eijeren in 
veertien a vijftien dagen uit. De jongen worden door beide ouden met zachte 
zaden en weeke insecten gevoerd, en groeijen spoedig op. 

Aangaande de broeijing en al hetgeen met de opvoeding der jongen in ver- 
band staat, is bij den Leeuwerik zeer veel eigenaardigs op te merken. Als er 
namelijk in een weiland een broeijend wijfje verborgen zit, houdt het mannetje de 
wacht, ten einde het vee, als dit te digt bij het nest mogt komen, te verjagen. 
Het wijfje, eene zeer trouwe broeister, blijft rustig zitten; want zij vertrouwt op 
haar echtgenoot, die in geval van nood het grazende vee voor de oogen blijft 
fladderen, ja zelfs tegen den kop vliegt, totdat de geplaagde vijand eindelijk de 
wijk neemt. Naderen ratten, wezels, roofvogels of andere vijanden het nest, dan 
vliegt hij dezen te gemoet en laat zich door hen vervolgen, ten einde den vijand 
zoo ver mogelijk van het nest te verwijderen. Ook laat hij zich steeds op eenige 
ellen afstands van het nest neder, en keert vervolgens, somtijds langs groote omwe- 
gen, naar het broeijende wijfje terug. Het wijfje ziet bij het opvliegen 't allereerst 
naauwkeurig rond, of er ook eenig gevaar in de nabijheid is, in welk geval zij 
zeer ver wegvliegt en vervolgens, een fiksch eind loopende, tot haar kroost terug- 
keert, terwijl het mannetje van zijn kant zorgt, den vijand zoo veel mogelijk te 
misleiden. 

Is het nest met eijeren door den mensch ontdekt, dan slepen beide ouden 
het naar eene andere plaats, "somtijds veertig schreden verder; en zijn er jongen 
bij, die nog niet kunnen loopen, dan trekken zij deze aan de vleugels vooruit; 



kunnen evenwel de jongen zich zelven helpen, dan volgen zij zonder tegenzin, 
blijkbaar het sein en de zorg hunner ouders begrijpende. Dikwijls echter vindt 
zulk een verjaagd gezin tijd noch plaats, om zich in elkanders gezelschap te ver- 
bergen; alsdan brengen de ouden hunne jongen ieder op eene afzonderlijke plek, 
om ze later vandaar terug te halen, of, wanneer ze reeds oud genoeg zijn om 
's nachts de moederwarmte te kunnen missen, ze daar te komen voeren. Wonderlijk 
is het inderdaad, dat de ouden, hoe ver zij ook wegvliegen, toch onmiddellijk de 
plekjes terug kunnen vinden, waar de verjaagde jongen verscholen zijn, terwijl 
ieder, die ooit leeuweriknesten opspoorde, weet, hoe moeijelijk het is, zulk een 
jong te vinden, zelfs al ziet men waar de ouden neerdalen. 

Eens b. v. zag ik een oud mannetje, dat telkens op verschillende plaatsen in 
een weiland zijne verstrooide jongen voerde, en ik hoorde zelfs het tjilpen van 
een jong individu. Eerst na veel moeite ontdekte ik het eerste jong, dat, zeer 
bewust van zijn gevaarlijken toestand, onder het hooge gras wegkroop. Ik liet het 
waar het was, doch trachtte, door rondom lijmstokjes te plaatsen, het oude man- 
netje te vangen. Eenige oogenblikken later kwam deze dan ook met voeder terug, 
en vertoefde veel langer dan gewoonlijk op den grond. De plaats, waar het jong 
lag, eenmaal gemerkt hebbende, vond ik die gemakkelijk terug; doch, hoewel ik 
de lijmstokjes zóó had geplaatst, dat het jong niet passeren kon, toch was het 
verdwenen; eerst op acht passen afstands vond ik het ongehinderd terug, en later 
de twee andere jongen, die zeer verre van elkander verwijderd lagen. Toen het 
mannetje zich buiten staat zag, zijne jongen te voeren, vloog het verre weg, maar 
ik vond het nogmaals terug, en wel, wonderlijk genoeg, bij zijn wijfje, dat ik 
reeds door de eene of andere noodlottige omstandigheid verloren had geacht; zij 
zat op drie eijeren te broeijen, terwijl de jongen, die door het mannetje verzorgd 
werden, omstreeks achttien dagen oud waren. Ofschoon de drie eijeren werkelijk 
leeuwerikeijeren waren, meende ik evenwel, dat ze door een ander wijfje moesten 
gelegd zijn; en bij nader onderzoek bleek mij dan ook, dat ze reeds vroeger 
bebroeid, doch verlaten waren geworden, want ik vond bij het uitblazen doode, 
bijna verdroogde kiemen. Daar het grasveld, waarop ik dit alles waarnam, eenige 
dagen vroeger bijna geheel was afgemaaid, waardoor meer dan een broeijend paar 
kon verstoord zijn, had waarschijnlijk, terwijl het mannetje de jongen grootbragt, 
het wijfje een nest in beslag genomen, dat door een ander verjaagd of gedood 
paar was achtergelaten. 



De zoo eigenaardige gewoonte van het wijfje van den Leeuwerik, om, wan- 
neer zij verstoord wordt, op een ander nest te gaan zitten, is door velen waar- 
genomen, en een gevolg van die gewoonte is, dat de eijeren van den Gelen 
en den Gewonen Kwikstaart, van de verschillende Piepers en van andere vogels 
wel eens voor die van den Leeuwerik worden aangezien. Eene andere van hare 
eigenschappen is, dat zij de verlaten jongen van andere vogels ook voert, hetgeen 
zij zelfs in de gevangenschap doet. Het is zeer merkwaardig te zien, hoe zij hierin 
te werk gaat: zij voert die vreemde jongen zoo druk, dat ze bijna zich zelve ver- 
geet. Maar ook in den vrijen staat, en terwijl zij hare eigen jongen heeft groot 
te brengen, strekt zij in sommige gevallen hare goede zorgen ook over de verlaten 
nakomelingen van andere vogelsoorten uit. 

Onze Leeuwerik is een zeer liefelijke vogel, die niet zeer schuw is en in de 
kooi zeer mak wordt. Hij wordt minder om zijne kleuren gewaardeerd, dan wel 
om zijn fraaijen, krachtigen zang, te meer daar hij, van al onze zangvogels, zich 
het vroegst laat hooren; reeds in Februari] begint hij te zingen; de in den winter 
gevangen mannetjes doen dit gewoonlijk eerst in Mei, doch sommigen het geheele 
jaar door, en 's winters ook bij avondlicht. De jonge mannetjes van het eerste 
broeisel zingen, of liever kweelen, reeds op een leeftijd van twee a drie maanden. 

Men vangt de Leeuwerikken meestal jong of in het vroege voorjaar, met 
daartoe vervaardigde netten, 's Winters, als zij meer nabij de woningen komen 
en zich gewoonlijk langs de slootkanten ophouden, kan men ze ook met lijmstok- 
jes vangen; na vooraf eenig voedsel op het ijs of langs den kant gestrooid te 
hebben, legt men de stokjes met het eene einde op het. ijs, en het andere 
einde tegen den kant, zoodat de vogel er bijna onder door zou kunnen. De stokjes 
moeten ongeveer een half el lang zijn en het lokaas onder de stokjes liggen. Als de 
velden met sneeuw zijn bedekt en de Leeuwerikken veel op moesgrond vertoeven, 
kan men ze insgelijks met lijmstokjes vangen; ook zoogenaamde slag- of nachte- 
gaal-netjes kunnen, op besneeuwde gronden geplaatst, eene goede vangst opleveren. 

In de kooi kan de Leeuwerik, bij goede behandeling, dikwijls wel twintig jaar 
oud worden. De kooijen moeten ruim, op den bodem vooral van zand en in het 
midden van een zoogenaamd gras-, of nog liever van een klaverzoodje, voorzien 
zijn. Gedurende het koude saizoen houdt men de Leeuwerikken binnenshuis, in 
een niet te warm vertrek. 

Gelijk ik hiervoren reeds aanstipte, is de soort van voedsel niet zonder invloed 



op de tinten van deze vogels, en vooral in de gevangenschap is dit het geval. 
Geeft men hun b. v. alleen hennepzaad, dan worden zij donker, veelal zwart. Door 
hun daarentegen veel jong groen, geen vleesch en hoofdzakelijk havergort toe te 
dienen, krijgt men blanke voorwerpen. 

Het geschiktste voedsel voor den Leeuwerik in de kooi is havergort en nu en 
dan een weinig gekneusd hennepzaad; harde zaden zullen hem schadelijk zijn; 
want, even als de meeste zangvogels met lange, dunne snavels, pelt hij de zaden 
niet, maar slikt ze geheel in; kruimels droog wittebrood, bij afwisseling of onder 
het voedsel gemengd, eet hij gaarne. Eenige miereneijeren of meelwormen daags 
zijn voor den vogel eene behoefte, vooral des winters, als wanneer men hem ook 
(eenmaal 's weeks) een stukje half gekookt en fijngesneden kalfshart kan geven. 
Hoe beter men de Leeuwerikken voert gedurende den tijd dat zij zich niet laten 
hooren, namelijk 's winters, des te vroeger in 't voorjaar en des te fraaijer zullen 
zij zingen. . 

Er worden van dezen vogel ook witte variëteiten of voorwerpen met gedeel- 
telijk witte vederen aangetroffen, doch dezen komen meer in den vrijen staat dan 
in de kooi voor, en deze kleurswijzigingen zijn niet aan het voedsel toe te schrijven. 







r -J///Y / ///r 



DE SPKEEUW. 

STURNUS VULGARIS. 



Spreeuwen zijn bij ons alles behalve zeldzaam; en evenwel, hoe talrijk zij ook 
in alle streken van ons land en op zoo vele andere plaatsen worden aangetroffen, 
toch zijn zij nog maar weinig van nabij bekend; ja, het schijnt wel, dat zij, juist 
omdat zij zoo algemeen zijn, geheel over het hoofd worden gezien; althans wei- 
nigen weten, dat onze Gewone Spreeuw niet alleen een der fraaiste vogelsoorten 
van ons werelddeel is, maar ook de meeste onzer kamervogels door oplettend- 
heid, zang en vrolijkheid overtreft. 

De Gewone Spreeuw bewoont bijna geheel Europa en Klein-Azië; alleen in 
eenige Zuid-Europesche landen wordt hij door den Zwarten Spreeuw (Sturnus 
unicolor) vervangen. In sommige streken van Europa zijn het standvogels; van de 
hier te lande broeijende trekken velen weg, terwijl anderen 's winters rondzwer- 
ven, soms ook het koude jaargetijde in den omtrek hunner broeiplaatsen door- 
brengen. 

De Spreeuwen zoeken hun voedsel, vooral wormen, op den grond. Op het 
weiland ziet men ze in de onmiddellijke nabijheid van het grazende vee, 
omdat het grazen, namelijk de hierdoor veroorzaakte trillende beweging van den 
grond, vele wormen naar boven doet komen. Zij volgen ook de Kraaijen, vooral 
de Roeken, omdat dezen na in den grond geboord te hebben, bij voorkeur de 
larven van mestkevers eten, doch de wormen versmaden, welke dan door de 
Spreeuwen worden opgepikt. Des zomers komen zij in tuinen en boomgaarden 
bezien stelen; zij doorzoeken ook den molm in holle boomstammen, om er de 
insecten, vooral mieren en hare larven, uit te pikken. In het najaar voeden zij 
zich ook met zaden, en 's winters komen zij zeer digt bij de woningen, waar zij 
dikwijls de broodkruimels of ander afval van de tafel aan de Musschen betwisten. 



Als zij rusten, zitten zij, meestal eenigen bij elkaêr, op de bovenste takken 
der boomen. Des zomers, gedurende het warmste gedeelte van den dag, verschuilen 
zij zich in het gebladerte, maar steeds boven in den boom. 's Morgens vroeg 
echter zijn zij het drukst in de weer, en in het voorjaar, vooral tegen den avond, 
vereenigen zij zich in troepen en zetten zich op de bovenste takken van boomen, 
op wieken van molens, of op de daken van hooge gebouwen neer, waar zij dan 
als ware 't een concert geven. 

De zang van den Spreeuw heeft iets eigenaardigs, eigenlijk moeijelijk te be- 
schrijven, doch genoeg bekend. Men wil dat hij geluiden van andere vogels 
nabootst, doch dit is zoo niet; daar echter zijn zang zoo veel verschillende geluiden 
heeft, hoort men niet zelden een toon, slag of strophe, welke met den zang van andere 
vogels overeenkomt; zoo b. v. hoort men dikwijls, vooral in het begin van zijn 
zang, een geluid, dat naar het gewoon geroep van den Wielewaal gelijkt. 

De Spreeuwen paren vroeg in den zomer en broeijen tweemaal, namelijk in Mei 
en in Julij. Zij nestelen in boomholen, in gaten van muren, onder dakpannen, 
eigenlijk overal waar zij eene geschikte plaats vinden. Als men houten kastjes, 
van eene opening voorzien, tegen den schoorsteen of den muur hangt, komen zij 
dikwijls ook daarin nestelen. Veel bouwstoffen gebruiken zij niet: gewoonlijk 
slechts wat hooi, droog gras, stroo, en voor het binnenwerk veeren. Elk broeisel 
beslaat uit vier a zeven blaanwgroene eijeren, die in zestien a zeventien dagen 
worden uitgebroeid. Het mannetje lost zijne wederhelft dikwijls in het broeijen 
af, en slaapt 's nachts naast het nest. De jongen worden door beide ouden, vooral 
met wormen, gevoerd. Tegen den lijd dat zij het nest verlaten, zijn zij geheel 
graauw, en beginnen in September, soms reeds in Augustus, te ruijen. Na den 
rui hebben zij donkere glanzige veeren; op kop-, keel-, borst- en buikveêren, 
even als op den rug, aan iedere veder eene roodachtig witte punt, en de 
vleugel-, vleugeldekveèren en staartpennen met lichte zoomen bezet. Gedurende 
hun eerste levensjaar is hun bek aanmerkelijk korter, dan die der ouden, en 
donker van kleur. De seksen zijn dan nog niet te onderscheiden. Tegen het 
volgende voorjaar echter heeft hun bek reeds zijne volle lengte bereikt, en 
binnen ongeveer drie maanden, namelijk van Februarij tot April, zijn de witte 
puntjes aan de veeren, vooral op den kop en aan de onderdeden des ligchaams, 
bijna geheel verdwenen; achter in den nek en op den rug trekken deze puntjes 
meer naar het roode, en de vederen nemen langzamerhand in glans toe. Bij 



de mannetjes wordt de bek geheel geel, bij de wijfjes blijft hij meer graauw. 

In September, of tegen het einde van Augustus, keeren de Spreeuwen, na 
eenige weken te hebben rondgedoold, naar hunne broeiplaatsen terug; jongen en 
ouden blijven dan in de nabijheid van het vroeger betrokken nest den trektijd 
afwachten, als wanneer zij zich in troepen vereenigen, die binnen eenige weken 
tot duizenden aangroeijen. Zulke zwermen blijven tot half November bij elkaêr, 
bewegen zich in allerlei wendingen door de lucht, vallen soms eensklaps op een 
weiland of in het lage hakhout neder, en slapen 's nachts in het riet of in het 
lage elzenhout. In het voorjaar, wanneer zij zich afzonderen, kruipen ze 's nachts 
onder daken of in boomholen. 

In gevangenschap zijn het aardige vogels, die spoedig, mits men ze jong ver- 
kregen heeft, verschillende aria's leeren fluiten en uit eigen beweging allerhande 
geluiden nabootsen. Men kan hun ook eenige woorden leeren klappen. Oud gevan- 
gen zijnde, worden zij zelden zoo leerzaam; daarom zijn die, welke men van 
jongs af heeft opgevoed, vooral die van het eerste broeisel, het meest geschikt 
voor de kooi. Zij zijn bijzonder oplettend, mak en vertrouwelijk, en worden ge- 
woonlijk zeer oud. Het beste voedsel bestaat in gekneusd hennepzaad, kruimels 
brood, fijn gesneden stukjes raauw vleesch of half (en zonder zout) gekookt kalfs- 
hart; men kan er ook een weinig fijn rivierzand en in het voorjaar eenige 
miereneijeren onder mengen; als er geen miereneijeren te krijgen zijn, geeft 
men hun dagelijks een paar meel- of aardwormen; zij drinken gaarne melk. — 
Als men hun een graszoodje in de kooi geeft, schijnen zij al zeer in hun schik. 
Ook houden zij veel van baden, en loopen liever vrij door de kamer, dan in de 
kooi opgesloten te zijn. Wanneer zij zich zoo vrij kunnen bewegen, ontwikkelt 
hun verstand zich bijzonder; zij onderzoeken dan al wat hun vreemd voorkomt, 
en geven door gebaren en verschillende geluiden hunne verwondering, vrees of 
tevredenheid te kennen. 

Ik had een Spreeuw, die, wanneer ik aan het middagmaal zat, zich op tafel 
voor mij plaatste en geduldig bleef wachten tot ik een stukje voor hem afzon- 
derde, dat hij echter niet wegnam vóórdat ik het op den rand van mijn tafelbord 
had neergelegd, 's Nachts sliep hij op den rand van een spiegel. Als het hard 
regende, zat hij soms uren lang onbewegelijk voor het venster. Kwamen er vreem- 
den binnen, dan kroop hij onder eene kast, vanwaar hij nu en dan even met 
den kop onder uit kwam kijken, doch niet eerder te voorschijn trad, dan nadat 



de hem onbekende gasten verdwenen waren. Op honden had hij het volstrekt 
niet begrepen; liep er soms een hond voorbij, terwijl hij voor het venster zat, 
dan begon hij te schreeuwen en te blazen, en eindigde met zich onder de kast 
te verschuilen. 



DE GEELGOES. 

EMBERIZA CITRINELLA. 



De Gorzen (Emberiza) zijn vogels, die in vorm tusschen de Vinken (Fringilla) 
en de Leeuwerikken (Alauda) staan, en vele komen zoo zeer de Vinken nabij, dat 
het moeijelijk te bepalen is, of zij tot deze, dan wel tot de Emberizae behooren, 
terwijl daarentegen andere weder zeer duidelijk tot de Leeuwerikken overgaan, 
wier kleurverdeeling de meeste soorten dan ook in vele opzigten hebben. 

Men kan dit geslacht in verschillende afdeelingen splitsen, namelijk, in die met 
een meer kegelvormigen bek, met een spitseren, dunncren snavel (de eigenlijke 
Gorzen), en de weinige soorten, die een langeren achterteen hebben en zich meer 
bepaaldelijk op den grond bewegen. De eerste afdeeling bevat het geslacht Zono- 
tricha, waarvan vele soorten in Amerika worden aangetroffen. 

De eigenlijke Gorzen, waarvan de Geelgors een der algemeenste is, behooren 
In de oude wereld, Europa, Azië en Afrika, te huis, terwijl de weinige soorten 
met een langeren achterteen (het geslacht Plectrophanes) in de Noordelijke pool- 
streken gevonden worden. Eenige soorten bewonen Noord- Amerika, en twee Euro- 
pesche, namelijk de Sneeu wgors (Emberiza (Plectrophanes) nivalis) en de IJsgors 
(Emberiza (Pleet.) lapponica) komen in het najaar op den trek ook hier te lande voor. 

Bij de eigenlijke Gorzen is de bek, vooral de bovenkaak, vrij spits, de onder- 
kaak daarentegen aan den wortel veel breeder, of liever sterker ontwikkeld. De 
ondervlakte van de benedenkaak is, even als bij de Vinken, nagenoeg regt, maar 
de mondhoek zeer afbellend, zoodat bij hen de knevelvederen aan de onderzijde 
der kaak ontspringen. De vleugels staan in lengte juist tusschen die der Leeuwe- 
rikken en der Vinken in; van de kleine vleugelpennen zijn de drie eerste langer 
en breeder dan bij de Vinken, doch korter en smaller dan bij de Leeuwerikken; 
de overige pennen zijn, even als bij de laatstgenoemden, aan de punt hartvormig 



ingesneden. De schouderveêren liggen in dezelfde orde als bij de Leeuwerikken, 
maar zijn niet zoo spits, waardoor zij weder die der Vinken nabij komen. De staart 
en de staartpennen hebben weder den vorm van die der Leeuwerikken; daarentegen 
zijn de onder- en bovendekveêren als bij de Vinken. Ook wat de lengte van 
voetwortel en teenen en den vorm der nagels betreft, staat de Gors tusschen beide 
genoemde vogels in. 

De kleuren van alle gorsachtige vogels zijn eenvoudig en zacht, even als hun 
zang, althans die der meeste soorten. In levenswijze en keuze van voedsel hebben 
zij allen onderling veel overeenkomst. 

Van de soorten, die in Nederland gevonden worden, is de Geelgors de meest 
bekende, doordien zij om haar zang meer in kooijen wordt gehouden. Men kent 
haar onder verschillende namen, als: Geelvink, Gierstvink, Gerstkneu, Haverkneu enz. 

Het is in ons land nagenoeg een standvogel, die, ofschoon vrij talrijk, echter 
alleen op bepaalde plaatsen te vinden is. In laag hakhout, nabij boerenwoningen 
of weiland, in wilgenboschjes of langs wegen met laag hout, vooral nabij slooten 
of meren, zal men haar gewoonlijk aantreffen. Daar hoort men den eenvoudigen 
zang van het mannetje, daar broeit ook het wijfje, en daar ook brengen deze vogels 
den winter door. 

Er bestaat een zeer kennelijk verschil in kleur tusschen de seksen: het wijfje 
heeft namelijk geen geel en nog minder roestbruin aan kop, borst en zijden; hare 
kleuren trekken over 't algemeen meer naar het graauwe, en de zacht gele tinten 
van het mannetje zijn bij haar door bleek groenachtig gele vervangen; zij is ook 
meer gevlekt en heeft een bruinachtigen bek. 

De jongen zijn tot aan den eersten rui nagenoeg aan het wijfje gelijk; alleen 
zijn zij iets grijzer, of liever minder donker gevlekt. 

De ouden broeijen, van Mei tot Julij, tweemaal, soms, bij zeer gunstig weder, 
eene derde maal, wat echter bij de Geelgors zeldzamer dan bij vele andere vogels 
wordt waargenomen. 

Het nest ligt meestal aan den waterkant op lage wilgeriknotten, op uitstekende 
wortels van elzen, die langs het water groeijen, en in het gras, altijd onder de 
schaduw, en in de onmiddellijke nabijheid van boomeh, alsook, doch zeer zelden, 
tusschen takken. Als bouwstoffen voor het nest dienen, voor het buitenwerk: drooge 
grashalmen en dunne, doode stengels van lage planten, en voor het binnenwerk: 
dunne plantenvezels, zacht pluis, koe- of paardenhaar en soms ook veeren. 



De eijeren, waarvan er vier a zes in één broeisel gevonden worden, zijn groot 
en tamelijk rond; zij hebben, op een grijsachtig witten grond, over de geheele 
schaal, maar voornamelijk aan het stompe einde, ongelijkmatige, rosse en grijze 
vlekjes, die echter door eene menigte donker purperkleurige en bruinachtig zwarte, 
dunne strepen bijna onzigtbaar worden gemaakt. De smalle streepjes ontbreken 
gewoonlijk aan de stompe of onderzijde, maar zijn overigens op de geheele schaal 
als gemarmerd, of als waren zij er met de pen op geteekend. Men vindt althans 
op zulk een ei altijd een aantal figuren, naar het cijfer 3, alsmede naar komma's, 
vraagteekens en punten gelijkende, waarom dan ook sommigen dezen vogel „Schrij- 
ver" noemen. 

Alleen het wijfje broeit, terwijl het mannetje dan meestal in de nabijheid van 
het nest te vinden is. De jongen worden met insecten, soms ook met zaden, waar- 
schijnlijk uit den krop, gevoerd. Bij eenige jongen vond ik te gelijk zaden en 
overblijfselen van spinnen in den krop. Vooral de larven van blad wespen, die op 
elzen of wilgen leven, worden door de ouden aangebragt en ook door dezen genut- 
tigd, hoewel zaden van lage planten, alsmede hennepzaad, hun voornaamste voed- 
sel uitmaken. 

Den zang van het mannetje hoort men reeds van vroeg in de lente tot half 
September; reeds vóór zonsopgang is hij in de weer, en uren achtereen herhaalt 
hij zijn eentoonig, melankolisch geluid. Hij zwijgt meestal wanneer andere vogels zich 
doen hooren; 't schijnt dus dat de stilte van morgen- en avondstond bovenal zijn 
zanglust wekken. Des zomers, bij helder weder, is hij reeds bij de eerste ochtend- 
schemering aan het zingen, 'tgeen wel eens tot de onderstelling heeft aanleiding 
gegeven, dat de Geelgors niet slaapt, daar men hem toch 's avonds tot bijna in 't 
donker nog hoort. 

Men vangt in het najaar vele Geelgorzen op de vinkenbaan; in den paartijd 
ook door middel van slagnetjes, op den grond, in de nabijheid van het gekooide 
wijfje geplaatst. Des winters, als er sneeuw gevallen is, vallen zij in allerhande 
knippen, strikken of netjes, zoo er slechts eenig lokaas in ligt. Op de lijmstokken, 
met den Uil, vangt men hen daarentegen zelden, ofschoon zij lang achtereen om 
den vogelvijand heen blijven rondvliegen. 

In de gevangenschap heeft de Geelgors in levenswijze veel overeenkomst met 
den Vink; hij zet, even als deze, zijn kuifje op, springt bedaard en klautert nooit, 
is in den beginne vrij schuw, en blijft liefst buiten het gezellig verkeer van andere 



vogelsoorten. Vandaar dan ook, dat hij in de kooi, vooral indien er andere vogels 
in de nabijheid zijn, slechts zelden zingt, en in de volière nooit meer dan zijne 
lokstem of gewoon geroep laat hooren. Om hem in gevangenschap tot zingen te 
brengen, dient men hem dus in eene kleine kooi, en 's zomers altijd buiten te 
houden, liefst zóó dat hij over eene ruime vlakte en vooral den morgenstond kan 
zien. Daarom laat men hem 's nachts maar buiten handen. 

Men voert hem 't best met witzaad, eenig jong groen en bij afwisseling een 
weinig maan- of papaverzaad of havergort. 

Als deze vogels lang in gevangenschap verkeerd hebben," worden zij wel eens 
donker, soms geheel zwart. Zijn zij jong gevangen, dan worden zij nooit zoo fraai 
geel, als hunne in de vrije natuur rondvliegende soortgenooten. Zeer oude man- 
netjes worden soms geheel geelbruin op den rug, en verliezen dan de donkere 
vlekjes op het achterhoofd. Witte variëteiten zijn, voor zoo verre bekend is, niet 
aangetroffen, en het schijnt dat zij, even als de Sijsjes en meer andere vogels 
met gele veeren, wel in het zwarte, maar nooit in het witte verkleuren. 

De zoo wonderlijk fraai gele voorwerpen, die wij dikwijls bij vogelkoopers 
zien, zijn geene oude voorwerpen of gele verscheidenheden, maar zoogenaamd 
geknipte, van welke men namelijk de donkere puntjes der kop- en nekveêren heeft 
afgeknipt, om hun een fraaijer voorkomen te geven en ze daardoor des te beter 
aan den man te kunnen brengen. 




\ 



^DE USGORS. 

E M B E R I Z A L A P l J O N I C A. 



De Usgors wijkt, door haar vorm, vooral door haar langeren, regten achter- 
teen, van de eigenlijke Gorzen (Emberiza) eenigzins af, en maakt met de Sneeuw- 
gors het geslacht Pledrophanes uit. Het onderscheid tusschen deze beide gors- 
achtige familiën bestaat daarin, dat bij de laatstgenoemde de vorm, over het 
geheel, meer dien der Barmen (Acanthis) nabijkomt, terwijl de vleugels eenig- 
zins verschillend zijn, de snavel, in verhouding tot het ligchaam, kleiner, en 
vooral de onderkaak aan den wortel minder in de hoogte ontwikkeld is. De 
vleugels dezer vogels zijn betrekkelijk iets langer, ofschoon de kleine vleugel- 
pennen korter en breeder zijn, zoodat de meerdere lengte zich voornamelijk tot 
de groote pennen bepaalt. De pooten gelijken meer naar die der Kwikstaarten, 
en de lange achterteen bewijst, dat deze vogels hoofdzakelijk op den grond leven. 

In de wetenschap draagt de Usgors (die soms ook Laplandsche of Noordsche 
(ïors genoemd wordt) nog andere titels, als: Pledrophanes calcaratus, Fringilla- 
en Emberiza calcarata, Fringilla- en Centrophanes lapponica. 

Het volwassen wijfje onderscheidt zich van het mannetje in zijn zomerkleed 
door hare eenvoudige kleuren. Bij haar zijn de voornaamste kleurverdeelingen 
gewijzigd en als volgt: de zwarte bovenkop donker gestreept; de lichte streep 
achter en voor het oog, alsmede de witte vlek achter het oor, gevlekt, maar 
toch zigtbaar afgescheiden; de roode achternek ros met donkere strepen; de rug 
als bij het mannetje; de vleugels en de staart hebben dezelfde kleurteekening als 
bij de mannetjes, maar de kleuren zijn fletser. Aan de onderdeden treft men 
grooter verschil aan: de keel is vuil wit met eene donkere streep langs de kne- 
vels; de ooren of oordekveêren zijn bruin en zwart gestreept; op den krop zijn 
de vederen in het midden zwart gevlekt, en soms wordt dit gedeelte zeer donker, 



even als bij de mannetjes in het winterkleed; de verdere onderdeden als bij het 
mannetje, ofschoon de strepen langs de zijden nimmer zoo donker worden. 

In het winterkleed heeft het mannetje lichte zoomen aan de zwarte kopveêren; 
het rood in den bek is minder helder, en de bek trekt meer naar het bruine. 
Ook het wijfje is 's winters fletser dan in het broeisaizoen. 

Tegen den tijd dat zij het nest verlaten, zijn de jongen geheel van zwart 
ontbloot, en trekken hunne kleuren meer naar het roestroode. Na den eersten rui 
is nog geen verschil van sekse bij hen op te merken, en zijn hunne kleuren 
als volgt: bovenkop graauw met donkerbruine strepen; de smalle en breede 
lichte band, vóór en achter het oog, nog afwezig, of slechts flaauw zigtbaar; 
de achternek ros en flaauw gestreept; de rug als bij het oude wijfje, maar minder 
donker; de vleugels meer eenkleurig graauw, en de lichte randen om de vleugel- 
dekveêren naauwelijks merkbaar; de staart als bij het oude wijfje; aan de onder- 
deelen komen zij het oude wijfje meer nabij; maar wat bij haar zwart is, wordt 
bij de jongen door ros of bruinrood vervangen; de strepen aan de knevels don- 
kerbruin, en de ooren (wangen) als bij het oude wijfje. Het meest opmerkelijke 
onderscheid bestaat daarin, dat bij de niet volwassen voorwerpen de pooten licht- 
bruin, eigenlijk doorschijnend geelbruin zijn, en dat de nagel aan den achterteen 
veel meer gekromd is, dan bij de oudere voorwerpen. De bek der jongen is bruin 
aan de bovenkaak, van de punt tot aan den wortel, alleen van boven donker- 
bruin. In de lente van het tweede levensjaar beginnen de seksen in kleur te 
verschillen, doordien de mannetjes langzamerhand aan den kop en over het geheele 
ligchaam donkerder worden, en ook de wijfjes van lieverlede hare donkerder 
kleuren op den rug en aan den krop krijgen. Beide seksen hebben in het tweede 
jaar reeds zwarte pooten, maar de mannelijke voorwerpen blijven dan nog meer 
gelijk aan de oudere in hun winterkleed. Het wijfje, van welken leeftijd of in 
welk jaargetijde ook, krijgt nooit een gelen bek. 

üe IJsgors broeit in Noord-Europa, in Noord-Amerika, op IJsland en op de 
Alpen. Het nest ligt op den grond en is zorgvuldig tusschen lage planten, onder 
heesters of tusschen gras verborgen. De bouwstoffen bestaan uit droog gras en 
stroo, zaamgewerkt met veeren of haar. De eijeren, waarvan er gewoonlijk viera 
zes in een broeisel gevonden worden, verschillen onderling aanmerkelijk in kleur; 
in een en hetzelfde nest vindt men wel eens sommige licht groenachtig met bruine 
vlekken en andere geelbruin en grijs gevlekt. 



Pastoor Sommerfeld zegt, in zijne beschrijving van de vogels van Baranger 
Fiord, dat versch gelegde eijeren meestal groenachtig zijn met donkerbruine 
vlekken, vooral aan het stompe einde, en dat zij eerst onder het broeijen donker- 
der worden. 

In aanmerking genomen de eenvoudige tinten van het wijfje, tegenover de 
in het oog vallende kleuren van het mannetje, is het zeer waarschijnlijk, dat alleen 
het wijfje broeit. De jongen worden met zaden en kleine insecten grootgebragt. 

Het mannetje heeft een zacht kweelenden zang, waarvan de toonen „ziech 
ziech" het voornaamste deel uitmaken; het geluid is echter zeer aangenaam. Het 
gewoon geroep luidt nagenoeg als dat van de Geelgors, maar is iets minder 
krachtig, niet zoo schor en meer stootend. In gevangenschap zingen deze vogeltjes 
weinig. 

Men vangt ze in het najaar, op den trek, meestal op de vinkenbaan. Alle win- 
ters komen er tot ons over, en menigmaal trof ik op de vogelmarkt jonge voor- 
werpen onder de pasgevangen Rietvinken (Emb. schcenidus) aan. Ik heb jongen en 
ouden levend gehad, en heb heden nog een jong mannetje in de kooi; de jongen slapen 
's nachts op een stokje, maar de ouden blijven op den grond zitten en gaan bij dag dik- 
wijls vlak op den buik in het zand liggen, even als de Leeuwerikken. Dit komt 
zeer wel overeen met de verschillende vormen der nagels bij jonge en oude 
voorwerpen. 

Pas gevangen zijn zij zeer schuw, maar worden weldra mak. Men kan ze 
's winters buiten houden, en zij behoeven geene groote kooi te hebben, om 
tevreden te zijn. Als er maar veel zand en een graszoodje aanwezig is, schijnen 
zij al zeer in hun schik, zetten hun kuifje op en laten onophoudelijk hun geroep 
hooren. De mannetjes beginnen reeds in Februarij te zingen, fladderen dikwijls 
met de vleugels, en baden zich gaarne. 

Men geeft hun wit zaad, nu en dan een hennepzaadje, en wat jong groen. 
Ofschoon zij weinig voedsel noodig hebben, worden zij spoedig vet; alsdan zin- 
gen zij weinig en worden zij vadzig. Het best is dan, hun een bepaald dagelijksch 
rantsoen te geven, namelijk, genoeg om in 't leven te blijven, maar te min om 
zich te kunnen mesten. 




& 



1 



V> 






DE VINK. 

FRINGILLA C(ELEBS. 



De Vink is, van al onze inheemsche kamervogels, zeker de meest bekende. 
Hij is de grondvorm en de gemeenste soort van het zoo uitgebreide vinkenge- 
slacht; het is een fraaije vogel, die zoowel om zijne kleuren als om zijn wel- 
bekenden zang algemeen geprezen wordt. 

Hij heeft in vele steden van ons land verschillende bijnamen, als: Schildvink, 
Maanvink, Gewone Vink, enz., doch heet steeds „Vink", omdat zijn gewoon geroep 
als „fink, fink" luidt. 

In het voorbijgaan zij gezegd, dat er in ons land slechts twee eigenlijke 
Vinkensoorten voorkomen, namelijk, de Gewone en de Keep (Fr. montlf ring Ulo), 
van welke ook is waargenomen, dat in den vrijen staat het mannetje der eerst- 
genoemde met het wijfje der laatstgenoemde soort somtijds paart. De overige 
Fringilla's zijn wel vinkachtige vogels, maar wijken in vele opzigten van den 
grondvorm af. Deze soorten dragen echter inlandsche namen, welke met die van 
hare familie (de Vinken) niets gemeens hebben, zoo als: Kneutje, Barmsijs, Sijsje, 
Groenling, Putter, enz. Ofschoon nu ook deze soorten tegenwoordig weder in 
ondergeslachten zijn verdeeld, blijven zij evenwel, door hun algemeenen vorm, 
tot de Vinken of vinkachtige vogels belmoren, gelijk ook onze Huis- en Ring- 
musschen, welke echter weder eene eigen familie of ondergeslacht (Passer) uit- 
maken. Daarentegen worden vele vogels met den naam „Vink" bestempeld, zonder 
echter tot dat geslacht te belmoren, b. v. de Goud vink, de Vlas- of Koevink 
(Motacüla flava), de Appelvink (Coccothraustes vulgaris), de Rietvink (Emberiza 
schoeniclus) en anderen. 

De eigenlijke Vink bewoont bijna geheel Europa, tot zelfs het verre Noorden, 
doch komt minder in de Zuidelijk gelegen streken voor. 



Hier te lande was eertijds alleen in Noord-Braband of Gelderland een vinken- 
nest te vinden; sedert de laatste vijftig jaren echter heeft men waargenomen, dat 
de Vink bij ons meer algemeen is geworden, zoodat wij hem thans allerwege in 
onze tuinen kunnen aantreffen, alsook op de straatwegen, waar hij, in gezelschap 
der Huismusschen, in allerlei afval naar voedsel zoekt. Hij broeit zelfs nabij de 
steden en bezoekt ons in groote menigte op den trek; en, hoewel er nog slechts 
weinig Vinken, en dat nog wel in den regel alleen mannetjes, hier overwinteren, 
heeft men toch opgemerkt, dat zij in voortdurend kleiner aantal van hier weg- 
trekken. 

De Vinken broeijen gewoonlijk tweemaal gedurende den zomer, namelijk in 
't begin van Mei en omstreeks half Junij; het tweede broeisel komt tien a veer- 
tien dagen nadat de jongen van het eerste zijn uitgevlogen. 

Het nest is zeer kunstig bewerkt, half kogelvormig, eenigzins plat en met 
gelijke, sterk doorweven wanden, uit worteltjes, plantenvezels , fijne halmpjes en 
veel zachte mos gemaakt en van binnen met zachte pluis, schapenwol, of wel met 
koe- of paardenhaar voorzien. Zij hechten het nestje op of in een vorkvormigen, 
beschaduwden tak van vrucht- (appel- of pere-) boomen vast; soms echter treft 
men het in eiken, wilgen, linden of andere boomsoorten aan. 

De eijeren zijn vrij puntig, bleekblaauw , vooral aan de stompe zijde graauw 
gevlekt, terwijl eenige grootere bruinroode stippen, ongelijkmatig over het ge- 
heele ei zijn verdeelt. Zij worden door het wijfje in dertien dagen uitgebroeid. 
Bij zeer gunstig weder broeijen de Vinken soms voor de derde maal, maar de 
daaruit voortkomende jongen zijn meestal klein en gewoonlijk zwakke zangers, die 
eerst in het volgende voorjaar ruijen. 

In den vrijen staat ruijen de Vinken daarentegen in het najaar. In de kooi 
verliezen zij dikwijls omstreeks Maart eene massa veeren, maar krijgen soms ook 
nieuwe, hetgeen slechts eene gedeeltelijke ruijing is, terwijl zij in het daaropvol- 
gende najaar (even als de in vrijheid levende) voor goed van veeren wisselen. 
De overgang van het winter- tot het zomerkleed bij de mannetjes geschiedt door 
langzame kleursverandering, zonder dat er nieuwe veeren bijkomen of oude uit- 
vallen; die van het zomer- tot het winterkleed geschiedt door ruijing. 

Het zomerkleed van het mannetje is iets fraaijer dan zijn wintertooi en 
onderscheidt zich daarvan vooral door den blaauwgrijzen bovenkop en bek, 
die in het koude jaargetijde meer naar het bruine trekken, terwijl alsdan ook 



de pooten lichter en de roodachtige horstveêren een weinig iletser zijn. Het 
wijfje heeft over het geheel eene groenachtig graauwe tint, geen grijs in den 
nek, geene roode wangen, keel of borstveêren, ook geen zwart aan de vleugels, 
en het is meestal iets kleiner dan het mannetje. De jongen hebben, tegen den 
tijd dat zij het nest verlaten, in kleur eenige overeenkomst met hunne moe- 
der, doch hunne onderdeelen zijn blanker. Zij krijgen hunne volmaakte kleuren 
spoedig; reeds in de tweede maand kan het geslacht bij hen onderscheiden wor- 
den, en met de derde of vierde maand zien de jonge mannetjes er als de 
ouden in hun winterkleed uit. 

Het voedsel der Vinken bestaat in allerhande zaden, jong groen, granen en 
insecten, met welke laatsten de jongen worden grootgebragt. In den winter, als 
er sneeuw ligt en er voor de Vinken weinig te eten is, komen zij nabij de 
woningen en nemen, even als de Musschen, zeer gaarne kruimels brood, zelfs 
aardappelen als voedsel. In de kooi geeft men hun wit- en hennepzaad. 

De zang van het mannetje is krachtig, aangenaam luidend, maar weinig 
afwisselend. Hij herhaalt altijd ongeveer dezelfde syllaben die hij even te voren 
liet hooren. Evenwel bestaat er onder den vinkenzang of zoogenaamden „slag" veel 
onderling verschil, en daarnaar worden de gekooide Vinken (waaronder de onge- 
lukkige blinden) gewaardeerd. Elk mannetje heeft namelijk zijne eigenaardige wijze 
van zingen, en de meesten verwisselen dikwijls de toonen van hun regelmatigen 
zang in dier voege, dat zij drie en meer slagen laten hooren. Het geluid of de 
toonaard van den slag is, al naar de omstandigheden, waaronder de vogel verkeert, 
of de streek, die hij bewoont, zeer verschillend; ook neemt dikwijls het eene 
mannetje een meer of minder fraaijen toonaard of slag van het andere aan. 

Als men in April, namelijk in den paartijd een gevangen Vink in de nabij- 
heid der vrije voorwerpen plaatst, dan zal hij gewoonlijk het eerste slaan; gaat 
hem echter een sterker mannetje in 't zingen vóór, dan zal de gevangene zwijgen. 
De Vink, in den vrijen staat, is ijverzuchtig en twistziek, wanneer de paartijd 
daar is; onverschrokken valt hij dan eiken mededinger aan, zingt bij en na den 
aanval, doch zwijgt, wanneer hij de nederlaag geleden heeft, en wacht dan tot 
zich eene betere gelegenheid voor hem opdoet, om een wijfje magtig te worden. 
Zijn er mannetjes in de nabijheid van een gekooiden, en slaat deze onbevreesd 
door, dan wordt hij weldra voor de in vrijheid zijnde een verklaard vijand, en 
zij trachten elkander te overschreeuwen slaan dan door tot hun de magt ont- 



breekt om nog een toon meer te uiten; nog erger gaat het toe, als er een wijfje iri 
de buurt is, en de gekooide haar durft roepen: dan valt zijn mededinger op hem 
aan, tracht hem de veeren uit te plukken, vliegt woedend tegen de traliën van 
de kooi, en dikwijls gebeurt het dan, dat beide vechtende zich bek en vleugels 
tegen de traliën stukvliegen. 

Hierdoor is het dan ook zeer eenvoudig, de in vrijheid vliegende mannetjes 
te vangen: men behoeft slechts rondom de kooi, waarin een mannetje gevangen 
zit, eenige lijmstokjes of een slagnetje te plaatsen. 

In de kooi kunnen de Vinken zeer oud worden, en dikwijls neemt, naarmate 
zij ouder worden, het wit hunner vleugels eene min of meer geelachtige tint aan. 

De vinkenvangst in het voorjaar heeft iets eigenaardigs, doch die van het 
najaar brengt meer voordeel aan. Bij mistig weder en goede lokvinken zijn er wel 
eens vijfhonderd vogels (bijna allen Vinken) op één dag gevangen. Gemiddeld 
vangt men er echter zeventig op een voormiddag. De op bedoelde wijze gevangen 
voorwerpen zijn meerendeels voor de keuken bestemd. 

De blinde Vinken, de ongelukkigste aller vogels, zingen, zegt men, fraaijer, 
omdat zij de veranderingen der jaargetijden niet kunnen opmerken en dus meenen, 
dat het altijd zomer is, waarom zij dan ook, volgens velen, het geheele jaar door 
zouden slaan. Anderen weder gelooven, dat de blinde vogel uit verveling zingt. 
Beide onderstellingen zijn echter zeer onjuist; immers, men kan den Vink door 
marteling wel het gezigtsvermogen ontnemen, maar niet zijn instinct, en daar- 
door voelt en hoort het ongelukkige diertje toch nog steeds het verschil der 
jaargetijden. En wat het zingen uit verveling betreft, ook dit komt mij niet min- 
der ongerijmd voor: het is waar dat alle vogels ook uit angst, haat of woede 
toonen voortbrengen; maar uit verveling te zingen, 't zou inderdaad veinzen moe- 
ten heeten, en dat is toch waarlijk van geen vogel te verwachten. Een goed 
onderhouden, wel gevoede Vink zal dan ook ongetwijfeld fraaijer zingen, dan een 
zoo deerniswaardig voorwerp, dat daarenboven, als ware 't om zijn lijden nog te 
vermeerderen, in een zoogenaamd „pothuisje" wordt opgesloten, waarin hij zich 
naauwelijks keeren of wenden kan. Stellen wij daartegenover een zienden, vrolijken 
zanger, bij wien wij alle gemoedsaandoeningen kunnen gadeslaan, dan zullen wij 
ons ten volle overtuigd gevoelen, dat het blindmaken dezer vogels niet slechts 
barbaarsch, maar ook geheel nutteloos is. 't Zijn dan ook de echte vogellief heb- 
bers niet, die er blinde Vinken op nahouden! 







tip ^ 







HET S IJ S J E. 

FRINGILLA SPINUS. 



Van de in Nederland inheemsche vinkachtige vogels is het Sijsje de kleinste 
soort. Door zijne geringe grootte en naar evenredigheid lange, smalle vleugels, 
wijkt het eenigzins van de eigenlijke Vinken af; de nieuwere ornithologen hebben 
het dan ook tot een nieuw geslacht (Chrysomitris) of onderafdeeling gebragt, 
welke zich door de volgende kenmerken onderscheidt: de vleugels reiken tot over 
de helft van den staart; de vleugelpennen der eerste orde zijn lang, die der tweede 
orde betrekkelijk kort, doch breed; de bek is, even als bij de Vinken, kegelvormig, 
maar spitser, puntiger en minder geschikt om harde zaden of steenvruchten door 
te breken; de pooten zijn kort, en de teenen van scherpe nagels voorzien; de 
bovenste dekvederen van den staart reiken tot aan het einde der middelste 
staartpennen, en ook de onderste dekvederen zijn naar evenredigheid langer dan 
bij de overige vinkachtige vogels. 

Het nieuwe geslacht, waarvan het Sijsje de grondvorm is, telt slechts weinige 
soorten. Eenige daarvan hebben onderling veel overeenkomst in kleur en zijn van 
ons Sijsje naauwelijks te onderscheiden, ofschoon zij in zeer verschillende gewesten 
worden aangetroffen; zoo b. v. gelijkt het Sijsje van Japan (Chrysomitris spinoïdes) 
dermate op het onze, dat men het veeleer eene variëteit, dan eene andere soort 
zou kunnen noemen; het is alleen iets kleiner, en iets zwarter op het bovenhoofd. 

Eene andere soort (Chrysomitris spinescens) is in Nieuw-Grenada zeer alge- 
meen; zij wordt er eveneens in de kooi gehouden, heeft denzelfden zang als de 
onze, maar is kleiner; de geheele bovenkop is zwart en de onderdeelen zijn 
groenachtiger. In Zuid-Amerika , namelijk in Chili, komt een Sijsje voor, dat grooter 
en zwaarder van bek is, dan het onze, doch daarmede in kleur, levenswijze en 
zang vrij wel overeenkomt en ook in kooijen gehouden wordt. 



In ons land komt slechts ééne soort voor, ofschoon de vogelhandelaars en 
vogelvangers ze in twee soorten willen verdeelen, die zij „Gewone Sijsjes" en 
„Smidjes" noemen. De laatsten echter zijn de oude mannetjes, die, oud gevangen 
zijnde, hunne donkere kleur behouden, terwijl de jong gevangene nimmer zoo 
zwart als de zoogenaamde Smidjes worden. 

Wanneer wij den vorm en bouw der Sijsjes nagaan, dan bemerken wij spoedig, 
dat zij eene andere levenswijze, dan de eigenlijke Vinken, moeten hebben. Hunne 
tamelijk korte, met scherpe nagels voorziene pooten stellen hen in staat, te 
klauteren en aan de takken te hangen, hetgeen de andere Vinken (met uitzonde- 
ring van de Distelvinken en Barmen) niet kunnen. De spitse snavel van het 
Sijsje is een uitmuntend werktuig, om de zaden uit elzen- of dennenvruchten te 
pikken, hetgeen den eigenlijken Vinken met hun meer stompen bek veel moeije- 
lijker moet vallen. Ook kunnen de laatstgenoemden niet aan de takken hangen, 
zoodat zij de elzenpitten niet uit de vrucht kunnen halen, wanneer deze nog aan 
de takken vastzit, maar wachten moeten totdat die vruchten afgevallen zijn en op 
den grond liggen, terwijl het Sijsje behendig naar de uiterste einden der takken 
klautert en hangende de zaden tot zich neemt. Het Sijsje gebruikt evenwel ook 
ander plantaardig voedsel, en eet in den zomer veel rupsen en andere kleine 
insecten. 

De eigenlijke trektijd dezer vogeltjes is in October. Evenwel zijn zij dikwijls 
nog in December en Januarij hier te vinden, hetgeen daaraan is toe te schrijven, 
dat die Sijsjes, welke niet in gezelschap van andere Vinken, maar in afzonderlijke 
troepjes henentrekken, niet zoo geregeld doorvliegen, maar zich meestal hier en 
daar in boomen, bij voorkeur in digt bij het water gelegen boschjes, ophouden. 

Op den najaarstrek komt dit vogeltje veelvuldig bij ons voor, en het 
blijft dikwijls den geheelen winter hier over. Eenigen broeijen ook in ons 
land, ofschoon zelden elders dan in de provinciën Gelderland en Noord-Braband. 
Het bewoont verder het gematigde Europa, is in de koudere streken zeldzaam, 
daarentegen in Duitschland en Frankrijk zeer algemeen. 

De voorwerpen, die in Nederland overwinteren, trekken gewoonlijk in April 
naar de meer Zuidelijk gelegen landen, om er te broeijen; evenwel worden er 
steeds gedurende den zomer ook bij ons broeijende gevonden. Men ontmoet in 
het voorjaar altijd meer mannetjes dan wijfjes, en wanneer deze vogeltjes paren, 
dwalen de ongepaarde mannetjes alleen rond. 



De broeitijd der Sijsjes duurt van Mei tot Augustus. Hun nest, dat, hoewel 
iets kleiner, toch veel overeenkomst heelt met dat van de gewone Vink (Fringilla 
coelebs), bouwen zij op of tusschen takken van groote heesters of vruchtboomen , 
of ook wel op wilgenstammen. Het wijfje legt gewoonlijk tweemaal, namelijk tegen 
half Mei en in het begin van Julij, een vier- a zestal kleine, graauwwitte, ros- 
achtig en graauw gespikkelde eijeren, en broeit ze in dertien dagen uit. Aanvan- 
kelijk vertoonen de jongen de fletse kleuren van het wijfje, en is ook hun boven- 
hoofd nog niet zwart. Tegen den tijd echter, dat zij het nest verlaten, zijn zij 
reeds meer gestreept dan de moeder, en nog in hetzelfde najaar komen bij hen 
de kleuren te voorschijn, welke de geslachten kenmerken, waarvan het onder- 
scheid, gelijk ieder vogellief hebber weet, zeer in 't oog loopend is. Het geel aan 
borst, keel en langs den kop is bij jongen van drie maanden reeds duidelijk zigt- 
baar; daarentegen is hun bovenkop dan nog slechts weinig donker gekleurd, en 
ontbreekt hun nog de zwarte keelvlek. In het tweede jaar zijn de jongen vol- 
wassen, ofschoon zij dan nog niet de zoo donkere tinten der tweejarige voor- 
werpen bezitten. 

Men vangt de Sijsjes gewoonlijk op de vinkenbaan; de meest eigenaardige 
vangst geschiedt echter met den lijmstok (lijmhengel). In het najaar, van November 
tot Januarij, als deze vogeltjes in troepjes rondzwerven en zich meestal in het lage 
elzenhout ophouden, is het gemakkelijk, hen op die wijze te verschalken. 

De vogelaars nemen tot dat einde een klein kooitje, waarin een wijfje zit, 
onder den linkerarm, of hangen het op den rug; in de regterhand houden zij een 
drie a vijf el langen stok (liefst elzentak), aan de punt van vogellijm voorzien. 
Het wijfje in de kooi verraadt door haar gefluit weldra de aanwezigheid van een 
troepje van hare soort, en de vogelaar nadert voorzigtig de plaats, waar de vrije 
vogeltjes zich ophouden. Hetzij nu dezen, nieuwsgierig naar het vogeltje in de 
kooi, en niet bevreesd voor den langen tak, dien de vogelaar in de hand houdt, 
komen aanvliegen, of wel rustig aan de elzenproppen blijven voorteten, in elk 
geval heeft dan de vogelvanger tijd genoeg, om met zijn lijmhengel een der 
vogels te naderen en hem even een tikje te geven. Dikwijls zelfs bemerken de 
vogels niet terstond, dat hunne veertjes vastgelijmd zijn; althans schrikken zij niet 
dadelijk. De vogelvanger haalt nu bedaard den gelijmden vogel van den stok af 
en plaatst hem in het kooitje bij het reeds gevangen wijfje. 

Bij deze vangst is het raadzaam, alleen de mannetjes te kiezen; want, als de 



eerst gevangene een wijfje is, vliegen de overigen meestal onmiddellijk weg. Dit is 
misschien daaraan toe te schrijven, dal deze vogeltjes alsdan nog ongepaard leven, 
en er bij een troepje meer mannetjes dan wijfjes zijn. Wanneer men zich daaren- 
tegen in het voorjaar met deze vangst bezig houdt, zal men juist het tegendeel 
ondervinden; als namelijk de vogels dan gepaard zijn, en men eerst een wijfje 
vangt, blijft gewoonlijk een der mannetjes in de nabijheid, waarschijnlijk omdat 
hij zich meer om het lot zijner wederhelft bekommert, dan de wijfjes in het 
najaar om de mannetjes. 

Van de in het najaar gevangen vogels sterven er velen door te ruwe behandeling, 
en anderen doen zich zelven door gulzigheid den dood aan. Niettemin kunnen de 
Sijsjes, bij goede behandeling in de kooi, tot twintig jaar oud worden. Het meest 
geschikte voedsel is witzaad; gedurende het koude jaargetijde geeft men hun nu 
en dan een gekneusd hennepzaadje, en bij afwisseling elzenzaad. Des zomers is 
hennepzaad dikwijls nadeelig, omdat dit te veel verhit en opwekt; men kan dan 
de hun onthouden versnapering door een of ander jong groen, vooral het zooge- 
naamd Kruiskruid, vervangen. 

De jong gevangen Sijsjes worden in de kooi nimmer zoo fraai, als de oud 
gevangene; bij de eersten blijft meestal de zwarte keelvlek geheel weg; sommigen 
echter worden, door het aanhoudend eten van hennepzaad, geheel zwart. Witte 
of vaalkleurige variëteiten worden niet waargenomen. 

Het Sijsje zingt minder fraai dan de andere vinkachtige kamervogels; het is 
niettemin een onvermoeide zanger, die zich reeds in den vroegen ochtend en zelfs 
in den winter laat hooren; doch de liefhebbers houden dit vogeltje meer om zijne 
geaardheid, dan om zijn gefluit; want geen kooi-vogel wordt zoo mak en zoo 
vertrouwelijk, als het Sijsje. 

Jong gevangen of uit het nest opgekweekte mannetjes paren somtijds later 
met het wijfje van den Kanarievogel. De daaruit voortgesproten bastaards hebben 
in hun zang meer van het Sijsje dan van het mannetje van den Kanarie; daaren- 
tegen zijn zij fraaijer gekleurd en vertoonen zij, naar mate van de kleur der 
Kanarie-wijfjes, dikwijls eene zeer zonderlinge combinatie van de teekening der 
beide ouden. 



■ 




G Keuh mans "I nai 



A h rap, ex. 



DE DISTELVINK. 

FRINGILLA CARDUELIS. 



De Dislelvink, gewoonlijk „Putter" genaamd, is een vinkachtige vogel, die 
van April tot October, soms nog latei', in Nederland wordt aangetroffen. 

Men heeft dezen fraai gekleurden vogel „Distelvink" genoemd, omdat hij 
zich veelal met de zaden der distels voedt, terwijl hij den naam „Putter" te 
danken heeft aan het hem in de kooi geleerde kunstje, om zijn drinkwater of 
voedsel op te halen of te putten. In 't voorbijgaan zij hieromtrent aangemerkt, 
dat zulke kooijen, waarin de vogel gedwongen wordt, op die wijze in zijn onder- 
houd te voorzien, tegenwoordig bijna geheel uit den smaak geraakt zijn, en dal 
men ditzelfde kunstje even goed ook aan andere vogels kan leeren, doch daardoor 
zelden goede zangers verkrijgt. 

In den vrijen staat is de Distelvink een levendige, zelfs onrustige vogel, die 
in het voorjaar gepaard, en in den herfst in troepen van vijf tot zeven stuks trekkende 
wordt aangetroffen, en zich met allerhande zaden voedt, zoo als met die van sparren- 
en elzenboomen, van den distel, en van de groote brandnetel, alsmede met jong 
groen en bladknoppen, met de meeldraden der bloesems en ook met kleine 
insecten, waarmede hij uitsluitend zijne jongen grootbreng!, die, even als de 
jongen van alle andere vinkachtige vogels, nimmer met zaden worden gevoerd. 

De Distelvink broeit gewoonlijk tweemaal gedurende den zomer: de 
eerste maal tegen het einde van Mei of het begin van Junij, de tweede maal 
omstreeks half Julij tot in de eerste weken van Augustus; elk broeisel bestaat meestal 
uit vier eijeren, lichtgraauw van grondkleur en, vooral aan het stompe einde, 
met kleine, ongelijke, roodachtige vlekjes bezet, Het kunstig doorvlochten nesl, 
dat gewoonlijk in heesters, gelijk de meidoorn, of in lage vruchtboomen wordt 
aangetroffen, is half kogelvormig, met gelijke, breede wanden, die uit planten- 



vezels, fijne worteltjes en mos zijn zamengesteld, terwijl het binnenste van haar, 
vederen of andere zachte zelfstandigheid vervaardigd is. 

In het Zuiden van Europa zijn deze vogels meestal fraaijer van kleur, dan 
de in ons land geteelde, zoodat er bij deze vogels steeds eenig verschil in 
grootte en kleur op te merken is; vandaar dat de vogelaar verschillende soorten van 
Distelvinken meent te kunnen onderscheiden, en de eerste soort Bloem- of Roze- 
putters, de andere Enkele of Gewone Putters noemt. De eersten echter zijn de 
volwassen, en wel meestal de groote mannetjes; de tweeden zijn de in ons 
land geteelde jongen van hetzelfde jaar, die wel reeds al hunne kleuren hebben, 
doch nog eenigzins flets zijn. 

Er bestaat slechts weinig verschil in kleur tusschen de volwassen mannetjes 
en wijfjes. De jongen zijn daarentegen gemakkelijk te herkennen aan hun bruinen 
bek en de geheel bruin grijze tinten hunner bovendeelen; de heldere kleuren 
van den kop ontbreken hun nog geheel en komen eerst na de tweede maand 
langzamerhand te voorschijn, zoodat de jongen van het eerste broeisel reeds in 
October hunne volmaakte kleur hebben, terwijl alsdan die van het tweede broeisel 
nog graauw of slechts gedeeltelijk gekleurd zijn. 

Het is meestal zeer moeijelijk de geslachten te onderscheiden, omdat de 
volwassen wijfjes van de fraai gekleurde, zoogenaamde Bloem-Putters even schoon 
zijn als de jonge mannetjes van de zoogenaamde Enkele of Gewone. Evenwel zijn 
de volwassen mannetjes steeds donkerder langs de vleugelbogt, terwijl de teugels 
en de neusvedertjes zwart zijn, of, anders gezegd, er loopt een zwarte band 
over den snavel langs het voorhoofd tot aan de oogen. De roskleurige zoom aan 
het geel der vleugelpennen is niet altijd een kenmerk der wijfjes, want ook de 
jonge mannetjes hebben dit. 

Deze vogels worden in den regel van September tot November op de vin- 
kenbaan gevangen, doch in het voorjaar vangt men ze, en voornamelijk de nog 
ongepaarde mannetjes, ook met de slagkooi, waarin dan een vrouwelijk voorwerp 
als lokvogel geplaatst wordt. De jongen zijn in den nazomer op dezelfde wijze 
gemakkelijk te verkrijgen, en deze worden als de beste zangers voor het volgende 
voorjaar beschouwd. 

In de volière bekleedt de Distelvink den eersten rang. Niet alleen door zijne 
schoone teekening en fraaijen zang, maar ook om zijn vrolijken aard, waardoor 
hij boven vele kamervogels uitmunt. 



Het is algemeen bekend, dat de mannelijke Distelvink in gevangen staat 
somtijds met het wijfje van den Kanarievogel paart, en dat er uit deze kruising 
bastaarden geboren worden, die de kleuren van beide soorten vertegenwoordigen 
en waarvan de mannelijke voorwerpen krachtiger zang laten hooren dan de Dis- 
telvink, ofschoon het geluid meer met dat van laatstgenoemde, dan met den zang- 
der Kanarie overeenkomt. Bastaarden van den Kanarievogel en het wijfje van 
den Distelvink komen ook wel eens voor, doch dit behoort tot de zeldzaam- 
lieden. 



DE GROENLING. 

FRINGILLA CHLORIS. 



De Groenling is een vinkachtige vogel, die, door zijn éenigzins krachtigen 
snavel, tol de Dikbekken (Coccothraustes) overgaat. Hij staat, wat vorm betreft, 
tusschen het Sijsje en den Appelvink in , en wordt door sommige natuurkundigen 
als een nieuw geslacht (Chlorospiza) beschouwd. 

Het is een trekvogel, die ons van April tot November bezoekt. In het najaar 
trekken er velen over, die Noordelijker gebroeid hebben, en van dezen blijven er 
dikwijls overwinteren. Van de hier te lande broeijende Groenlingen, komen de 
mannetjes eenige dagen vroeger dan de wijfjes. Kort na hunne aankomst paren 
zij en maken een zeer kunstig nest op de takken van kastanje-, linde- of hooge 
wilgenboomen. Gewoonlijk ligt het nest digt bij den stam en meestal boven 
in den boom. Met den nestbouw houdt zich vooral het wijfje bezig, terwijl 
het mannetje de materialen aanbrengt, welke uit grashalmen, worteltjes, verdorde 
bladeren, allerhande korstmossen enz. bestaan en met insectenspinsels of andere 
draadachtige zelfstandigheden zaamgehecht worden. Voornamelijk bezigen zij daar- 
toe stoffen, welke in tuinen of nabij woningen te vinden zijn. zoodat men dikwijls 
eindjes bindtouw, dunne koordjes en stukjes papier in hunne nesten aantreft. 
Eens zag ik een Groenling bezig met een uit lappen bestaanden, zoogenaamden 
vogelverschrikker stuk te trekken, en toen ik later zijn nest ontdekte, bevond ik 
dat het bijna geheel uit zulke lappen was gemaakt. Ook gebruiken zij dikwijls 
veeren en koehaar voor het binnenwerk. 

De eijeren, waarvan er vier a zes in een broeisel gevonden worden, zijn, 
in verhouding tot den vogel, klein; zij zijn lilaskleurig wit en onregelmatig met 
groote en kleine, licht en donker rosse vlekjes bedekt. 

De jongen worden in den vrijen staat met zaden en jong groen, zoo als blad- 



scheuten, en later ook met insecten grootgebragt. Zij zijn spoedig volwassen en 
blijven nog lang in het gezelschap der ouden. Die van het tweede en laatste 
broeisel trekken gelijktijdig met de ouden in het najaar weg. 

Het verschil tusschen de seksen bestaat bij de volwassen Groenlingen alleen 
in de fraaijere kleuren der mannetjes ; de wijfjes hebben namelijk geen helder geel 
aan de onder-, en geen grijs aan de bovendeden. De kleur der jongen is, wan- 
neer zij het nest verlaten, meer als die van het oude wijfje, maar zij zijn iets 
blanker en aan de onderdeden eenigzins gestreept. Na den eersten rui (Augus- 
tus tot September) zijn de seksen reeds te herkennen, maar hebben de jonge 
mannetjes nog niet die fraaije kleuren, waarmede de oudere in den zomer prijken. 

De zang van den Groenling, in den vrijen staat, is eenvoudig en bestaat in 
het variëren der toonen van zijn gewoon geroep, soms, vooral op het einde der 
strophen, door een zacht maar zuiver geluid afgewisseld, zoo als dat van den 
Kanarievogel, doch zwaarder en meer naar de lokstem van den Vink in den zomer 
gelijkende. Ook de Groenling laat dit geluid alleen des zomers en gewoonlijk in 
den vroegen ochtend hooren, meestal op de bovenste takken der boomen zittende. 
Na Augustus of het begin van September hoort men zelden anders dan zijn ge- 
woon geroep. Onder het vliegen, vooral in den trektijd, heeft zijn geluid wel iets 
van zijne lokstem of gewoon geroep, maar volgen de toone,n of syllaben elkander 
spoediger op. 

Men vangt deze vogels op de vinkenbaan, en de weinigen die 's winters over- 
blijven, geraken spoedig in allerlei vallen en strikken. 

In de kooi voedt men ze met hennipzaad, wit en zwart zaad, allerlei jong 
groen, zoo als kruiskruid, kropsalade, enz. Jong gevangen vogeltjes, mits niet 
ouder dan ééne week, kan men met geweekt brood, waaronder een weinig maan- 
zaad, grootbrengen, en deze worden gewoonlijk de beste zangers in de volière. 
Over 't algemeen zijn de Groenlingen in de gevangenschap aardige vogels, die, zoo 
lang men ze alleen laat, zich vrij stil en rustig houden, doch daarentegen in 
gezelschap van andere vogels zeer levendig van aard zijn; zij kunnen dan vele 
andere vogelsoorten zeer natuurlijk nabootsen, zóó zelfs, dat men, alleen op 
het gehoor af, meestal niet kan onderscheiden, welke vogels in de volière zingen. 
Dikwijls ook bootst de Groenling de geluiden van al de vogels in de volière onder 
elkander na, en wel zoo uitmuntend, dat het allen schijn heeft alsof al zijne kooi- 
genooten te gelijk den zang aanhieven. 



Soms paart het mannetje van den Groenling in gevangenschap met het wijfje 
van den Kanarievogel. De daaruit voortspruitende jongen worden fraai bont, wan- 
neer de Kanarievogel (de moeder) geel is. Bij een donkeren Kanarievogel krijgen 
de jongen de kleuren van beide ouders en komen alsdan zeer veel overeen met 
den Europeschen Geelvink (Fringilla serinus). 

Variëteiten van Groenlingen komen zelden voor, en het schijnt dat, indien 
er al kleurspelingen ontstaan, deze alleen tot het zwarte, en niet tot het witte 
overhellen. 



41 



4 



• 




\ . • 



V 

\ 

V 

v- 



^ 



DE GOUD VIN K. 

PYRRHULA VULGARIS. 



Hel geslacht Pyrrlmla wordt in Europa door slechts ééne soort vertegen- 
woordigd. Er bestaan echter van deze soort twee standvastige rassen, waarvan 
het groote het minst algemeene is. 

Vele vogellief hebbers meenen, dat de voorwerpen, tot het kleine ras behoo- 
rende, de jongen zijn van het groote. Enkele ornithologen daarentegen beschou- 
wen ze als twee afzonderlijke soorten, en noemen den groot en GoudvinkP. coccinea 
en den kleinen P. vulgaris, ofschoon zij in kleur noch levenswijze verschillen. 

Het onderscheid tusschen de seksen is bij dezen vogel zeer in 't oog loopend: 
bij de wijfjes wordt namelijk de roode kleur der onderdeelen door graauw ver- 
vangen en is ook het zwart van bovenkop en vleugels minder glanzig. De roode 
binnenvlag aan de eerste kleine vleugelpen ontbreekt steeds bij de wijfjes, en is 
bij sommige mannetjes bijna geheel onzigtbaar. 

In den natuurstaat is de Goudvink rustig van aard, niet schuw, maar zelfs 
vertrouwelijk; althans verbergt hij naauwelijks zijn nest. Men treft hem meestal 
in sombere streken aan, waar dennen groeijen. Hij zoekt bij voorkeur dezen boom, 
met welks zaden hij zich voedt, en op welks hoogste takken hij de woning voor 
zijne nakomelingschap bouwt. Het nest is niet groot; de wanden zijn tamelijk dun, 
doch vast en doorweven; het geheel is half kogelvormig, eenigzins plat en met 
het geheele ondervlak aan den tak gehecht. 

De broeitijd duurt van Mei tot Augustus. Het wijfje legt tweemaal, in Mei 
en in Julij, drie a vijf eijeren; deze zijn van eene licht blaauwgroene kleur en, 
vooral aan het stompe einde, van kleine stipjes voorzien. 

Terwijl het wijfje broeit, brengt het mannetje haar voedsel. Zij verlaat het 
nest alleen bij hooge noodzakelijkheid en is dermate aan haar kroost gehecht, 



dat zij zich liever met de eerste uitwerpselen der jongen als voedsel behelpt , dan 
dat zij hen zou durven verlaten. Zoodra echter de jongen eenige dagen oud zijn 
geworden, hebben zij de moederlijke warmte minder noodig; dan verlaat ook het 
wijfje meermalen het nest, verwijdert de uitwerpselen en gaat nu van broeijen 
tot voeden over, waarbij zij en het mannetje schijnen te wedijveren, wie van 
beiden het beste en meest geliefkoosde voedsel voor de jongen zal aanbrengen. 

De jongen hebben de kleur hunner moeder en krijgen hun volmaakt veder- 
kleed meestal in het volgende voorjaar. 

De vogelhandelaars bestrijken soms de onderdeden van het mannetje met 
vermiljoen, of eenige andere roode kleurstof, ten einde het in veler oog een 
fraaijer voorkomen te geven; deze kleur verdwijnt echter gewoonlijk spoedig. 

De gemiddelde prijs van den Goudvink (het mannetje) is twee en een halve 
gulden; van het nest met de jongen, of dezen zonder het nest, ongeveer een halve 
gulden per stuk (de jonge wijfjes natuurlijk medegerekend). Wanneer zij niet te 
jong zijn, dat wil zeggen, niet beneden de vijf dagen, worden zij met gebrok- 
keld hennepzaad en geweekt brood (zoogenaamd met de pen) grootgebragt. Als 
zij daarentegen meer dan veertien dagen oud zijn of bijna kunnen vliegen, is het 
zeer moeijelijk hen levend te houden, omdat zij dan reeds eenige kennis krijgen 
van het voedsel, dat de ouden hun toedienen. 

Het beste voedsel voor de ouden in gevangen staat is wit zaad. Zij eten ech- 
ter ook gaarne allerhande pitten, jonge bladknoppen en vooral hennepzaad. 

De Goudvink behoort overal tot de meer zeldzame vogels. Die, welke men 
hier te lande in gevangen staat aantreft, zijn meestal uit Duitschland en België 
afkomstig. De grooten worden meestal Duitsche Goudvinken genoemd, en hun 
vooral leert men verschillende aria's te fluiten. Deze kunstmatige zang verschaft 
ons dikwijls veel genot; de omvang der stem wordt daardoor uitgebreider, en het 
geluid zelfs helderder. De vogels, die aan dit vereischte voldoen, zijn dan ook 
natuurlijk veel meer waard dan de anderen, de zoogenaamde „wildzangers". 

Deze fraaije vogel zingt in de kooi van Maart tot September, en soms den 
geheelen winter door, vooral wanneer er andere zangvogels, zoo als Kanaries, in 
de nabijheid zijn; bij voorkeur echter wil hij niet met deze of met andere vogels 
in dezelfde kooi of volière leven. 

De Goudvink bezit zonderlinge eigenschappen, die men bij andere kamervo- 
gels niet of zelden opmerkt, en het is voor den vogellief hebber van groot belang 



deze hoedanigheden Ie kennen, omdat het veelal daarvan afhangt, of de vogel al dan 
niet zingt. Zoo b. v., wanneer men hem van kooi verandert of deze verplaatst, houdt 
de vogel dikwijls op met zingen, en geeft dan zelfs hoegenaamd geen geluid meer, 
totdat hij in zijne vroegere woning of op dezelfde plaats is teruggebragt. Anderen 
willen slechts dan zingen, wanneer zij voor den spiegel staan. — Er bestaan voor- 
beelden, dat sommigen dezer vogels geene vrouwen, anderen daarentegen geene 
mannen kunnen dulden, wanneer dezen hun onbekend zijn. Eene andere eigenschap 
van den Goudvink is, dat hij zijn meester of meesteres zeer goed van de an- 
dere huisgenooten weet te onderscheiden. Hij geeft dan ook door bewegingen en 
door zingen duidelijk zijne tevredenheid te kennen, als zijn meester hem toe- 
spreekt of eenige versnapering geeft. Daarentegen kan hij zich zeer boos maken 
en zelfs bijten naar personen, die hem plagen. Men dient zich hiervoor zeer in 
acht te nemen, daar de aanvallen van woede zóó hoog kunnen stijgen, dat het 
diertje er plotseling aan sterft. 









'■" -■' ",.: : \''i' : d : "" "- ; ■*" -■■; 




.1 T, KcMlIi-ltiru,:. ..'] n.-' 



/ / 










HET ST. HELENAFAZANTJE, 

ESTRELDA ASTRILD. 



Van de vele uilheemsche vogels, welke hier te lande zijn ingevoerd, behoort 
voorzeker dit. vogeltje tot de algemeenste en meest bekende. Het heeft zijn zonder- 
lingen naam ten deele aan zijn vaderland, ten deele aan zijn ranken vorm en 
langen staart te danken. Evenwel wordt het nog anders genoemd, als: Fazantje, 
Senegali, en ook Astrild. Ook is zijn vaderland niet enkel tot St. Helena beperkt, 
maar omvat het bijna de geheele Westkust van Afrika en de nabijgelegen eilanden. 
In Loango en Benguela is het zeer algemeen, in Gabon minder talrijk, op het 
eiland St. Thomas weder menigvuldig, en in Senegal weder zeldzaam; het wordt 
aldaar vervangen door eene zeer verwante soort, die iets kleiner en grijzer is 
(Estrelda cenerea); op Santiago, het voornaamste der Kaap-Verdische eilanden, komt 
het slechts in bepaalde streken en zelden voor. 

Het St. Helena-Fazantje is een vinkachtige zangvogel, die in den vrijen staat 
gezellig leeft, en dikwerf in groote troepen, alsmede in gezelschap van andere 
vogeltjes, wordt aangetroffen. Het houdt zich bij voorkeur in moerassige streken 
of aan de met hoog riet begroeide oevers van rivieren en meren op, alsook in 
die vlakten, welke van hoog gras voorzien zijn; ook in de maïs- en suikerplantages 
komt het vrij talrijk voor, 

Deze vogeltjes klauteren behendig tegen de rietstengels op, schommelen gaarne 
aan de uiterste punten van dunne takjes, en zette zich bovenop een grashalm neer, 
zonder dat deze breekt of geheel nedervalt; zij zijn schuw, voorzigtig, zeer onrustig en 
levendig van aard, vallen plotseling op eene vlakte neder, doch vertoeven er slechts 
eenige oogenblikken, en zijn bijna den geheelen dag in beweging. Onder het vlie- 
weggen roepen zij elkander, uit vrees dat er één van den troep zou afdwalen. 

Zij hebben geen bepaalden broeitijd ; er worden dan ook gedurende het ge- 



heele jaargetijde broeijende paren gevonden, ofschoon elk paar slechts tweemaal 
's jaars nestelt. Het nest is half kogelvormig, klein en, even als dat van de 
kleine Karekiet (Calamoherpe phragmitis), aan stengels van riet of grashalmen 
vastgehecht; somtijds nestelen zij in heesters en struiken en, volgens de inwoners 
van het eiland Santiago, ook in oranjeboomen. 

De eijeren, waarvan er vijf a zeven in één broeisel worden gevonden, zijn 
wit met eenige kleine roode stipjes aan de stompe zijde, en hebben veel overeen- 
komst met die van ons Boomkruipertje. Volgens de inboorlingen van het eiland 
St. Thomas, broeijen zij gezellig; dit komt mij zeer waarschijnlijk voor, ten 
eerste omdat zij gezellig leven, ten andere omdat ik altijd vele jonge voorwerpen 
bij elkaêr in de kooijen zag, waarin zij door de negerjongens te koop worden 
aangeboden. Deze jonge vogeltjes hebben de kleur van het oude wijfje, hetwelk 
zich van het mannetje onderscheidt door de meer gelijk bruine tinten en door- 
dien het de zwarte onderdekveêren der staart mist. De ouden vliegen met de jongen 
rond totdat zij een tweede broeisel aanleggen, waarna die van het eerste zich 
bij een reeds bestaanden troep voegen. Dit geldt ook voor de tweede nakome- 
lingschap, en ook de ouden voegen zich bij een voorbijtrekkenden troep, welke 
daardoor somtijds tot honderd en meer voorwerpen aangroeit. 

Hun voedsel bestaat uitsluitend uit zaden, vooral graszaad, waarmede de 
jongen worden gevoerd. 

Het vangen van deze vogeltjes geschiedt, in de onderscheiden streken waar 
zij te huis behooren, op verschillende wijze, namelijk met netjes, met strikjes of 
ook wel met vogellijm. De eerstgenoemde wijze is wel de doelmatigste, omdat 
men daardoor vele te gelijk kan magtig worden. 

In den gevangen staat houdt men ze gewoonlijk gepaard of in gezelschap omdat 
zij, alleen zijnde, spoedig kwijnen en meestal sterven. Het is echter voldoende, hen met 
andere kleine vogels te zamen te houden, als wanneer zij, beter dan de meeste andere 
uitheemsche kamervogels, het gezelschap hunner soortgenooten kunnen ontberen. 
Ook is het niet volstrekt noodzakelijk, beide geslachten bij elkaêr te houden. 

Hoe grooter echter de volière is en hoe meer vogels daarin aanwezig zijn, des te 
beter zullen de St. Helena-Fazantjes tieren. Bij behoorlijke behandeling zullen zij 
ook in gevangenschap voorttelen. Daartoe is eene groote kooi noodig, omstreeks 
1 Ned. el hoog en lang, en minstens V 3 Ned. el breed, en geheel of gedeeltelijk 
van traliën voorzien; in een der bovenste hoeken van deze kooi plaatst men een 



houten kastje van minstens 1'a kub. palm, met eene opening op zijde, en op 
den bodem van dit kastje een kunstmatig nestje, terwijl in de kooi een wéinig- 
pluis of fijne wol wordt neergelegd. Boven het nestje kan men een of twee stokjes 
aanbrengen. Deze kooi nu, met de daarin aangebragte broeiplaats, wordt met 
een groen kleed of papier geheel overdekt en in de kamer (liefst in eene tuin- 
kamer) opgehangen. Rust en warm weder zijn voor de aanstaande broeijing zeer 
noodig; men mag dus de vogels niet storen, en vooral de kooi niet verhangen, 
maar dient die liefst zóó te plaatsen, dat er des morgens het zonlicht opvalt. Ook 
heeft een weinig gekneusd hennepzaad, onder het gewone voedsel (gierst, witzaad 
en zoogenaamd bosjeszaad) gemengd, meestal eene gunstige uitwerking op het 
broeijen. Hoort men nu, na al deze toebereidselen, gedurende eenige dagen, des 
morgens vroeg, herhaaldelijk een zacht, eenigzins pijnlijk luidend geroep van het 
wijfje, eenige oogenblikken later door het getjilp van het mannetje gevolgd, dan 
is dit een teeken, dat het wijfje reeds eijeren gelegd heeft, en men zal dit als zeker 
kunnen aannemen, wanneer, na eenige dagen, beide vogels zich geheel stil houden. Het 
is nu raadzaam, eens voorzigtig in de kooi te loeren, ten einde er zich van te overtuigen, 
aangezien er voor de aanstaande nieuwe familie eenige toebereidselen dienen gemaakt 
te worden. Indien het wijfje zit te broeijen, moet men tegen den tienden of twaalfden 
dag een weinig hard gekookte ei, fijn gehakt en met beschuitkruimels gemengd, in 
de kooi plaatsen en dit voeder in ieder geval dagelijks ververschen, opdat het 
broeistertje in de behoeften van hare aanstaande nakomelingen kunne voorzien. 

Wanneer de jongen het broeikastje verlaten en zich reeds in de kooi bewe- 
gen, verandere men langzamerhand het gehakt ei in geweekt tarwebrood, en late 
eindelijk ook dit laatste achterwege, wanneer de jongen, omstreeks drie weken 
oud zijnde, zaad kunnen eten; evenwel kan men dan nog dagelijks eenige brood- 
kruimels onder het zaad mengen en het zaad in water weeken, alvorens het hun 
toe te dienen. 

Van de in gevangenschap geteelde voorwerpen sterven er dikwijls velen; de 
ouden bezwijken gewoonlijk aan de gevolgen van ruijing, doordien zij dan te 
veel koude lijden; aan deze laatste oorzaak is het dan ook toe te schrijven, 
dat er zoo velen bij het vervoeren uit hun vaderland naar vreemde gewesten 
verloren gaan, te meer daar dit vervoeren gewoonlijk, bij wijze van speculatie, 
door zeelieden geschiedt, die in den regel weinig geschikt zijn, om op reis kleine 
diertjes behoorlijk te verzorgen. 




c / 



HET BONTE WEÊUWTJE. 

VIÜUA SERENA. 



Onder den bijnaam „Weêuwtjes" kennen wij eenige West- en Zuid-Afrikaan- 
sche vogeltjes, die tot de groote familie der Vinken behooren en om hun langen 
staart en hunne frissche kleuren als kamervogels zeer gezocht zijn en zeer veel 
waarde hebben. 

De oorsprong van hun zonderlingen Hollandschen naam is denkelijk daaraan 
toe te schrijven, dat zij in hun vaderland door de Portugezen Whidahs genoemd 
worden, van welk woord waarschijnlijk de Fransche benaming Veuve en zoo ook 
de Hollandsche naam „Weêuwtje" ontstaan zijn. 

De weinige soorten van dit geslacht bieden onderling wel eenig verschil in 
vorm van snavel aan. De Vidua serena, b. v. , heeft den snavel als de Estrelda's; 
van de Vidua paradisea gelijkt de bek meer op dien der Euplectes (Oranje-Vinken). 
Eigenlijk bestaat het kenmerk van dit geslacht hoofdzakelijk in de verlengde staart- 
pennen. Ook die staartpennen bieden onderling veel verschil aan: bij de eene 
soort zijn zij smal en regt, bij anderen breed, puntig en naar binnen gekromd. 
Bij alle soorten draagt het mannetje een zomer- of liever prachtkleed; voor het 
overige zijn zijne kleuren eenvoudig en aan die van het wijfje gelijk. 

De Vidua serena, de hierbij afgebeelde soort, bewoont de Westkust van Afrika, 
waaronder het eiland St. Thomas, waar zij echter zeldzaam is. In sommige stre- 
ken worden grootere voorwerpen aangetroffen, die echter in kleur geheel met de 
Kleine of Gewone overeenstemmen en gewoonlijk als Vidua principalis beschreven 
worden. Eene zwartere en kleinere soort is kortelings in Angola ontdekt; zij komt 
met de Gewone nagenoeg overeen, doch schijnt meer eene kleinere en donkere 
variëteit, dan wel eene standvastige soort te zijn. 

Het verschil tusschen de seksen is bij deze vogeltjes zeer in het oog vallend, 



wanneer de mannelijke voorwerpen hun prachtcostuum dragen; anders zijn zij 
alleen door een geoefend oog van elkander te onderscheiden. Het wijfje is namelijk 
steeds iets bleeker aan de bovendeelen, en heeft meestal lichter gekleurde pootjes; 
de onderdeden zijn zandkleurig, met flaauwe vlekjes op den krop en langs de zijden; 
de bovendeelen bruinachtig met vlekken op de rugveêren, welke vlekken aldaar 
min of meer duidelijke strepen vormen. De jongen zijn vóór den rui geheel bruin- 
achtig en bijna onmerkbaar gevlekt; tegen den rui worden de vlekken meer 
zigtbaar, maar hun bek is bruin en hunne pooten zijn grijsachtig. Na dien tijd 
zijn hunne kleuren iets donkerder, maar is toch nog geen verschil in de seksen 
op te merken. De zoo schoone kleuren der mannetjes komen eerst tegen den 
paartijd, en dan nog wel van lieverlede, te voorschijn. Na den broeitijd ruijen 
de ouden vroeger dan de jongen. De mannetjes verliezen hunne fraaije kleuren 
en lange pennen bijna geheel door ruijing. Eenige vederpartijen, zoo als van den 
bovenkop en de kleinste vleugeldekveêren, zijn meer aan verkleuring onderhe\ig 
en worden slechts gedeeltelijk of in 't geheel niet door nieuwe vederen vervangen. 
De ruitijd duurt, in den natuurstaat, van Februarij tot April, die der jongen van 
Maart tot Mei, en de broeitijd van November tot Januarij. Tegen Augustus of 
September beginnen de mannetjes te verkleuren, en die verkleuring is bij hen 
binnen ongeveer eene maand afgeloopen, dus spoediger dan bij de andere vogel- 
soorten, die koudere streken bewonen en insgelijks een zomerkleed krijgen. Even- 
wel vindt men ook bij deze soort nog in October voorwerpen, die hun pracht- 
kleed slechts gedeeltelijk bezitten ; waarschijnlijk zijn dit jongen van een tweede of 
laatste broeisel, terwijl de reeds verkleurde, oude voorwerpen zijn. Men kan het 
ook toeschrijven aan de meer gelijkmatige warmte van het klimaat, waardoor het 
er minder op aankomt wanneer de vogels broeijen, zoodat, indien zij buiten den 
gewonen tijd nestelen, dit minder of in 't geheel niet schadelijk voor de jongen 
kan zijn, dan alleen voor zoover zij daardoor later tot wasdom, en bij gevolg ook 
later in 't bezit van hunne volmaakte gekleurde vederen kunnen komen. 

De Weèuwtjes bewonen vooral die vlakten, waarop hoog gras en overvloedig 
lage planten groeijen. Op zulke grasvelden komen gewoonlijk kleine boomen of 
groote heesters voor, aan welker onderste takken de nesten worden vastgehecht. 
De bouwstoffen, die deze vogeltjes voor hun nest bezigen, worden uit de onmid- 
dellijke nabijheid aangebragt, en bestaan derhalve uit doode grasstengels en drooge, 
dunne halmen. Voor het binnenwerk gebruiken zij dunnere plantendraden en aller- 



hande fijn plantaardig pluis. Het nest is bijna rond en heeft eene groote opening 
op zijde. Het getal eijeren van elk broeisel is gewoonlijk vijf a zeven; zij zijn 
vuil wit, met menigvuldige kleine, grijze stipjes bedekt, en doen, wat kleur be- 
treft, aan die der Ringmusch denken. 

Het voedsel der ouden bestaat uitsluitend uit zaden. De jongen worden door 
het wijfje met kleine zaden, vooral met graszaad, gevoerd en vliegen, nadat zij 
het nest verlaten hebben, nog eenigen tijd met de ouden mede, maar blijven nog 
lang op de grasvelden vertoeven. 

Het gewoon geroep dezer vogeltjes komt met dat der Barmen (Acanthls) 
overeen, en de zang van het mannetje is zeer eenvoudig, bestaande alleen uit het 
schielijk herhalen van zijn gewoon geroep; ook laat hij bij afwisseling, vooral 
onder het vliegen, een zacht ratelend geluid hooren. 

Men vangt ze (waaronder vele jongen) met tusschen takken geplaatste strik- 
ken, als ook met kleine rieten kooitjes. 

In de volière geeft men hun gierst, wit zaad en zoogenaamd bosjeszaad. In 
gevangenschap telen zij somtijds, doch zelden, voort, en alleen bij buitengewoon 
goede behandeling; daartoe wordt vooral eene bijzonder groote volière vereischt, 
die, even als bij den Rijstvogel, van rietmatten of bossen los riet voorzien 
moet zijn. 



DE KANAEIEVOGEL. 

FRINGILLA GANARIA. 



Kanarievogels behoorcn tot de Vinkenfamilie , doch vormen, met nog eenige 
soorten, het door velen aangenomen nieuwe geslacht Serinus of Crithagra. De 
wetenschappelijke soortnaam Canaria of canarius beteekent eigenlijk: »iets wat de 
honden betreft". Dit heeft echter waarschijnlijk minder betrekking op den vogel 
zelven, dan wel op zijn oorspronkelijk vaderland. De Kanarie, deze thans zoo alge- 
meen verspreide vogel, is namelijk van de Kanarische eilanden en van Madeira, 
afkomstig. In het begin der vijftiende eeuw werd hij voor het eerst, en wel uit 
Madeira, in Europa aangevoerd. 

Tegenwoordig worden deze vogels, in den natuurstaat, op eerstgenoemde 
eilanden schaars, op Madeira echter menigvuldigcr aangetroffen; daar komen zij 
tot in de tuinen der stad (men houde in het oog, dat op Madeira de tuinen hoofd- 
zakelijk in en nabij de stad gevonden worden) en zingen er bijna het gcheele jaar 
door. Het zonderlingst is, dat die Kanarievogels, welke op Madeira in menigte te 
koop worden aangeboden, niet van die plaats zelf of van de Kanarische eilanden 
afkomstig, maar uit Europa daar aangevoerd zijn. Daar nu dezen gewoonlijk geel 
zijn en er slechts weinig bonte of groene voorwerpen onder gevonden worden, 
heeft dit, in verband met het algemeen bekende feit, dat deze vogelsoort in den 
vrijen staat op Madeira wordt aangetroffen, sommigen tot de meening geleid, dat 
de Kanarievogel oorspronkelijk geel zou zijn. Dit is echter niet het geval, en de 
oorspronkelijke kleuren, die der type, zijn de volgende: Bovenkop, wangen en rug 
grijsachtig groen met donkere, overlangsche strepen; iets meer grijs in den nek 
onder of achter de oorstreek; voorhoofd en eene streep boven het oog groenachtig 
geel; kleine vleugeldekveêren en stuit, dezelfde kleur, doch iets bruiner, of liever, 
meer vuil chromaat- en minder groengeel; de geheele onderzijde flets geel; aan beide 



zijden van de borst en langs de zijden van het ligchaam met olijfgroene, donkere, ge- 
vlekte strepen of vlekken; staart en vleugels donker olijfbruin; bek hoornkleurig; 
pooten ros, en iris donkerbruin. Het wijfje heeft minder grijs in den nek, hare tinten 
trekken op de bovendeelen meer naar het rosse. De eenjarige jongen hebben dezelfde 
kleuren als het oude wijfje, doch zijn, wanneer zij het nest verlaten, niet zoo geel, 
en meer gestreept aan de onderdeelen. 

In hun oorspronkelijk vaderland nestelen deze vogels in heesters, oranje- 
boomen, zelfs in de bloemrijke prieelen der tuinen. Daar er de daken der huizen 
bijna allen vlak zijn en op vele dier daken tuinen en prieelen zijn aangebragt, 
zou men kunnen zeggen, dat de Kanarievogel in den vrijen staat op, en in gevan- 
genschap in de huizen broeit. Meestal vindt men de nesten in struiken, zelden in 
hooge boomen. Deze nesten zijn op gelijke wijze vervaardigd, als die van onzen 
Groenling, en bevatten gewoonlijk vier a zes eijeren, fletsblaauw van kleur en 
met eenige roode vlekjes aan het stompe einde. 

Op Madeira betaalt men p. m. 1600 rs. = f4 voor een mannetje en 2000 rs. 
voor een paar. Wat mij, tijdens mijn verblijf aldaar, zeer zonderling voorkwam, 
was, dat de te koop aangebragte gele of bonte voorwerpen ruim driemaal 
zoo duur waren, als die er door de vogelaars gevangen worden. Een koopman 
zeide mij, dat de gele „Canarios", en de anderen slechts „Canarinhos" waren. 
Zooveel is intusschen zeker, dat de in gevangenschap geteelde voorwerpen krach- 
tiger zingen, dan de in vrijheid levende. 

Even zonderling is het verschijnsel, dat de aldaar uit Europesche voorwerpen 
geteelde jongen de kleuren der ouden behouden, niettegenstaande zij weder in 
hunne eigen luchtstreek zijn teruggebragt. Vangt men er de typen, dan telen 
dezen moeijelijk zoolang zij aldaar blijven; brengt men ze daarentegen naar eene 
andere luchtstreek, dan volgt onmiddellijk, doch langzaam, de verkleuring. 

Zoodra deze vogels het genot der vrijheid missen, in andere klimaten verplaatst 
zijn, en dus geen hunner soortgenooten in de schoone tuinen van Madeira meer 
kunnen hooren, paren zij en planten zich van generatie tot generatie voort. De 
verklaring van dit verschijnsel is in het volgende te vinden. Die voorwerpen, 
welke in hun oorspronkelijk vaderland gevangen worden, zien en hooren daar 
hunne vrije makkers; zij nemen aan dezen gestadig de ook hun eigen natuur- 
waar, en worden zoodoende gedurig aan hunne gevangenschap herinnerd. Ver- 
keeren zij daarentegen onder andere omstandigheden, dan vergeten zij van liever- 



lede hun oorsprong, en zoeken waarschijnlijk hun troost in het gezellige leven. 

De Kanarievogel in den vrijen staat verschilt aanmerkelijk van die voorwer- 
pen, welke men in de volières aantreft; evenwel worden er ook onder dezen soms 
wel eenige gevonden, die, wat de kleur betreft, de type zeer nabijkomen. 

Wat de Nachtegaal in het woud is, dat is de Kanarievogel in de kamer. Geen 
vinkachtige zanger heeft krachtiger geluid, en zingt zoo liefelijk, zoo veel en zoo 
lang als de Kanarie. Het is in den volsten zin van het woord een huisvogel; 
want overal treft men hem aan; bij arm en rijk (in Holland vooral bij bar- 
biers en schoenlappers), in de kleinste kooitjes zoowel als in de grootste en 
prachtigste volières, bekleedt de Kanarie eene voorname plaats. Weinig dieren 
hebben dan ook zoo veel regt op den naam van tam; Hoenders en vijvervogels 
kunnen in hun eigen onderhoud voorzien, maar de Kanarie is geheel afhankelijk 
van het menschdom; want in vrijheid gelaten, sterft hij spoedig van ellende, zoo 
hij niet uit eigen beweging het een of ander open venster komt binnenvliegen, 
om daar eene nieuwe gevangenis te zoeken. 

Even als bij alle tamme vogels het geval is, bestaan er ook van de Kanaries 
verschillende rassen. Daaronder zijn er, die, wat den vorm betreft, aanmerkelijk 
van de type verschillen, zoo als de zoogenaamde Brabanders, die men ook wel 
Saksische noemt. Deze hebben een langer staart, grover bek en krachtiger, vooral 
hooger, pooten. Hunne kleur is zelden anders dan geel. Een ander, kleiner ras 
noemt men dikwijls Zwaluwstaarten, omdat hun staart meer vorkvormig is. Weer 
anderen, met gekroesde bovenkop veeren, noemt men Kuivers; deze zijn meestal 
bont. De groene zijn in den regel kleiner dan de zoogenaamde Saksische of Zwa- 
luwstaarten; zij hebben een korter staart, korte, donkere, zwakke pootjes, een 
klein bekje en kleine oogen. Nog andere, die een donkerder en meer bruin veder- 
kleed hebben en iets langer zijn, noemt men Filemotten, welk woord waarschijnlijk 
eene verbastering van Phüomela is. De donkere hebben in den regel een meer 
kwelenden zang. 

Onder die vogels, welke onder den algemeenen naam Kanarie bekend zijn, 
zonder dat zij tot een bepaald ras behooren, komen veelvuldige afwijkingen 
in kleur voor, als: 1°. gele met roode oogen; 2°. effen goudgele; 3°. bleekgele; 
4°. gele met witte vleugels; 5°. geelbonte; 6°. bruinbonte (bruingroen en licht- 
geel), 7°. groenen met een gelen bovenkop en 8°. isabellen, welke zeer zeldzaam 
zijn. Wat de kleuren betreft, kan men het er niet anders voor houden, dan dat 






de gele bepaalde variëteiten zijn (even als er van de meeste vogels witte variëtei- 
ten worden gevonden), terwijl daarentegen de groene voorwerpen minder variëtei- 
ten zijn, dan wel geringe afwijkingen van de type, ten gevolge van het verschil 
van luchtstreek. Uit de eerste (de bepaalde variëteiten) kweekt men soms bonte, 
zoodat dan de oorspronkelijke kleur weder te voorschijn komt. Uit de groene of 
donkere kweekt men nooit gele, tenzij een der beide ouden niet uit bonte geteeld 
en toevallig donker was; want uit een donker mannetje en geel wijfje komen wel 
eens geheel groene, zoowel als bonte jongen voort. 

De zang der Kanarievogels staat eenigzins in verhouding tot den omvang van 
hun ligchaam. Groote, zware vogels zingen krachtig; kleine, teêre vogels daaren- 
tegen zwakker. Daar de Kanaries den zang van andere vogels nabootsen, kunnen 
zij ook zeer verschillende geluiden voortbrengen. De in Saksen en Tyrol geteelde 
worden reeds jong bij Nachtegalen gehangen, blijven dus lang in het gezelschap 
van andere goede zangers, en nemen verschillende hunner strophen aan; daaraan 
is het toe te schrijven, dat men hen als de beste zangers beschouwt. Deze Sak- 
sische Kanaries worden dan ook steeds duurder verkocht dan andere. De koop- 
lieden, die ze bij ons invoeren, kennen aan hunne vogels verschillende eigenschap- 
pen toe, als fluitende: nachtegaal-, rol- en bel-slag. Men vindt er dikwijls goede 
zangers onder, hoewel een goede onder de zingende vereeniging niet altijd zijn 
best doet wanneer hij alleen is. De kooplieden ruilen ook; soms hebben zij, al 
reizende, hun geheelen voorraad ingeruild voor andere voorwerpen van minder 
zangtalent, en dan koopt men een Hollandsen product van een Saksischen koop- 
man. Vandaar dat sommige liefhebbers maar geen voorkeur aan de Saksische 
Kanaries kunnen geven. 

Bastaarden van wijfjes-Kanaries met mannetjes van andere vinkachtige vogels 
zijn niet zeldzaam; men kweekt b. v. jongen uit denGeelvink (Serinns meridlonalis), 
den Distelvink, het Sijsje, den Groenling, den Vink, de Kneu, de Huis- en Ring- 
musch, ook den Goudvink, en van de uitheemsche soorten uit Crühagra butyra- 
cea, Cr. sulphurata, en Cyanospiza ciris. In Zuid-Amerika leeft een vogel, die daar Cana- 
rio heet (Fr. brasiliensis) en dikwijls met den daar ingevoerden Kanarievogel paart. Daar- 
entegen zijn paringen tusschen de mannetjes van den Kanarie en de wijfjes van genoemde 
soorten zeldzaam. De meest voorkomende en gemakkelijkst te verkrijgen bastaarden 
zijn uit den Groenling of den Distelvink. Dergelijke paringen geschieden echter 
alleen wanneer men voor het volgende zorg draagt: het wijfje-Kanarie moet jong 



(éénjarig) zijn óf nooit met een mannetje van hare soort gebroeid hebben, en zij 
mag ook geen andere Kanaries hooren of zien. Dit geldt ook voor de soort, waar- 
mede men haar tracht te vercenigen. In de meeste gevallen mislukt echter de 
kunstparing; óf de eijercn zijn onbevrucht, óf de brocister verlaat ze, óf de jon- 
gen sterven vroeg. 

Willen de Kanaries onderling in gevangenschap voorttelen, dan dienen de 
voorwerpen niet te veel in leeftijd te verschillen; ook moet men daartoe geene 
vogels bijeenbrengen, die reeds eenige jaren bereikt hebben zonder ooit gepaard 
geweest te zijn. De kooijen, waarin men ze houdt, moeten zóó zijn ingerigt, dat 
het wijfje op het nest niet gezien wordt en ook zelf niet te veel ziet. Rust is 
een hoofdvereischte. Als het laatste ei, het vierde of vijfde, gelegd is, laat men 
voorzigtig het mannetje in een ander kooitje overgaan, opdat hij het broei- 
jende wijfje niet hindere. De nesten moeten niet bestaan uit mandjes van hooi, 
met paarden- of varkenshaar gevuld, welke men er gewoonlijk voor bezigt, doch 
die inderdaad ondoelmatig zijn, maar uit een kunstmatig in elkander gewerkt 
bakje of nestje van mos en geplukt vilt. Men legt daar zachte wol en veeren in, 
en ook wat veeren en pluis in de kooi; dan kunnen de vogels het zoo schikken, 
als zij 't zelf het best vinden. Men brenge, zoodra de eijeren 10 a 12 dagen be- 
broeid zijn, wat gehakt ei en gekneusd hennepzaad (waarvan men de schillen 
wegblaast), met een weinig beschuitkruimels onder elkaèr gemengd, in den etens- 
bak. Men lette er vervolgens op, of den dertienden dag de jongen zijn uitgekomen, 
waarop men weder versch voeder aanbrengt. Dikwijls, vooral de eerste maal, 
broeit het wijfje veertien dagen, en komen er niet altoos uit alle vier eijeren 
jongen te voorschijn. In ieder geval moet men, zoodra er jongen zijn, eiken dag 
versch voeder in den bak doen. Zoodra de jongen 18 a 22 dagen oud zijn, moet 
men er wat minder ei onder mengen, maar geeft men, daarvoor in de plaats, 
in een afzonderlijk potje, wat in suikerwater geweekt, tarwe- of wittebrood. 28 
a 35 dagen na het uitkomen beginnen de jongen reeds uit eigen beweging te 
pikken, doch worden nog aanhoudend door de moeder gevoerd. In den regel 
zijn de jongen binnen 4 weken reeds in staat op het nest te komen, en binnen 
5 weken springen zij al door de kooi. Evenwel is er voor dat alles geen vaste 
tijd te bepalen, daar er meestal tusschen het eene en het andere broeisel nog al 
verschil bestaat. Gedurende de eerste weken is het raadzaam, de jongen op ge- 
weekt zwartzaad, hennepzaad (gekneusd), broodkruimels en wat fijne witte suiker 



te houden; het. ei mogen zij tot na de tweede maand nog hebben, en men moet 
bun dit nimmer in eens, maar steeds van lieverlede onthouden. Jong groen, 
zoo als muur- en kruiskruid of een blaadje kropsalade, is voor de jongen eene 
behoefte. 

Vóór zij zes weken oud zijn, moet men ze niet van de moeder scheiden, en 
zelfs na die scheiding moeten zij nog eenige dagen nabij de kooi hunner moeder 
hangen. Sommige liefhebbers overhaasten zich daarmede, ten einde van het wijfje 
spoediger weder andere jongen te verkrijgen. Langzaam-aan is echter veel beter; 
dan krijgt men toch even veel jongen; want, als men van de ouden te veel vergt, 
dan blijven de jongen zwakker en daardoor minder geschikt om de aanstaande 
gevaarlijke ruijing te doorstaan. Nu en dan ziet men wel eens, dat de moeder 
baar kroost mishandelt, hun de veeren uitplukt, ze te weinig voert of het nest 
uitwerpt. Tegen het uitplukken van veeren is een zeer afdoend middel te vinden 
in het plaatsen van losse veeren nabij het nest en tusschen de traliën. Voert de 
moeder niet genoeg, dan moet men een klein bakje met voer vlak naast het nest 
brengen, zoodat zij er uit kan nemen zonder zich van het nest te verwijderen; 
want het te weinig voeren ontstaat gewoonlijk doordien de moeder te vast of te 
lang broeit of doordien zij eene meer natuurlijke eigenschap bezit, namelijk die 
van te wachten totdat het mannetje haar het voer komt aanbrengen. (Gekooide 
vogels zijn er niet altijd van bewust, dat zij onder andere omstandigheden dan in 
vrijheid leven.) Als het wijfje hare jongen het nest uitwerpt, is dit gewoonlijk te 
wijten aan de onvoldoende hoedanigheid van het. voeder, of van het nest waarin zij 
lagen; daartegen is geen ander middel aan te wenden, dan een zachter en dieper 
nest te geven en steeds voor versch voeder te zorgen. 

Er bestaan nog verschillende toevallige en moeijelijk verklaarbare oorzaken 
van het mislukken der broeijing; in de meeste gevallen echter gelukt zij indien de 
ouden gezond, de kooijen goed ingerigt en de nesten voldoende zijn, en indien 
de vogels rustig hangen, goed voeder krijgen en voorzigtig schoongemaakt wor- 
den, terwijl het wijfje broeit. 

Kanaries worden soms wel vijf en twintig jaar oud, en sterven gewoonlijk 
óf van ouderdom óf in den rui. Ook andere kwalen, zoo als verstopping, zwakte, 
indigestie, flaauwte of apoplexie en onbevredigde natuurdrift, veroorzaken velen 
den dood; maar door goede oppassing en juiste behandeling der vogels kan men 
vele dezer ongemakken voorkomen of genezen. 



\ 




J G Keulemans, ad nat. 



r //r////^/v// 



P W jVi Ti 



DE NONPAREIL. 

FRINGILLA CIRIS. 



Onder den naam „Nonpareil" of „Sanspareü" kennen wij een vogel, die in 
Noord-Amerika te huis behoort en dikwijls bij ons als kamervogel wordt aange- 
troffen. Er bestaat voor dezen vogel tot nog toe geen Hollandsche naam; in zijn 
vaderland wordt hij Pape, Tanager en ook Nonpareil genoemd, welke laatste 
naam van zijn fraai gevederte is afgeleid. Hij komt in vorm het meest de Mus- 
schen (Passer) nabij en maakt met nog eenige andere soorten het ondergeslacht 
Cyanospiza uit. In zijn vaderland wordt hij, om zijne fraaije kleuren, veel in 
kooijen gehouden. Hij is aldaar een trekvogel, die 's winters tot het Zuiden van 
Canada, soms ook tot Mexico trekt. 

Het mannetje heeft des zomers een prachtkleed, zeer verschillend van zijn 
winterlooi. Bijgaande afbeelding is naar een in zijn vaderland geschoten voorwerp 
vervaardigd, omdat de in gevangenschap verkeerende voorwerpen soms aanmer- 
kelijk van den grondvorm afwijken. In hun winterkleed hebben de mannetjes de 
onderdeden helder chromaatgeel, de kop donker cobalt-blaauw, rug en vleugel- 
dekveêren grijsachtiggroen, staart- en groote vleugelpennen groen naar het olijf- 
kleurige trekkende, en den bek meer bruinachtig, terwijl de roode kleur der oogleden 
dan geel is. In hun zomerkleed zijn de onderdeden, de oogleden en de stuit hel- 
der ceriserood; de kop, namelijk de wangen, bovenkop en nek, donker ultramarin- 
blaauw; de rug en schouderveêren helder groen; de vleugelpennen der tweede 
orde, aan de buitenvlag bruin en naar het roode trekkende, aan de punt van liever- 
lede tot groen overgaande, en aan de binnenvlag bruinzwart; de eerste rij 
vleugeldekveêren aan den wortel rood-, aan de punt groenachtig; de overige don- 
kerrood; de staartpennen donkerbruinrood, Bij zeer oude mannetjes worden staart- 
en kleine vleugelpennen soms geheel vuurrood. 



Het wijfje draagt het geheele jaar door een vederkleed, dat eenigermate 
naar het winterkleed van het mannetje gelijkt; zij is veel fletser van kleur, en het blaauw 
aan den kop is bij haar flets groen. De jonge vogels zien er, van het tijdstip dat zij het 
nest verlaten, tot aan den eersten rui, bijna als het oude wijfje uit, maar zijn blanker aan 
de onderdeelen en op den rug meer naar het bruine overgaande. Na den eersten 
rui zijn de seksen reeds te onderscheiden, ofschoon de mannetjes dan hunne 
winterveêren krijgen. Eerst in het daaropvolgende voorjaar komen de fraaije 
kleuren langzamerhand te voorschijn, terwijl de overgang van het pracht- tot het 
winterkleed door ruijing geschiedt. 

Deze vogeltjes maken hunne nesten, op of tusschen takken, deze zijn soms nap- 
vormig, soms rond; in het laatste geval is de ingang naauw en op zijde. Het wijfje 
legt vier a zes grijsachtig witte, donker gevlekte eijeren. De jongen worden met 
zaden en insecten gevoerd, terwijl de ouden des zomers hoofdzakelijk kleine 
rupsen en spinnen, en 's winters zaden en bezien eten. 

In de gevangenschap, waarin zij zoowel alleen als gepaard kunnen leven, 
geeft men hun wit zaad, gierst en bij afwisseling eenig gekneusd hennepzaad. 
's Winters moet men hen binnenshuis houden. Over 't algemeen dient hunne kooi 
ruim te zijn, zoodat zij er in kunnen rondvliegen. Zij baden zich ook gaarne en 
zijn zeer levendig van aard, terwijl de mannetjes ook in de gevangenschap een 
zachten, aangenamen zang laten hooren. Vooral wanneer zij lang gekooid zijn, 
hebben deze vogels veel aanleg om vet te worden, waardoor zij echter dikwijls 
een groot aantal veeren verliezen, meestal zelfs aan de gevolgen daarvan sterven. 

Onder de voorwerpen, die wij in gevangenschap aantreffen, komen dikwijls, 
en vooral bij de mannetjes, zeer zonderlinge, maar niettemin fraaije kleurspelingen 
voor, waarbij meestal de vederen van het zomer- en winterkleed gelijktijdig aan- 
wezig zijn, zoodat men soms voorwerpen in hun prachtkleed met een groenen 
staart of met geheel groene vleugels kan aantreffen; ook zijn somtijds de oogleden 
geel, in plaats van rood. Zulke kleurspelingen, welke eigenlijk niets dan onvol- 
maakte verkleuring zijn, zijn meestal standvastig. Soms ook komt het zomerkleed 
slechts gebrekkig of in het geheel niet te voorschijn. 



■I 







v 
x 

\ 

v 



V 



Westkust bewonen deze vogeltjes de grasvlakten der hooge bergstreken. In het 
geboomte vindt men ze weinig. In de eerstgenoemde streken houden zij zich meer 
in de laagte, vooral in moerassen op. Steeds vliegen zij in troepen, en zelfs ver- 
eenigen zij zich met andere vogels tot zwermen, die, door het overgroot aantal, 
onder het opvliegen zooveel geraas maken, dat men aan het rollen van den don- 
der denkt. 

De mannetjes in hun prachtkleed zijn van de wijfjes te onderscheiden door 
hun rooden kop. Na den broeitijd daarentegen is er geen uiterlijk verschil tusschen 
de seksen op te merken. De jongen, die nagenoeg de kleuren der ouden hebben, 
herkent men spoedig aan hun lichter gekleurden, meer geelachtigen snavel, aan 
hunne vleeschkleurige pooten en donker blaauwzwarte iris. Hun vederkleed is 
echter in het eerste jaar nimmer zoo donker gestreept, als dat der oude voor- 
werpen. 

Gewoonlijk begint het mannetje in Augustus te verkleuren; evenwel is de 
tijd, waarop men volmaakt gekleurde voorwerpen aantreft, zeer onbepaald; althans 
ik trof, het geheele jaar door, zoowel gedeeltelijk als geheel roodkoppige aan; 
de meesten echter van Julij tot November. De verandering van het eenvoudige tot 
het prachtkleed geschiedt door langzame verkleuring der vederen; de roode kop- 
veêren verdwijnen na den broeitijd door ruijing. Bij deze vogels schijnt intusschen 
eene uitzondering op den regel te bestaan, deze namelijk, dat er voorwerpen ge- 
vonden worden, die na de ruijing hunne prachtkleur behouden, dus nieuwe veeren 
van dezelfde kleur terugkrijgen. Ik moet dit althans onderstellen, vermits ik wel 
eens ruijende vogels van deze soort geschoten heb, die nieuwe vederen (stoppels) 
van eene roode kleur bezaten. 

De broeitijd duurt van Julij tot September; evenwel worden ook nog in No-< 
vember nesten met eijeren gevonden. In die streken, waar deze vogel voorkomt, begint 
men na den regentijd (October, November) met den aanleg van plantages, waarbij 
dikwijls groote grasvelden worden opgeruimd. Bij zulke gelegenheden vonden de 
arbeidende negers menigmaal nesten, die groot en van droog gras gemaakt waren, 
en waarvan de opening zich op zijde bevond. Dergelijke nesten, maar van eene 
andere zamenstelling, namelijk met de opening van onderen, werden mij soms 
ook ter hand gesteld, en ik geloof dat beide van ééne en dezelfde soort, en wel 
van den Roodk op-Wever waren. De bouwstoffen zelve, alsmede de wijze, waarop 
die bouwstoffen zaamgeweven waren, toonden duidelijk genoeg aan, dat ze vaneen 



Vergelijken vogel moesten zijn; en aangezien ik in die vlakten geene andere vinkachtige 
vogelsoort dan den Roodkop waarnam, meen ik dat die nesten hun aanzijn aan bek en 
pooten van PI. erythrops te danken hadden; zij waren cenigzins bolvormig, buiten- 
gemeen veerkrachtig en, door middel van de vrij harde grasstengels en drooge, 
harde plantendraden, degelijk in elkaêr geweven; van binnen waren zij met 
dunnere grashalmpjes en grasbloemen gevuld; de opening was rond en eenigzins 
vooruitstekend, even alsof de materialen rondom den ingang er later en afzonder- 
lijk waren aangebragt. De nesten, die aan stengels hingen en den ingang onderaan 
hadden, waren meer peervormig, naar beneden zeer breed en eenigzins zaamgedrukt. 

Gewoonlijk bevatte ieder nest 3 jongen; slechts eens zag ik er een met eije- 
ren, welke bijna uitgebroeid waren; ten minste, er waren reeds levende jongen 
in. Deze eijeren waren geheel geelachtig grijs, te naastenbij dezelfde tint als die van 
een gewonen slijpsteen (oliesteen), welke kleur zij waarschijnlijk door het bebroeid 
worden, hadden verkregen; aangezien de eijeren van Wevers over het algemeen 
blaauw zijn. 

Het voedsel van dezen Wever bestaat in allerhande zaden, vooral graszaad, 
jong groen en de meeldradcn van vele bloesems; ook palmbloemen worden door 
deze vogels gretig verslonden. Waarschijnlijk eten ze ook insecten, hoewel ik nim- 
mer eenig spoor daarvan in hunne maag vond. In maïsvelden is deze vogel even 
schadelijk als de Rijstvogel op Java, te meer daar hij nooit alleen, maar altijd in 
groote troepen vereenigd die velden bezoekt. Daar houden zij zich dan gedurende 
het grootste gedeelte van den dag op, klauteren 's morgens vroeg en tegen den 
avond tegen maïsstengels naar boven, en verslinden de zaden. Dikwijls houdt zich 
eene geheele bende Wevers in een graanveld op, zonder dat men er één van gewaar 
wordt, daar zij zich bij naderend gevaar verschuilen. Komt men hen te digt nabij, dan 
vliegt de zwerm op eens omhoog, en strijkt een weinig verder weder neer, om, 
zoodra zij de kans schoon zien, naar de vorige plaats terug te keeren. 

Zij zijn schuw en rnoeijelijk te vangen, zelfs moeijelijk te schieten, daar men 
ze niet ligt onder schot kan krijgen. Wel vangt men ze dikwijls met kleine netjes, 
maar daarin raken zij toch niet zoo spoedig gevangen, als de meeste andere vogels, 
die in dezelfde streken wonen. 

De gevangenschap verduren zij zeer goed, als men hun eerst versch, daarna 
gedroogd zaad, als gierst, hennep- en witzaad, geeft. 

Het zijn in de gevangenschap regt aardige vogels; even als de Roodbek- Wever 



(PI. sanguinirostris), maken zij in de kooi van allerhande pluis of draadjes een 
weefsel: zij trekken en vlechten namelijk die stoffen over elkander, hechten ze aan 
de traliën en ruststokjes vast, en maken soms de geheele kooi zoo digt, dat men 
de vogels zelve bijna niet meer zien kan. In groote volières met andere vogels 
vereenigd, maken zij zelden van hunne vaardigheid gebruik, althans weven zij dan 
nooit zoo aardig als in kleinere kooijen. 

In gevangenschap broeijen zij soms ook; maar daartoe moeten zij zich ineene 
groote volière vrij kunnen bewegen en door niets in het broeijen gestoord worden. 

Wijfjes, die lang in de kooi hebben vertoefd, krijgen soms ook een rooden 
kop, zoodat zij dan de kleuren van het mannetje aannemen. Nu en dan, doch zel- 
den, worden er ook zwarte verscheidenheden van deze vogelsoort aangetroffen. 



^ 




DE OKANJEVINK. 

EUPLEGTES ORYX. 



De naam Oranjevink, Oranjevogel, Vuurwever of Oranjewever wordt over het alge- 
meen voor drie verschillende weverachtige vogels gebezigd. De hier afgebeelde en 
grootste soort wordt door sommigen ook Vuurvogel genoemd, hoewel deze naam meer 
toepasselijk is op eene verwante, kleinere soort (Eupledes ignicolor). Er bestaan 
drie oranje en zwart gekleurde soorten, die, omdat bij haar de mantel- of ach- 
terdekveêren eenigzins verlengd zijn en naar een kraag gelijken, ook Franciskanen 
genoemd worden. 

Het geslacht Eupledes bevat slechts eenige soorten, waarvan de meeste ook 
in gevangenschap worden aangetroffen. Deze Afrikaansche vogels komen in vorm 
het meest de Wevers (Ploceus) nabij, van welke zij zich echter onderscheiden 
door hun stomperen bek, hun langer ligchaam en door den vorm hunner pooten, 
van welke de teenen van lange nagels voorzien zijn, en de nagel van den achterteen, 
ofschoon gekromd, zelfs bijna even lang is als die teen zelf. Deze vogels zijn, behalve aan 
hunne krachtige kleuren, nog te herkennen aan hunne fluweelachtige vederen, welke 
op de onderdeelen, den bovenkop en den nekkraag aan het einde als afgesneden 
zijn. Zij hebben die fraaije kleuren alleen in hun prachtkleed; in het winterkleed 
bieden de mannetjes en wijfjes geen verschil van kleur aan. 

De Eupledes oryx bewoont het Zuiden en Zuid- Westen van Afrika. Het man- 
netje is in zijn winterkleed rosachtig wit aan de onderdeelen, iets donkerder op 
den krop, alsmede op de zijden, welke min of meer donker gevlekt zijn; de 
vleugels zien er evenzoo uit als in het prachtkleed, maar de schouderveêren 
zijn graauw, met vlekken langs de schachten; rug, nek en bovenkop zijn licht 
geelachtig bruin of zandkleurig, met donkere overlangsche vlekken; de bek is 
hoornkleurig. Zij zijn moeijelijk van de wijfjes te onderscheiden, vooral wanneer 



zij nog jong zijn; overjarige mannetjes behouden echter bijna altijd eenige rood- 
achtige veertjes aan de zijden van den krop en aan de stuit. 

In den vrijen staat broeijen zij van October tot Maart, soms iets vroeger of 
later, maar altijd na den regentijd, welke in de eerste weken van September 
begint en in October eindigt. Zij nestelen in het hooge riet, langs de rivieren, 
in suikerplantages, in het hooge gras, in heesters of tusschen takken van lage boomen; 
daar vervaardigen zij van droog gras of fijne plantdraden een groot, rond nest 
met eene naauwe opening van boven of op zijde. De eijeren, waarvan er vier a 
zeven in een broeisel gevonden worden, zijn bleek groenachtig blaauw en gelijken 
dus in kleur veel op die van den Gewonen Spreeuw; zij worden alleen door het 
wijfje uitgebroeid. 

De jongen worden met zaden, vooral met graszaad, opgevoed; de ouden 
eten ook insecten. Geruimen tijd nadat de jongen het nest verlaten hebben, ver- 
toeven zij nog in het hooge gras, en blijven tot het tweede broeisel in het 
gezelschap der ouden. Na het tweede en laatste broeisel vereenigen deze vogels 
zich in troepen, meestal ook met andere vinkachtige vogels. 

Hun gewoon geroep, dat zij vooral onder het opvliegen doen hooren, heeft 
veel overeenkomst met dat der Ringmusch, maar is iets krachtiger. Soms ook 
laten de mannetjes, terwijl zij aan de uiterste takken van lage boomen hangen en 
daarbij, even als onze Spreeuwen, met de vleugels slaan, eene soort van zang 
hooren, in een scherp ratelend geluid bestaande. Even als de Wevers, zijn zij 
gewoon, zoodra zij een roofvogel of eenig ander gevaar bespeuren, in het 
hooge gras te schuilen; zij dalen dan voorzigtig langs de grasstengels naar 
den grond, en blijven daar onbewegelijk zitten. 

In de gevangenschap worden deze vogels zeer mak. Zij kunnen de koude 
niet verdragen, en men zal dus wel doen met ze het geheele jaar binnenshuis te 
houden. Ook dient men ze in de volière gepaard, althans eenige hunner bij elkaêr 
te laten, vermits zij, alleen blijvende, spoedig wegkwijnen. Men voedt ze met 
gierst, wit- en hennepzaad; zij eten ook gaarne lijnzaad en suiker. 

Het verkleuren der mannetjes in gevangenschap begint gewoonlijk in het 
najaar; eerst komen dan de oranje- en later de zwarte vederen te voorschijn. 

Aangaande dit verkleuren heb ik het volgende opgemerkt. Daar echter mijne waar- 
neming op een vogel in de kooi gedaan is en de kleursverandering dan dikwijls afwijkt 
van de gewone wijze waarop de vogels hun prachtkleed krijgen, kan ik moeijelijk als 



zeker stellen, dat de verkleuring bij de in vrijheid levende voorwerpen op dezelfde 
wijze geschieden zou. Ik heb dan opgemerkt, dat de fluweelachtige, zwarte veeren op 
borst, buik en bovenkop bijna geheel door ruijing te voorschijn kwamen; dat daaren- 
tegen de zwart gevederde ooren, de roodachtige rug- en schouderveêren, evenals de 
roode stuit en de boven- en onderdekveêren van den staart, langzamerhand aan het 
ligchaam verkleurden, zonder uit te vallen; voorts dat aan den nekkraag eerst 
tusschen de graauwe veeren zich eenige roode vertoonden, terwijl de overige nek- 
veêren uitvielen en gedeeltelijk door geheel roode, gedeeltelijk door nieuwe graauwe 
vervangen werden, welke laatste echter van lieverlede de oranjeroode kleur aannamen. 
De bek werd, van bruin, langzamerhand zwart. De vleugels en staart echter ondergingen 
volstrekt geene verandering. Om tot de verklaring van deze zonderlinge verkleuring 
te komen, heb ik eenige in hun vaderland geschoten voorwerpen onderzocht, en 
bevonden, dat de kleur van staart en vleugels in alle jaargetijden dezelfde is, en 
dat het verkleuren van sommige vederpartijen, namelijk die van nek-, krop-, 
borst- en buikveêren, door langzame ruijing geschiedt. Het schijnt dus dat deze 
vogels, tegen den gewonen regel in, van den winter naar den zomer gedeeltelijk 
ruijen en na den zomer (na den broeitijd) weder gedeeltelijk of geheel van vederen 
verwisselen. Men houde hierbij in het oog, dat de zomer, of liever, de tijd waarop 
de Oranjevinken in hun vaderland verkleuren, gelijkstaat met het najaar of den 
winter hier te lande. Er zijn evenwel voorbeelden van voorwerpen, die, nadat zij 
lang gekooid geweest en daardoor van lieverlede aan ons klimaat gewoon geraakt 
waren, gelijktijdig met onze inlandsche vogels van kleuren verwisselden. 




. }d nat 







f /f f f /f f s fr v///// s . 



DE KLEINE DOMINO. 

SPERMESTES CUGULATA. 



Onder de uitheemsche vinkachtige vogels komen zeer uiteenloopende vor- 
men voor. Het onderlinge verschil bestaat meerendeels in de grootte, hoogte en 
breedte van den snavel en de lengte van den staart; ofschoon nu al deze soorten 
vinkachtige vogels zijn, leveren zij toch, door een en ander, zoo veel opmerkelijk 
verschil op, dat wij ze niet anders dan onder bepaalde afdeelingen kunnen rang- 
schikken. De groote soorten, bij welke de bovenzijde van den snavel in eene 
gelijke lijn met den bovenkop loopt, worden tegenwoordig meestal Munia, volgens 
vroegere ornithologen Coccothraustes genoemd, en ook door sommigen nog met 
den oudsten wetenschappelijken naam Loxia (Kernbijters van Linnaeus) bestempeld. 

Kleinere soorten komen in vorm met dezen nagenoeg overeen, maar hebben 
eene zwakkere, minder hooge onderkaak, en worden gewoonlijk eveneens Munia 
of Donacola genoemd. Deze vogeltjes, waarvan vele soorten in gevangenschap 
worden aangetroffen, behooren in Oost-Indië en Afrika te huis. 

Afrika herbergt nog vogeltjes, die met deze laatsten bijna geheel in vorm 
overeenkomen, en waarvan slechts eenige soorten bekend zijn; zij maken het ge- 
slacht Spermestes uit. 

Andere vinkachtige vogels, die een minder dikken snavel hebben, en bij 
welke de wortel der bovenkaak lager dan de bovenkop ligt, vormen het geslacht 
Amadina en Amandava. Daarmede komen weder andere vogeltjes overeen, die 
den snavel nog minder krachtig hebben (Pythelia), en meer tot de eigenlijke 
Vinken of Musschen schijnen over te gaan. Onder dezen behooren nog de 
Oranje- Vinken (Euplectes) ; de Wevers (Ploceus en Symplecies) ; de Foedies (Fou- 
dla); de Nigritas (Nigrita) en nog eenige anderen. Daarna volgen de soorten met 
kleiner en stomper ,bek zooals de geslachten Estrelda (waaronder de zoogenaamde 



Fazantjes) ; Vidua (Weêuwtjes) en nog andere behooren, welke nu eens onder 
dezen, dan weder onder genen wetenschappelijken naam beschreven worden. 

Er bestaan misschien weinig vogelfamiliën, welke zoo vele onderlinge kleine 
afwijkingen aanbieden, als de vinkenfamilie ; en daar nu al deze afwijkingen door 
vroegere en tegenwoordige ornithologen tot nieuwe eigenaardige geslachten her- 
leid werden, is het voor hem, die iets van deze vogels wenscht te weten, zeer 
moeijelijk, hen onder de wetenschappelijke namen te herkennen, omdat zij (althans 
de meeste soorten) zeer verschillend genoemd worden, zóó zelfs, dat ééne en 
dezelfde soort somtijds wel tien verschillende wetenschappelijke namen draagt. 
Hetgeen nu de beoefening der ornithologie nog moeijelijker maakt, is, dat nog 
telkens weder andere (nog nieuwere) namen aan onderafdeeüngen gegeven wor- 
den, gelijk b. v. onder de Wevers (Ploceus) weder de ondergeslachten Alecto en 
Symplectes zijn gemaakt; tot de Weêuwtjes (Vidua) behooren de ondergeslachten 
Chera, Coliuspasser en Pentheria; tot de Amadina's weder Coryphegnathus , Sper- 
mospiza, Pyrenestes en Erythrura. Zoodoende kan men moeijelijk te weten komen, 
welke eigenlijk de beschreven vogel is, en het ware dan ook zeer wenschelijk, 
dat deze of gene geleerde eens die verwarde vinkengeschiedenis tot een goed 
geheel bragt, en dat dan het daaruit voortvloeijend stelsel door alle ornithologen 
voor goed werd aangenomen en gevolgd. 

Alvorens nu tot onzen Kleinen Domino terug te keeren, is het misschien niet 
ongepast, de hoofdvormen der vinkachtige vogels nog eens aan te geven. Eigen- 
lijke Vinken (Fringilla); Groenlingen (Chlorospiza, Ligurinus); Sneeuwvinken (Mon- 
tifringilla); Sijsjes (Chrysomitris); Distelvinken (Carduelis) ; Barmen (Acanthis of 
MgioHms); Kneutjes (Linota); Musschen (Passer); Roodmusschen (Carpodacus) ; 
Geelvinken (Serinus), waaronder onze Kanarievogels behooren. 

In Afrika leven eenige soorten die den snavel nagenoeg als de Serinus heb- 
ben, namelijk de ondergeslachten Phonipara en Buserinus. Ook de Dikbekken (Coc- 
cothraustes) zijn vinkachtige vogels; zij maken weder onderling een op zich zelf 
staanden vorm uit, en bij gevolg eene eigenaardige familie (waaronder eigenlijk 
de meeste uitheemsche kamervogeltjes behooren gerangschikt te worden). Tot deze 
Dikbekken-vinkenfamilie behooren verder de ondergeslachten Hesperiphonus, Piïylus, 
Cardinalis en Sallator, welke in de nieuwe wereld gevonden worden. De genoemde 
geslachten Munia, Donacola, Spermestes , enz., enz. behooren in de oude wereld 
te huis. De overige reeds genoemde kunnen meer als musch- gors- of eigenlijke 



vinkachtige vogels beschouwd worden. Er bestaan zeker nog andere, minder 
bekende namen, en er zullen er nog wel meer geschapen worden, omdat er nog 
nu en dan nieuwe vormen bekend worden en sommige, onder de liefhebbers 
reeds bekende soorten nog niet wetenschappelijk beschreven zijn. 

Het kleine West-Afrikaansche vogeltje nu, dat gewoonlijk Domino, Kleine 
Domino of Bandelotje wordt genoemd en met nog eenige soorten het geslacht 
Spermestes uitmaakt, is in ons land onder de vogelliefhebbers genoeg bekend. 

Aan de geheele Westkust van Afrika is het zeer algemeen en wordt in die 
streken nabij moerassen, in vlakten en op plaatsen, met laag hout begroeid, gevonden. 
Het leeft gezellig in troepen van zijne soort en met andere vinkachtige vogels. 
Op het eiland St. Thomas is het meestal te gelijk met de Estrelda cinerea in de 
grasvelden te vinden. Daar heet het in de Portugesche taal Olha grosse (Groot- 
oog), in de landtaal Sihi rittalle. Op Prinseneiland leeft het even als op St. Tho- 
mas, maar meestal in gezelschap van den Wever (Symplectes prlnceps) en van den 
Roodkop- Wever (Ploceus erythrops). De Portugezen aldaar noemen het eenvoudig 
Piquenito (Kleintje), en in den landnaam heet het Siwie-singa. Zoowel Sihi als 
Siivie beteekent „vogel", terwijl rittalle en singa van het stemgeluid des vogels 
is afgeleid. 

Het mannetje is iets glanziger op den kop en aan de schouderveêren; voor 't 
overige is het moeijelijk van het wijfje te onderscheiden. Daar het in die gewes- 
ten van Afrika altijd groen, eigenlijk altijd zomer is, broeijen deze vogeltjes 
daar niet in een bepaald jaargetijde, maar treft men ze er steeds broeijende aan. 
Evenwel broeit ieder paar niet meer dan driemaal 'sjaars, en verloopen er tus- 
schen elk broeisel ongeveer zes weken. Alle drie malen broeijen zij in hetzelfde 
nest, dat tusschen de takken van heesters, lage boomen, zoo als de cacao, en op 
doode boomtakken aangebragt, geheel uit dunne gedroogde grasstengels vervaar- 
digd wordt, en zoo groot is als dat van den Zanglijster. Het wijfje legt een achttal 
zeer kleine, geheel witte eijeren, die zij in twaalf dagen uitbroeit. 

De jongen worden met kleine, vooral gras-zaden, uit den krop gevoerd; tot 
aan den eersten rui zijn zij geheel bruin, doch hun snavel bruinzwart. 

De geheele familie blijft bij elkaêr tot er een nieuw broeisel aangelegd wordt. 
Zij rusten dikwijls in doode boomen, op de bovenste takken, en 's nachts slapen 
zij, digt aaneengesloten, op een en denzelfden tak. 

De ouden zijn schuwe, levendige vogeltjes, maar gemakkelijk te vangen, door- 



dien zij, even als de meeste in tropische gewesten levende vogels, met de strikken 
en vangmiddelen onbekend zijn. Men kan ze het best met netten vangen, naar- 
dien zij in vlakten leven; meestal vangt men er zelfs eenige te gelijk. 

Fraaijen zang hebben zij niet, maar gedurig herhalen zij hun eenvoudig ge- 
roep, dat wel eenige overeenkomst heeft met de lokstem der Barmen en Fratertjes. 

In de volière voert men ze met wit zaad, maanzaad, gierst en andere kleine 
zaden. Bij goede behandeling kunnen zij, even als de St. Helena-Fazantjes, ook 
in gevangenschap voorttelen. 

Eene verwante soort, die zwarter op den rug is, en eene donkere keel heeft, 
namelijk de Spermestes poënsis, bewoont Fernando Po. 

De naam Domino wordt ook aan eene grootere soort, de Sp. striata gegeven. 




\ 






■ 



'1 nat 



/yj/rrae, 




P.WTraj exc 



DE KIJSTVOGEL. 

COGOTHRAUSTES ORYZIVORA. 



Deze algemeen bekende, Oost-Indische vogel komt in vorm het meest de 
Diknekken (Cocothraustes) nabij. Volgens sommige natuurkundigen, behoort hij, 
met nog eenige andere Oost-Indische vogelsoorten, tot de Lorna' s, volgens anderen 
tot de Munia's, Amadina's of de Wevers (Ploceus). De Rijstvogel is in de weten- 
schap onder verschillende benamingen bekend, waarvan de meest gebruikelijke, 
Padda oryzivora, eigenlijk wel wat al te duidelijk de eigenaardigheid des vogels 
uitdrukt; want Padda beteekent in de Maleische taal „rijsteter", terwijl oryzivora 
in 't Latijn juist hetzelfde te kennen geeft: men behoeft er dus waarlijk niet 
meer aan te twijfelen, of deze vogel zich met rijst, voedt. 

Het vaderland van den bewusten vogel is Oost-Indië, vooral Java; op som- 
mige plaatsen, zoo als het eiland Réunion, is hij ingevoerd, ten gevolge waarvan 
men hem ook daar veelvuldig in vrijheid aantreft. 

Uiterlijk verschil in kleur tusschen de seksen is bij den Rijstvogel bijna niet, 
op te merken; alleen zijn soms de mannetjes iets zwarter op den bovenkop en 
aan de bovendekveêren van den staart. 

De Rijstvogels broeijen in ruime boomholen, die van een wijden ingang- 
voorzien zijn en zich tien a twintig voet boven den grond bevinden. Het broeisel 
bestaat gewoonlijk uit vijf a zeven grijsachtig witte eijeren. 

De jongen worden met plantaardig voedsel grootgebragt. Zij zijn, bij 't ver- 
laten van het nest, nog geheel donkerbruin, en krijgen eerst van lieverlede hun 
volmaakt vederkleed; hun bek is aanvankelijk donker en wordt eerst tegen hun 
tweede jaar rood. Zij blijven meestal nog lang in 't gezelschap van de ouden 
rondvliegen, met wie zij zich ook op een en denzelfden tak nederzetten, om te 
rusten. Ook den nacht brengen zij gezellig door, en gewoonlijk kiezen zij tot rust- 



■1 



plaats de bovenste takken van doode boomen, die nabij of in vlakten gelegen zijn. 

Na den broeitijd vereenigen deze vogels zich tot troepen, die soms zeer tal- 
rijk worden, Voor den landbouwer zijn zij, vooral wegens hunne bijzondere voor- 
liefde voor rijst, zeer schadelijk. 

Velen meenen, dat de Rijstvogel op Java de Musch vertegenwoordigt, en dus, 
even als deze hier te lande, zich daar in de steden en op de straten zou ophou- 
den. Dit is echter slechts eene zeemans-overle vering; want de Gewone Musch, 
in Oost-Indië sedert lang ingevoerd, laat zich niet uit de steden verdringen, ter- 
wijl de Rijstvogel zijn verblijf in de vlakten heeft behouden en zich slechts bij 
uitzondering in de steden, en dan nog uitsluitend in de tuinen, maar nooit in 
de straten vertoont. Dat hij niettemin daar zeer algemeen is, blijkt genoegzaam 
uit het groote aantal dier vogels, welke wij in onze zeesteden aantreffen, en die 
nog slechts de overblijvers zijn van de ontelbaren, die door zeelieden zijn mee- 
genomen. In hun vaderland worden zij dan ook in menigte gevangen en dien ten 
gevolge voor weinig geld verkocht. Dat er zoo velen op reis sterven, is toe te 
schrijven aan de ruwe behandeling, die zij dan ondergaan, of aan de geringe 
zorg, die men dan voor hen draagt. 

In de volière is het een vrolijke vogel, dien men meer ter wille van zijne 
zachte kleuren, dan om zijn zang er op nahoudt; want zijn eenvoudig stemgeluid 
heeft weinig aanlokkelijks en komt eenigzins met dat van de Ringmusch (Passer 
mmtana) overeen, ofschoon het krachtiger en holler klinkt. 

Men voedt ze met witzaad en ongepelde rijst (Paddy); ook eten zij gaarne 
hennep- en andere vette zaden, en suiker is voor hen eene lekkernij. 

Rij goede behandeling broeijen zij dikwijls in gevangen staat. Men laat dan 
een twintigtal in ééne broeikast of tuinkamer rondvliegen, waarin men hier en 
daar eenige bossen riet heeft aangebragt, met een aantal van stroo gemaakte 
nestjes er tusschen. Zeer raadzaam is het, de vogeltjes niet te storen, maar het 
versche voeder of drinkwater zóó aan te brengen, dat men door de vogels niet 
wordt opgemerkt, In de kooi of volière broeijen zij echter niet, omdat zij in hun 
natuurstaat gewoon zijn, meer in de ruimte te leven en dus, willen zij broeijen, 
vliegen moeten. 

Oude voorwerpen krijgen dikwijls zwarte wangen en worden somtijds geheel 
zwart, onverschillig welk voedsel men hun toedient. Ook worden er, hoewel zel- 
den, geheel witte variëteiten aangetroffen. 




I 



A 



DE IJSVOGEL. 

ALCEDO ISP1DA. 



Het zoo uitgebreide geslacht der Ijsvogels wordt in ons land door slechts ééne 
soort vertegenwoordigd. Men kan hen in verschillende groepen verdeelen, of, 
beter nog, als ééne familie beschouwen en de verschillende daartoe behoorende 
vormen of groepen tot geslachten herleiden. 

Er bestaan van deze vogels drie hoofdvormen. Tot den eersten hoofdvorm, waar- 
van de voorwerpen zich door een nagenoeg regten bek, die langer dan de kop is, en 
door een korten staart onderscheiden, behooren de geslachten Alcedo, Ispidina, Cory- 
thornis, Alcyone en Ceyx. Deze voeden zich met vischjes en waterinsecten, het laatstge- 
noemde geslacht echter hoofdzakelijk met vlinders, kevers en andere vliegende insecten; 
dit geslacht houdt zich ook meer in het lage hout op, terwijl de vier andere, straks 
genoemde geslachten meer nabij het water worden aangetroffen. Bij de Ceyx en 
de Alcyone ontbreekt de binnenteen, zoodat zij slechts twee vóórteenen hebben. 

Tot den tweeden hoofdvorm behooren de geslachten Halcyon, Monachalajon, 
Cülura, Caridonax, Carcineutes , Melidora, Dacelo, Caridagrus, Syma, Tanysiptera, 
Todiramphus enz. Deze voeden zich met muizen, hagedissen, slakken, jonge 
vogels, vogeleijeren, vliegende insecten, weekdieren, krabbetjes en waterinsecten. 
Zij houden zich meer in de bosschen nabij kleine riviertjes of bronnen op. Deze 
geslachten kenmerken zich door hun zwaren, krachtigen snavel, welke bij de 
Melidora en de Carcineutes van een sterk benedenwaarts gekromden haak voor- 
zien, en bij de Syma aan de bovenkaak als tandachtig ingesneden is. Bij de 
meeste dezer geslachten is de onderzijde der bovenkaak nabij de punt een wéinig- 
opwaarts gerigt. Bij de Halcyon is de bovenzijde van den snavel scherp en soms 
de bovenkaak eenigzins kielvoimig. Bij de Caridonax en de Todiramphus is de 
bovenvlakte der bek meer afgerond. Alle tot dezen tweeden hoofdvorm behoorende 



^■^^■■^■^^^^^ 



geslachten hebben een tamelijk langen staart, uit twaalf pennen bestaande; de 
Tanysipterae echter hebben slechts tien staartpennen, van welke de twee middelste 
het ligchaam in lengte overtreffen. 

De derde hoofdvorm bevat het geslacht Cenjle, waarvan slechts eenige 
soorten bestaan. Deze hebben, even als die van den eersten hoofdvorm, een rei- 
gerachtigen bek, doch daarentegen een tamelijk langen staart. Zij voeden zich 
met visschen en waterinsecten. Van dit geslacht leeft eene soort in Afrika, terwijl 
de overigen in Amerika te huis behooren. 

In alle werelddeelen worden Ijsvogels gevonden; het talrijkst en ook in de 
rijkste verscheidenheid van soorten komen zij in Indië en op de eilanden van den 
Indischen Archidel voor. De gewone Ijsvogel (Alcedo ispida) bewoont het gema- 
tigde Europa, alsmede Klein-Azië en Noord-Afrika. In vele streken van de oude 
wereld vindt men soorten, die aan de onze verwant zijn. 

De naam „Usvogel" is waarschijnlijk daardoor ontstaan, doordien men hem 
hier te lande gewoonlijk alleen des winters ziet: niet omdat het een wintervogel 
is, maar omdat hij zich in het barre jaargetijde meer in de nabijheid der steden 
ophoudt. Hij kan de koude niet verdragen, en wanneer, bij strenge vorst, de 
meeren of wateren digtgevroren zijn, sterft hij van den honger, en worden er 
dan ook dikwijls velen dood gevonden. 

Het mannetje verschilt slechts weinig van het wijfje; zijne kleuren zijn iets 
1'raaijer, en gewoonlijk is hij iets grooter. De jonge voorwerpen hebben de kleuren 
der ouden, doch zijn over 't algemeen iets fletser. 

Deze vogels nestelen in aardholen, die meestal nabij den waterkant gelegen, 
soms eenige voeten diep zijn en door de beide ouden met den bek uitgegraven 
worden. Daar er dikwijls in en nabij deze aardholen vischgraten worden aange- 
troffen, beweren sommigen, dat de Ijsvogels van vischgraten hun nest vervaar- 
digen. Het is echter waarschijnlijker, dat het wijfje hare eijeren op den blooten 
grond legt, dus geen eigenlijk gezegd nest maakt, en dat de vischgraten, als 
onverteerbare zelfstandigheden, door het broeijende wijfje of de jongen zijn uil- 
gespuwd. 

Het wijfje legt gewoonlijk vier a zes glanzig witte, bijna ronde eijeren, zóó 
dun van schaal, dat er, wanneer zij nog onbebroeid zijn, de kleur van den dojer 
doorheen schijnt, zoodat ze eene roodachtige tint krijgen. Men heeft nog nie.t met 
zekerheid kunnen waarnemen, of alleen het wijfje, dan wel beide ouden broeijen; 



wel heeft men soms beide seksen te gelijk in hetzelfde aardhol aangetroffen, 
doch dit bewijst nog volstrekt niet dat ze beiden zouden broeijen. Zooveel is 
intusschen zeker, dat het voedsel voor de jongen door beide ouden wordt aan- 
gebragt. 

De broeitijd begint reeds in Maart, en hoewel er soms nog in Junij broeijende 
Ijsvogels worden aangetroffen, is het nogtans niet waarschijnlijk, dat zij meer 
dan eens gedurende den zomer broeijen. 

In Midden- en Zuid-Europa kan de Ijsvogel nagenoeg als standvogel be- 
schouwd worden; althans verlaat hij alleen dan zijn gewoon verblijf, wanneer de 
koude hem daartoe dwingt. Hij bewoont dus steeds eene en dezelfde streek, doch 
heeft daar verscheidene lievelingsplekjes, waar hij komt visschen. Gewoonlijk 
kiest hij daartoe een over het water groeijenden tak, een gebroken rietstengel of een 
in het water staand paaltje, waarop hij dan, dikwijls uren lang, bijna onbewegelijk 
blijft zitten, totdat hij iets van zijne gading in het water ontdekt, als wanneer 
hij er zich pijlsnel op nederwerpt, soms met zijn buit geheel onder water ver- 
dwijnt, doch spoedig weer boven komt en, zijne prooi in den snavel houdende, 
naar zijne zitplaats terugvliegt, waar hij nu, den kop omhoog rigtende, zijn buit 
(even als de Ooijevaar den paling) in de keel laat glijden en verslindt, vervolgens 
eenige malen met den staart wipt en zich uitrekt, om dan, gewoonlijk onder het 
aanheffen van een luid blazend geschreeuw, naar een ander lievelingsplekje heen 
te vliegen. Zijne vlugt is snel, steeds in eene regte lijn; hij vliegt meestal even 
boven het water, rijst en daalt wel, maar keert zich nimmer om. Om van rigting 
te veranderen, moet hij eerst stilhouden en zich nederzetten. 

Zang heeft de Ijsvogel niet, ofschoon zijn stemgeluid nog al buigzaam is. 
In den paartijd laten de mannetjes, terwijl zij de wijfjes al vliegende vervolgen, 
een helder, stootend, schielijk herhaald geluid hooren. Als zij verjaagd of vervolgd 
worden, blazen zij. Soms ook laten zij een geluid hooren, naar dat van het 
snijden der lucht door een rotting of zweep gelijkende. Een lokgeluid schijnen 
zij niet te hebben, want zij schijnen elkander niet te roepen; men ziet hen althans 
(behalve in den paartijd) steeds alleen. 

In de gevangenschap dienen zij eene tamelijk groote kooi te hebben, ongeveer 
1V 4 Ned. el lang en breed, en 1 a 17, Ned. el hoog, zooveel mogelijk van tralie- 
werk voorzien; op den grond plaatse men een grooten steenen schotel of zinken 
bak vol water, en late er eenige vischjes in zwemmen. Is de bak meer dan 30 



Ned, duim diep, dan vangt de Ijsvogel de vischjes door er op te stooten; bij 
mindere diepte echter zet hij zich op den rand neder en schept, terwijl hij van 
de eene zijde van den bak naar de andere door het water schiet, een der vischjes 
op. Bij gebrek aan visch, voeden zij zich ook met stukjes raauw vleesch. Zij 
drinken weinig. 

Zij gewennen zich gemakkelijk aan het kooileven; evenwel worden zij schaars 
in 't bezit van vogelliefhebbesr aangetroffen, 'tgeen echter hieraan moet toege- 
schreven worden, dat zij niet zeer algemeen en bovendien moeijelijk te van- 
gen zijn. 




V 






v 



DE TORTELDUIF. 

COLUMBA TURTUR. 



Wij kennen in Nederland drie soorten van Duiven, namelijk: 1°. de Wilde, 
welke men in den natuurstaat en broeijende aantreft; 2°. de Tamme of Tilduiven, 
zijnde variëteiten, door kruising van rassen verkregen; 3°. die soort van Duiven, 
welke, uit vreemde gewesten herwaarts overgevoerd, in hunne gevangenschap 
voorttelen. 

De Wilde Tortel is een vogel, die ons van April tot October bezoekt. 
Het mannetje (de Doffer) komt meestal een veertiental dagen vroeger dan het 
wijfje (de Duif) herwaarts, naar 't schijnt, om eene geschikte plaats voor het 
nest op te zoeken. 

Spoedig na de aankomst der duiven paren zij en beginnen van eenige doode 
takjes, in den tijd van vijf tot tien dagen, een eenvoudig nest te bouwen, dat 
niet diep is en eene middellijn heeft van omstreeks 22 centimeters; zij plaatsen 
het op dikke takken, meestal nabij den stam, en gewoonlijk in linden- of 
kastanjeboomen, omdat deze vroegtijdig groote bladeren hebben, die eene 
goede beschutting opleveren voor de vele gevaren, waaraan het jonge broeisel 
is blootgesteld. 

Het wijfje legt steeds twee eijeren, die glanzig wit, bijna ovaal van vorm 
zijn en in zeventien dagen, beurtelings door de beide ouden, worden uitgebroeid. 
Meestal zijn in elk broeisel beide geslachten vertegenwoordigd. 

Bij hunne geboorte zien de jongen er nog alles behalve fraai uit met hunne stugge, 
weeke, geelkleurige haren, waartusschen de grijsachtig rosse huidkleur zich duidelijk 
vertoont. Zij blijven tot den negenden dag blind en worden in de eerste dagen ge- 
voed met eene kaasachtige stof, die zich bij de ouden in den krop afscheidt. Als zij 
het nest verlaten, verschillen zij nog maar weinig in kleur van de ouden; alleen zijn zij 



dan nog wat fletser van kleur, en ontbreken hun nog de witgeschubde halsvederen. 
Zij blijven dan nog eenigen tijd onder de hoede der ouders, met wie zij 's ochtends 
rondvliegen en 's namiddags op een en denzelfden tak uitrusten. Veelal ziet men ze 
tegen zonsondergang in de toppen der hooge boomen, in eene kort ineengedrongen 
houding zittende. 

Deze Duiven, vooral de ouden, worden zelden levend gevangen, omdat zij 
zeer schuw en voorzigtig zijn. Door hunne snelle vlugt ontkomen de ouden ook 
meestal het schot des jagers en den aanval der roofvogels. Daarentegen worden 
dikwijls de jongen door sperwers, uilen, kraaijen en andere vogels, ja zelfs door 
ratten uit het nest geroofd. 

Even als de Zwaan, verdedigt zich ook de Tortelduif door met den vleugel 
te slaan, wat haar echter in den broeitijd, wanneer zij door een rat of wezel 
wordt aangevallen, dikwijls noodlottig is, daar deze vijand den oogenblik, waarop 
de Duif den vleugel opheft, waarneemt, om haar plotseling bij het ligchaam te 
grijpen. 

Wij kunnen haar niet als een nuttigen vogel beschouwen; want de schade, 
die zij aan peulvruchten en aardbeziën veroorzaakt, is grooter dan het voordeel, 
dat wij van haar trekken. Voor de keuken echter zijn vooral de jongen aanbe- 
velenswaardig, vooral wanneer zij tegen den trektijd (September) geschoten zijn. 

In den gevangen staat voedt men hen met boekweit of hennepzaad. Veelal 
worden zij zeer oud, doch telen nimmer of hoogst zelden in de kooi, en paren 
evenmin — schoon velen het tegendeel willen beweren — met de Tamme Tortel- 
of Lachduif, met welke soort zij evenwel in verschillende opzigten, behalve in 
het koeren, veel overeenkomst hebben. 







J G Keulemans ad nat. . 




PW.M.Tr; 



ap. exc. 



DE LACHDUIF. 

COLUMBA RISORIA. 



Weinig vogels zijn zoo algemeen bekend, als de Lachduif. Men vindt haar 
dan ook menigvuldig onder de vogellief hebbers verspreid, en zelfs velen, die te 
naauwernood als vogelliefhebbers mogen aangemerkt worden, houden er toch hunne 
Tortelduif, gelijk zij haar noemen, op na. De naam Lachduif is ontstaan doordien 
deze soort dikwijls een lagchend geluid laat hooren; doch men noemt haar ook 
Tortelduif, omdat zij in vorm het meest met de eigenlijke of Wilde Tortelduif 
(Columba turtur) overeenkomt, waarom men haar ook dikwijls den naam Tamme 
Tortel geeft, in tegenstelling van de Europesche soort, Wilde Tortel genaamd. 

Het vaderland van de hier afgebeelde soort is Egypte, Abyssinië en West- 
Azië tot Ceylon. Zij is ook in Palestina zeer gemeen, alwaar zij ook broeit, doch 
van waar zij na den broeitijd meer zuidwaarts trekt, om te overwinteren. 

In den vrijen staat leven deze Duiven gepaard, en somtijds in troepen ver- 
eenigd; gedurende den broeitijd echter blijft ieder paar afzonderlijk, en zoowel 
Doffer als Duif zorgt voor den nestbouw en de broeijing. Het nest, uit doode 
takjes vervaardigd, wordt op boomstammen of tusschen takken geplaatst. Elk 
broeisel bestaat steeds uit twee eijeren, welke in dertien dagen worden uitgebroeid. 
Zij houden zich meestal in het lage hout nabij maïsvelden op, of in kleine boschjes 
op de bergen. 

In de gevangenschap telen zij zeer goed voort, en eenmaal gepaarde voor- 
werpen kunnen achtereenvolgens vijftien jaren lang iederen zomer (uit twee broei- 
sels) vier jongen voortbrengen. 

De Doffer heeft volmaakt dezelfde kleuren als de Duif. Men kan ze dan ook 
op het eerste gezigt niet van elkander onderscheiden; en zelfs al heeft men dezelfde 
voorwerpen reeds jaren lang in zijn bezit, dan nog is het zeer moeijelijk, aan 






kleur of vorm de geslachten te herkennen. In den regel zijn echter de Doffers 
iets zwaarder, doch zoo weinig, dat het naauwelijks op te merken is. 

Het zijn ook niet alleen de Doffers die koeren; ook vele Duiven doen dit, 
hoewel haar geluid zwakker is. Vooral ter wille van dit zoogenaamde koeren houdt 
men er deze Duiven op na, en hoe meer zij dit geluid doen hooren, des te meer 
waarde hebben zij voor den liefhebber. Gewoonlijk herhaalt de Doffer ongeveer 
tienmaal achtereen zijn gekoer, maar er zijn er ook die het wel veertigmaal onaf- 
gebroken doen. Goede koerders lagchen weinig; daarentegen zijn er weer, die meer 
lagchen en door dit geluid bijna al hunne aandoeningen te kennen geven. Men 
verneemt ook dit geluid als de vogel springt of pas gesprongen heeft, terwijl hij 
bij het koeren gewoonlijk op zijn stokje zit en den kop neerbuigt wanneer hij dit 
geluid aanheft. 

De Lachduif is een zachtaardige, stille vogel, die zich gemakkelijk aan aller- 
hande kooijen en aan zeer verschillende huizen gewent. Zij tiert even goed in het 
nederigste kamertje uit deze of gene achterbuurt, als in de groote volière dei- 
rijkste tuinen, zij het ook dat zij zich daar wel iets meer op haar gemak zal 
gevoelen. Men vindt haar ook onder allerlei slag van menschen; vooral is zij een 
lievelingsvogel van oude lieden, die op zoogenaamde hofjes wonen, waar zij dan 
ook zelden ontbreekt; trouwens valt het wel eenigzins in haar aard, bij stillevende 
luidjes te wonen. 

In de gevangenschap kan de Lachduif wel veertig jaren oud worden, en zij 
behoeft slechts wat boekweit en hennepzaad, om zich in haar kooileven gelukkig 
te gevoelen. 

Er bestaan variëteiten van dezen vogel, namelijk lichte of isabellen en geheel 
witte, welke laatsten gewoonlijk roode oogen hebben. Als men de lichte voorwer- 
pen onderling laat voorttelen, verkrijgt men meestal weder normale, d. w. z., 
donkere. Witte, onderling gepaard, brengen in den regel witte voort. Volgens 
sommige duivenliefhebbers hebben er wel eens witte met zwarte halskringen 

bestaan, en hebben deze gepaard en geheel witte voorwerpen voortgebragt. 

Ofschoon er voor zulke Duiven nog te huidigen dage op tentoonstellingen van 
pluimgedierte prijzen worden uitgeloofd, twijfel ik er toch aan, of zoodanige voor- 
werpen wel te vinden zullen zijn; veeleer onderstel ik dat bedoelde zwarte halskring 
aan de eene of andere zwarte verfstof zijn ontstaan te danken had, en dat eene 
verscheidenheid, als de hier bedoelde metterdaad nooit is aangetroffen. 






m*K 




DE KINGDUIF. 

COLÜMBA PALUMBUS. 



Deze algemeen bekende Duif draagt hier te lande verschillende namen, als: 
Hout- en Woudduif, omdat zij in de boomen leeft; Boschduif, omdat wij haar ook 
in de bosschen aantreffen; Koolduif, doordien zij, vooral 's winters, in moes- of 
koollanden wordt gezien. De officiële naam „Ringduif" is ten gevolge der witte 
nekvlak ontstaan. Het aantal verschillende benamingen bewijst genoeg hoe algemeen 
bekend deze soort moet zijn. 

In de wetenschap kennen wij haar ook onder den nieuweren, minder bekenden 
titel: Palumbus torquaius, omdat deze met eenige andere soorten een ondergeslacht 
der groote Duiven-familie vormt. 

De Ringduif is over geheel Europa verspreid en overal zeer algemeen; zij 
wordt ook in Madeira en in Klein-Azië aangetroffen, doch is nergens zoo talrijk 
als in Frankrijk. Hier te lande vinden wij haar in tuinen, bosschen en in de boomen 
der steden, en 's winters dikwijls in moeslanden. 

Ofschoon de Ringduiven trekvogels zijn, blijven er toch 's winters altijd eeni- 
gen over, en deze komen later in en nabij de steden om te broeijen, terwijl die, 
welke uit warmere streken terugkomen, meer in de bosschen en in tuinen nestelen. 

Het mannetje (de Doffer) is van het wijfje (de Duif) niet te onderscheiden, 
dan alleen door zijn min of meer langeren bek en zwaarderen kop. Alleen van zeer 
nabij, en dan nog zeer moeijelijk, is dit onderscheid op te merken, hoewel som- 
migen beweren, dat bij de Duif de nekvlak en het wit langs den vleugel smaller 
zijn. Aan het stemgeluid kan men de seksen beter van elkaèr onderscheiden; doch 
deze vogels koeren weinig, en bij regenachtig weder in 't geheel niet, zoodat men 
niet spoedig te weten komt, welke van het paar de Doffer of de Duif is. 

De meeste paren broeijen tweemaal 's jaars; de eenjarige vogels, vooral die 



van het laatste broeisel van den vorigen zomer, van welke dus de jongen no^ 
slechts negen a tien maanden oud kunnen zijn, broeijen slechts eens, omdat zij 
later in den zomer beginnen. Dikwijls broeijen zij in 't geheel niet, ofschoon zij 
wel paren en een nest trachten te maken. 

Het nest wordt door beide vogels op de takken van groote boomen, digt bij 
den stam, geplaatst en van eenige weinige doode takjes gemaakt. Het is zeer vlak, 
en ziet er alles behalve fraai, ja zelfs slordig bewerkt uit. 

De eijeren, waarvan er altoos twee in één broeisel gevonden worden, zijn wit 
en glanzig en worden door beide ouden in zeventien a achttien dagen uitgebroeid. 
Even als bij alle andere Duiven, worden de jongen uit den krop gevoerd. Gewoon- 
lijk zijn de beide jongen een mannetje en een wijfje, hetgeen ook met alle bekende 
wilde Duiven het geval is. Zij zijn tot den negenden dag blind en blijven 25 a 28 
dagen in het nest. Als zij dit eens verlaten hebben, keeren zij er zelden in terug, 
maar blijven naast elkaêr in denzelfden boom zitten, wandelen nu en dan over de 
takken, doch vliegen zelden verder dan eenige vleugelslagen. Meestal verlaten zij 
den boom eerst na drie of vier dagen, naar mate van de weersgesteldheid. Tot de 
eerste ruijing, ongeveer twee maanden na het uitvliegen, ontbreekt hun nog de 
nekvlak, en zijn ook alle kleuren minder helder en de groene glans in den nek 
bijna niet op te merken. 

Wanneer de Ringduiven wegtrekken, vliegen zij steeds in troepen, die, volgens 
sommige waarnemers, in den regel uit een even getal bestaan, omdat het gezelschap 
uit paren, ieder met twee of vier jongen, is zamengesteld. Daar echter dikwijls jongen 
en ook ouden geschoten of door roofvogels gevangen worden, zoo ligt er volstrekt 
niets buitengewoons in, als zoo'n troep uit een oneven getal bestaat. In den zomer 
vindt men ze gepaard en zelden meer dan één paar in een en denzelfden boom. 

Ofschoon de Ringduiven schuw van aard zijn, worden zij toch, eenmaal in de 
steden levende, mak, doch blijven dan niettemin zeer opmerkzaam en voorzigtig. 
Op het warmste gedeelte van den dag slapen of sluimeren zij. Over 't algemeen 
maken zij weinig beweging, zitten veel, loopen voorzigtig en altijd met het ligchaam 
horizontaal. Hare vlugt is snel, met ongeregelde vleugelslagen. Meestal vliegen zij 
in ccne regte lijn; maar wanneer zij door een roofvogel vervolgd worden, maken 
zij allerlei buigingen, kantelen plotseling om, dalen als een vallende steen, doch 
vliegen op eens weer omhoog. Het zijn sterke vliegers, en daardoor kunnen zij 
veelal aan de meeste roofvogels ontsnappen. Haar grootste vijand is de Havik 



(Astur palumbarius), die haar onverwacht op 't lijf valt en hare jongen steelt. 

Deze Duiven voeden zich met allerlei zaden, jonge peulvruchten en granen. Zij 
zoeken hun voedsel meestal op den grond. In de kooi nemen zij gaarne hennep- 
zaad, boekweit en gierst; grootere zaden of erwten alleen dan, wanneer ze nog 
niet gedroogd zijn. 

In de gevangenschap kunnen zij wel leven, mits zij jong gevangen worden; 
zij telen dan echter zelden voort en paren ook nimmer met andere tamme 
Duivensoorten. 

Voor den jager heeft haar vleesch veel aanlokkelijks , vooral in het najaar, 
wanneer zij vet zijn en in hoeveelheid met een Taling gelijkstaan. Des winters of 
in het voorjaar daarentegen is hun vleesch min of meer droog en moeijelijk 
verteerbaar. 



. 





I 

\ 

V 
x 



K-- V 



DE NONDUIF. 

COLUMBA DOMESTICA. 



De Nonduif, ook wel Non of Nonnetje genaamd, ontleent haar naam aan de 
eigenaardige kleurteekening van den kop, alsmede daaraan, dat het zwart aan den 
bovenkop door eene witte opstaande kuif is afgezet, hetgeen wel iets van een 
kap heeft. Intusschen ware het juister, dezen vogel Maskerduif te noemen; want 
het zwarte gedeelte is beter met een masker te vergelijken, dan met het aange- 
zigt eener vrouwelijke kloosterling. 

De Nonduif wordt ook dikwijls verward met de Jakobijnduif of den zoogenaam- 
den Raadsheer. Temminck b. v. beschreef, onder den naam „Pigeon Nonnain", niet 
de Non, maar den Raadsheer, welke laatste in 't Fransch meestal Jacobin genoemd 
wordt. Dezen monnikkennaam hebben deze Duiven (Raadsheeren) daaraan te danken, 
dat de breede kraag, dien zij rondom den hals tot op den kop dragen, eenigzins 
naar een monnikskap gelijkt. 

Er bestaan voor de verschillende rassen onzer tamme Duiven geene afzon- 
derlijke wetenschappelijke benamingen; allen worden eenvoudig Columba domestica 
(Tamme Duif) genoemd, omdat zij allen van ééne en dezelfde soort afstammen, 
zoodat onze Tilduiven slechts variëteiten van ééne soort zijn. De stammoeder is 
ongetwijfeld de Columba llvia, de gewone wilde Duif, die ook Torenduif, te Rot- 
terdam Beursduif, en in vele andere streken Rotsduif heet. 

Vele onzer Tilduiven dragen bijna hetzelfde vederkleed als de Rotsduif, doch 
anderen wijken er, zoowel in kleur als in vorm en eigenschappen, zeer verre van 
af. De blaauwe Kroppers b. v. hebben nagenoeg de kleuren der stammoeder, maar 
hun monsterachtig groote krop toont duidelijk genoeg, dat deze voorwerpen niet tot 
eene in den vrijen natuurstaat voortgebragte soort behooren, maar dat dergelijke eigen- 
schappen slechts door middel der kunst of ten gevolge der gevangenschap zijn ontstaan. 



De zoogenaamde Pagadetten zijn, door de wratten rondom hare oogen en 
aan haar neuswas, zóó mismaakt, dat niemand haar als eene natuurlijke 
soort zou kunnen beschouwen. De meeste andere Duivenrassen hebben, door 
kunst, kruising of andere omstandigheden, meestal een zonderling voorkomen ge- 
kregen, ofschoon zij steeds veel fraaijer blijven, dan de Kroppers of Pagadetten 
en Tuimelaars, welke in alle opzigten leelijk zijn. 

De Nonduif daarentegen behoort tot de fraaiste Tilduiven, zoowel wat kleur 
als wat vorm betreft. Zij komt, ofschoon zij iets grooter is, in vorm het meest 
de Meeuwtjes nabij. Er bestaan nog eenige aan de Nonduif verwante rassen, 
alsmede gele en bruine Nonnen. Natuurlijk worden er ook vele voorwerpen aan- 
getroffen, die slechts gedeeltelijk de kleuren der Nonduif vertoonen, en door 
hare onregelmatige teekening weldra verraden, dat zij niet „echt" zijn. Van alle 
Tamme Duiven namelijk bestaan er individuen, die slechts ten deele de kenmerken 
van het ras dragen, en deze worden „valsch" genoemd. De duivenliefhebbers 
letten dan ook voornamelijk op genoemde eigenschappen, en kennen alleen aan 
die voorwerpen waarde toe, die geheel en al de voor het ras vereischte kleuren 
of vormen bezitten. 

De echte Nonduiven moeten het ligchaam zuiver wit hebben, behalve de 
voorhelft van hals en kop, de zes eerste groote vleugelpennen en den staart, die 
zwart moeten zijn. Het zwart aan den kop heeft meestal een groenen metaal- 
glans; het zwart aan de vleugels is juist zóó afgedeeld, dat het alleen de slag- 
pennen raakt, die buiten de vleugelpennen der tweede orde liggen en wier aantal 
juist zes bedraagt, terwijl de staartpennen twaalf in getal zijn. De pooten zijn 
helder karmijnrood, de oogen en het neuswas parelwit, terwijl de bek eene don- 
kere hoornkleur heeft. 

Deze fraaije Duiven zijn zeer levendig van aard en sterke vliegers. Zij telen 
beter dan de meeste andere, zoogenaamde fijne Tilduiven, houden van eene drooge 
temperatuur en vooral van eene drooge, goed gereinigde kooi. Zij zijn groote 
liefhebbers van baden, doch vliegen bij regenachtig weer niet gaarne uit ; daaren- 
tegen loopen zij gaarne in het hooge gras, vooral wanneer er zaaddragende 
halmen aanwezig zijn, want de Nonduif eet bij voorkeur kleine zaden. 

Het beste voeder voor dezen vogel is half maïs, half duivenboonen en nu 
en dan, met name in het voorjaar, wat hennepzaad; ook gekookte rijst eten zij 
gaarne, doch dit schijnt niet tot het meest geschikte voedsel te behooren. 



Het best houdt men deze Duiven in tuinen, die nabij weiland gelegen zijn. 
Men kan ze in alle tillen houden, mits deze droog en op den grond van zand 
voorzien zijn. De tillen mogen niet te veel aan den invloed van den Noorden- of 
Oostenwind blootgesteld zijn, en de ingang dient steeds naar het Zuiden of 
Zuidwesten gerigt te wezen. De grootte der tillen hangt natuurlijk af van het 
getal Duiven, dat er in gehouden wordt; in elk geval echter mogen zij niet te eng 
zijn, en het beste is, voor ieder paar Duiven cene eigen woning in te rigten met 
een mandje of houten bakje in een der hoeken, om er het nest in te maken. 
Ten einde de Duiven rustig te laten broeijen, dient men dit mandje of bakje in 
een der hoeken aan de ingangszijde te plaatsen, zoodat de Duiven niet buiten de 
til kunnen zien of gezien kunnen worden. De bouwstoffen voor het nest worden 
door de vogels zelven opgezocht; het is echter zeer raadzaam, eenige takjes heide 
in den omtrek van de tillen te strooijen. 






I 



DE KAADSHEERDUIF. 

COLUMBA D OMES TI CA. 



Van de tamme Duiven heeft zeker geene door hare vederen een zonderlinger 
voorkomen, dan de Raadsheerduif. Ofschoon niet tot de alledaagsche rassen behoo- 
rende, is zij toch niet zeldzaam, en moet zij vroeger zelfs algemeen geweest zijn; 
althans reeds in een in 1678 uitgegeven werk van Willughby, „Ornithologie" 
getiteld, vindt men dezen vogel afgebeeld en daaromtrent het volgende vermeld: 
„Jacobijnen (Raadsheeren) worden in het Neder-Duitsch Kappers genoemd, omdat 
zich aan het achterhoofd eenige opwaarts staande veeren bevinden, die ook den 
geheelen nek beslaan, hetgeen eenigzins gelijkt naar de kap van een monnik, 
wanneer hij die achter het hoofd neergeslagen heeft. Zij zijn niet zeldzaam", enz. 

Den naam „Kappers" hebben zij tot heden behouden, ofschoon daarmede 
meerendeels bedoeld worden die Raadsheerduiven, welke slechts weinig kraag- 
hebben. Ook de jongen, die uit eene paring van de laatstgenoemden met 
Meeuwduiven zijn voortgesproten, worden door velen aldus genoemd. 

Ook de naam „Raadsheerduif" schijnt door den kraag ontstaan te zijn, het- 
geen mede voor de oudheid van hel ras pleit, daar toch de hedendaagsche Heeren 
van den Raad niet meer met zulke breede kragen prijken. 

Deze Duiven, in het Fransch Jacobins (Monnikken der orde van St. Jakob) 
genoemd, en van welke wij in de beschrijving van de Nonduif reeds spraken, 
zijn „echt", wanneer de oogen wit, zoogenaamd „schoon" zijn, terwijl het neuswas 
van dezelfde kleur, de pooten rood en onbevederd, de kop, de stuit en de groote 
vleugelpennen, alsmede de staart met de onder- en bovendekveêren wit, en daar- 
entegen de rug, de vleugeldekveêren, kleine vleugelpennen en de halskraag bruin 
moeten zijn; de verdeeling der kleuren moet dezelfde wezen, wanneer de vogels 
vaal grijs of somtijds donker zijn; doch, onverschillig met welke tinten, moeten 






al de Raadsheerduiven dezelfde witte teekening hebben. Geheel witte of geheel zwarte 
zijn zeer zeldzaam; de eersten hebben meestal een rooden oogrand. 

De Doffers verschillen niet van de Duiven; ook in het vederkleed der jongen 
bestaat geen onderscheid; ofschoon de oogrand van de laatsten steeds donker is, 
en eerst later wit wordt. Sommige voorwerpen, ook Raadsheerduiven genoemd, 
hebben veeren aan de pooten en meestal ook donkere of bruingele oogen. 

In het algemeen zijn de Raadsheerduiven tamelijk zwak en hare jongen kunnen 
moeijelijk gehouden worden, ofschoon het goede broeisters zijn; het zijn echter 
sterke vliegers, en zij, die veel veeren aan de pooten hebben, tuimelen onder 
het vliegen. Zij vereischen meer zorg, dan de meeste andere Tilduiven, en kunnen 
moeijelijk de koude, doch nog minder vochtig weder verdragen. 

De tillen moeten dus vooral droog en nimmer op het Noorden staan. Boven 
het huis geplaatste of geheel op zich zelf staande tillen zijn mede voor deze 
Duiven minder aan te bevelen, dan die, welke men tegen den muur aan de Zuid- 
zijde van het huis plaatst. 

Zwaar voedsel, b. v. boonen, is voor dit teêre ras niet dienstig; veel beter 
is boekweit, en bij afwisseling eenig hennepzaad. 




I 
I 

1 

1 



ei 



DE PAAUWSTAABTDUIF. 

COLUMBA DOMESTIGA. 



Met den naam Paauwstaart wordt een ras van Duiven bestempeld, dat, 
door het grooter aantal staartpennen, wel eenigzins aan een Paauw doet denken; 
nogtans gelijkt de staart dezer Duiven meer naar dien der Kalkoenen, daar toch bij 
de Paauwen niet de staartpennen, maar de staartdekveêren verlengd zijn, terwijl 
de Kalkoenen, op gelijke wijze als de Paauwstaartduiven, bij het pronken de 
staartpennen uitspreiden. 

Er bestaan onder den naam Paauwstaartduiven eigenlijk drieërlei rassen. De 
voorwerpen van het eerste ras, dat gewoonlijk als het eenige echte beschouwd wordt, 
hebben een overgroot aantal staartpennen, een kort ligchaam, een kleinen, ronden 
kop, maar met buitengewoon langen nek; zij zijn meestal wit van kleur. Zij loopen 
statig; bij het pronken breiden zij de staartpennen uit, rigten den staart omhoog, 
buigen den hals naar achteren en den kop omlaag. 

Die van het tweede ras hebben een minder groot aantal staartpennen, een 
langer ligchaam, min of meer korten bek en veel korter hals; zij dragen den 
staart gewoonlijk horizontaal, breiden de pennen, onder het pronken, wel uit, 
maar rigten den staart niet zoo zeer omhoog. Ook zij hebben gewoonlijk een wit geve- 
derte, hoewel men er dikwijls zoogenaamde blaauwe (blaauwgrijze) onder aantreft. 

Het derde ras, het meest algemeene, sluit zich door zijne vormen bij het 
vorige aan; evenwel hebben de meeste tot dit ras behoorende Doffers een min of 
meer ontwikkelden krop, den bek even lang als bij het eerstgenoemde ras, den 
hals daarentegen veel korter. Ook in hunne bewegingen komen zij vrij wel met 
het eerstgenoemde, in hunne verdere eigenschappen echter meer met het tweede 
ras overeen. 

De tot het eerste, het zoogenaamd echte ras behoorende Duiven zijn zeer 



^ma 



zeldzaam; sommigen hebben niet minder dan 42 staar tpennen, in welk 
geval er twee rijen pennen achter elkaêr liggen, zoodat zij een dubbelen staart 
hebben; de meesten echter hebben niet meer dan 30 pennen en dan ook een 
enkelen staart. Hunne oogen zijn steeds donker, het neuswas korrelig en blaauw- 
achtig wit, de pooten karmijnrood. Hoewel bij dit ras geen uiterlijk verschil van 
seksen bestaat, kan men toch zeer spoedig merken, welke van beiden de Doffer 
is, doordien deze zeer dikwijls pronkt en zich daarbij hartstogtelijker beweegt, 
dan de Doffers der meeste andere Duivensoorten. Bij het pronken is namelijk zijn 
ligchaam gedurig in eene sterk trillende beweging; daarbij rigt hij den staart 
naar boven en den kop naar achteren, zoodat deze elkander dikwerf raken; voorts 
loopt hij dan rondom de Duif, terwijl hij op den duur buigt, de vleugels langs 
den grond sleept, en den staart als een waaijer beweegt. De Duiven breiden ook 
den staart uit, maar buigen niet. 

Dit zoo zonderling ontwikkeld ras teelt gemakkelijk voort. Niettegenstaande 
hun sterk ontwikkeld achterlijf, zijn het goede vliegers. In ons land treft men ze 
zeer zelden aan, ofschoon het een buitengewoon oud ras is, waarvan reeds 
Aldrovandus gewaagt, en hetwelk door Willoughby beschreven is onder den naam 
„Breedstaarttrillers of -bevers". Temminck beschreef ze onder den naam „Pigeons 
Poon", en zegt o. a., dat zij niet ver weg kunnen vliegen, daar zij, wegens hun 
breeden staart, spoedig door den wind zouden opgenomen worden; voorts, dat 
deze Duiven niet in ons klimaat inheemsch kunnen zijn, maar door den mensch 
uit verre gewesten herwaarts zijn ingevoerd. Ook meent Temminck, dat de Wilde 
of Rotsduif (Col. livia) niet als de grondvorm van dit ras beschouwd mag worden; 
wat dit laatste betreft, zijn er ook menigvuldige bewijzen voor het tegendeel. 

Tusschen het eerste ras en het tweede, dat bij ons menigvuldig voorkomt , 
bestaat een standvastig verschil, hoewel vele duivenkenners meenen, dat bij de 
voorwerpen van het laatste, ten gevolge van kruising of andere omstandigheden, 
de staartpennen minder zouden ontwikkeld zijn. Kruisingen van het eerstgenoemde 
met een ander, onverschillig welk ras, leveren nooit die vormen op, welke bij dit 
tweede ras zijn aangewezen. 

Behalve de witte en blaauwe, vindt men zeldzamer ook roode, isabellen, regelmatig 
geteekend bonte, en geheel zwarte. Het zijn mede sterke vliegers, en zij telen zeer 
goed voort, zoodat een gezond paar in één zomer soms wel 12 jongen voort- 
brengt. Bij voorkeur houden zij zich in de nabijheid van tuinen op, en voeden 



zich met hennepzaad, dat, vooral in het voorjaar, een uitmuntend voedsel is; 
hoewel zij sterk van gestel zijn, kunnen zij geen zwaar voeder verdragen. 

De voorwerpen van het derde ras zijn iets kleiner dan die der beide voor- 
gaande; het verschil in grootte schijnt zich echter hoofdzakelijk tot de lengte van 
ligchaam en staartpennen te bepalen. Zij dragen den staart bij het loopen even 
als het tweede ras. Niet alleen hebben de Doffers, en soms ook de Duiven, een 
eenigzins ontwikkelden krop, maar bij velen staan ook eenige nekveêrtjes min 
of meer overeind, waardoor zij wel eenige overeenkomst met de Meeuwtjes hebben; 
nogtans zijn zij geenszins door kruising met Meeuwtjes ontstaan, maar vormen 
zij een standvastig ras; dit blijkt hieruit, dat de jongen steeds volkomen aan de 
ouden gelijk zijn, hetgeen, indien het gemengde rassen waren, niet het geval zou 
zijn. Meeuwen, met Paauwstaarten gepaard, brengen jongen voort, die van de 
laatsten verschillen door het geheel of gedeeltelijk ontbreken van den paauw- of 
kalkoenachtigen staart. Nu kunnen soms wel door kruising ontstane voorwerpen 
met de hier bedoelde voorwerpen eenige overeenkomst hebben, maar dan nog zullen 
deze, wanneer zij ook zelfs den breeden staart behouden, toch nog kenteekenen 
dragen, die hunne onechtheid verraden. Wat hunne levenswijze betreft, hebben de 
tot dit ras behoorende voorwerpen veel overeenkomst met die van het tweede; 
de Doffers hebben echter (misschien wel ten gevolge van den krop) een grover 
stemgeluid. 

Alle Paauwstaarten verlangen ruime tillen; zij verwijderen zich over dag 
dikwerf zeer ver van huis. Men voedt ze op gelijke wijze als de Raadsheeren. 



DE CALIFOBNlE-PATBIJS. 

ORTYX CALIFORNICUS. 



Wij zouden ons onder den naam „Galifornië-Patrijs" alligt een vogel voor- 
siellen, die uit Californië afkomstig is en tot het geslacht Patrijzen behoort. Dit 
is echter het geval niet : de onder dezen naam bekende vogel komt hoofdzakelijk 
in Chili voor; in Californië daarentegen is hij veel zeldzamer, dan eene daaraan 
verwante soort, die grooter en bruiner is en eene lange neerhangende kuif heeft. 
Hoewel hij dus eigenlijk geen Patrijs kan genoemd worden, bezit hij toch vele 
eigenschappen, die hem regt op dezen geslachtsnaam geven; in andere opzigten 
echter, vooral door zijn langeren staart, wijkt hij van de eigenlijke Patrijzen af. 

Deze vogelsoort is zeer kenbaar aan de zonderlinge kuif, die bij het man- 
netje (den Haan) den bovenkop versiert. Deze kuif, meestal uit zes vederen 
bestaande, is naar voren gerigt en kan door den vogel naar verkiezing voor- of 
achterwaarts bewogen worden. In de rust helt zij meestal achterover, en wanneer 
de vogel den kop neerbuigt, volgt zij ook deze beweging. De zes vederen, waar- 
uit dit hoofdsieraad bestaat, zijn allen bijna even groot en staan in twee rijen 
achter elkaêr: de kleinste voor-, de grootste achteraan. Bij deze vederen rigt zich 
de vlag niet zijdelings, maar opwaarts, zoodat zij zaamgevouwen is, en wel in 
dier voege, dat de drie veeren in elkander sluiten en zoodoende ééne partij uit- 
maken. Wanneer het mannetje „pronkt", spreidt het zijne kuif geheel uit, waar- 
door iedere veer afzonderlijk zigtbaar wordt, hetgeen den vogel een nog fraaijer 
en zonderlinger voorkomen geeft. Gewoonlijk echter merkt men de regelmaat in 
het dragen dier veeren niet op, daar zij door de bewegingen des vogels meestal 
in de war raken. 

Even als de kuif, zijn ook de nekvederen wel waard, iets meer van nabij 
beschouwd te worden. Weinigen, zelfs weinig natuurkundigen, hebben opgemerkt, 



dat de witte stipjes aan den hals slechts de helft eener veder verte- 
genwoordigen. Althans zijn in de meeste afbeeldingen de vederen als pun- 
tig voorgesteld, doch ten onregte: elk vedertje toch heeft twee ronde 
puntjes, ieder van eene witte vlek voorzien, terwijl de schacht korter is dan 
de vlag, die zich in twee einden verdeelt. Wanneer nu de nekvederen niet 
buiten hare ligging geraken, vertoonen zij alleen de puntjes, en niet de schacht; 
vandaar dat men, door den schijn misleid, den vogel puntige nekvederen heeft 
toegeschreven. 

Men kan het wijfje (de Hen) gemakkelijk onderscheiden, doordien zij geene 
kuif, maar slechts eenige uitstekende vedertjes heeft en fletser van kleur is, en 
vooral doordien bij haar de keel en wangen graauw, in plaats van zwart zijn; 
ook is zij meestal iets kleiner dan de Haan. 

In den vrijen staat leeft de Galifornië-Patrijs zoowel op de bergen als in 
vlakten en in lage struiken; bij voorkeur vertoeft hij in zonnige streken en op 
droogen en harden grond; hij vliegt snel, doch kort, en heeft in zijne levenswijze 
veel overeenkomst met onzen Patrijs (Perdix tinerea). Men treft deze vogelsoort 
steeds gepaard aan en niet, zoo als vele andere hoendervogels, in polygamie 
levende. De Haan laat tegen den paartijd een zacht blaffend geluid, de Hen eenige 
zacht klinkende loonen hooren. 

In onze tuinen bekleedt deze vogel tegenwoordig eene voorname plaats, 
hoewel hij niet veelvuldig in gevangen staat wordt aangetroffen. Hij verdraagt de 
koude tamelijk goed en teelt in den zomer gemakkelijk voort. 

De kooijen of volières behoeven niet bijzonder hoog, doch dienen wel 
droog en vooral van kiezelzand voorzien te zijn. In het voorjaar mogen de daarin 
aanwezige vogels veel zomerwarmte hebben, hetgeen vooral voor de jongen nood- 
zakelijk is; voor de ouden is het daarentegen beter, hen gedurende het warmste 
van den zomer in de schaduw te plaatsen. 

Wanneer men in April en Mei een weinig hooi of andere zachte zelfstan- 
digheid in de volière aanbrengt, zal het gepaarde wijfje daarvan een eenvoudig 
nest maken; bij gemis daarvan zal zij hare vijf a acht eijeren in eene uitge- 
krabde holle in het zand leggen; neemt men die eijeren weg, dan blijft de Hen 
dikwijls den geheelen zomer doorleggen, zoodat men van ééne Hen achtereenvol- 
gens ongeveer vijftig eijeren verkrijgen kan. Deze eijeren zijn iets kleiner dan 
die van den gewonen Patrijs, vuil geelachtig met roode spikkels, die gelijkmatig 



de geheele schaal bedekken, en zoo digt op elkander staan, dat het ei, op 
eenigen afstand gezien, geheel roestrood schijnt. 

Men laat het broeijen niet aan de Hen zelve, maai' aan Krielkippen over, 
en wel omdat de Haan dikwijls het nest vernielt, of, door overgroote natuurdrift, 
de Hen niet in vrede laat broeijen. 

De jongen, die na ongeveer drie weken broeijens uitkomen, zijn bijzonder 
klein: hun ligchaam is niet grooter dan eene hazelnoot; evenwel kunnen zij reeds 
weinige oogenblikken na de geboorte loopen. Zij hebben aanvankelijk eene geel- 
achtige tint met donkere strepen langs den rug, en krijgen vervolgens hetzelfde 
vederkleed als hunne moeder. De jonge Hanen krijgen eerst in het volgende 
jaar de volkomen kuif, alsmede de zwarte kleur aan nek en wangen. 

Men geeft dezen vogel in de kooi boekweit, ha vergort, brood en eenig 
groen, zoo als koolbladeren, en in het voorjaar wat hennepzaad; de jongen moe- 
ten veel miereneijeren en later meclwormen eten, willen zij groot kunnen worden; 
want bij gemis aan insecten-voeder sterven zij spoedig of blijven zij klein en 
ziekelijk. 

De Galifornië-Patrijzen verschillen onderling dikwijls in grootte en in hel- 
derheid van kleur, hetgeen toe te schrijven is aan de wijze, waarop de vogel 
gehouden wordt; de gezonde voorwerpen zullen steeds grooter en fraaijer van 
kleur zijn, dan die, welke, onder minder goede omstandigheden grootgebragt of 
gehouden, ziekelijk zijn. Andere variëteiten in kleur worden voor 't overige bij 
dezen vogel zelden aangetroffen. 







V 

\ 

- V 






T 



DE P A T E IJ S. 

PERDIX CINEREA. 



Onder den naam „Patrijs" wordt steeds de gewone soort begrepen, omdat de 
overige Europesche soorten, die andere kleuren hebben, niet in ons land voor- 
komen, dan alleen in gevangen staat. 

De Patrijzen zijn hoenderachtige vogels. Onder denzelfden naam zijn nog ver- 
schillende verwante geslachten begrepen, zoo als: de zoogenaamde Californië-Patrijs 
met nog eenige Amerikaansche soorten (Ortyx). In Midden-Azië leven grootere 
patrijsachtige vogels, die tot het geslacht Tetraogallus behooren. Op Geylon worden 
er gevonden, die het geslacht Ithagenes vormen; dezen hebben twee of drie sporen 
aan iederen poot. De Kwartels (Coturnix) behooren mede tot de Patrijzen- 
familie; onder dezen komen weder afwijkende vormen voor, waaronder een vogel 
uit Australië, die in vorm eenige overeenkomst met de Trap (Otis), maar na- 
genoeg de grootte van den Gewonen Kwartel heeft; dit vogeltje is bij de ornitho- 
logen onder den naam Pedionomus torquatus bekend. Eenige kleine soorten van 
Zuid-Europa, Azië en Afrika vormen het geslacht Hemipodius. Deze vogels komen 
de Kwartels het meest nabij, alleen met deze uitzondering, dat zij geen achter- 
teen bezitten, waarom zij Snipkwartels genoemd worden. 

De eigenlijke Patrijzen bewonen Europa, Azië en Afrika. De soorten van ons 
werelddeel zijn, behalve de Gewone of Grijze: de Roode Patrijs (P. rubra), die 
in 't Zuiden van Europa, vooral in Frankrijk en Spanje, wordt aangetroffen; de 
Steen- Patrijs (P. saxatilis), welke de rotsachtige streken en de vlakten van Italië 
bewoont, en de Rots-Patrijs (P. petrosa) , die zich in Algerië, in Spanje en 
andere Zuid-Europesche landen, alsmede in Noord-Afrika ophoudt. De gewone soort 
bewoont bijna geheel Europa, gaat noordelijk tot Siberië en zuidelijk tot Grie- 
kenland; men treft ook talrijke troepen in Klein-Azië tot in Perzië aan. 



Onze Patrijs leeft gepaard en vliegt vóór en na den broeitijd in troepen. Hij 
wordt hier te lande ook broeijende, maar nog meer op den najaarstrek aange- 
troffen. De Haan onderscheidt zich van zijn wijfje (de Hen), door eene donker- 
bruine vlek op de borst; voor 't overige hebben beiden steeds dezelfde kleuren, 
doch zijn, vooral de Hanen, des zomers iets fraaijer of helderder gekleurd. 

De jongen krijgen hunne kleuren reeds binnen het jaar, en de donkere vlek 
is bij de jonge mannetjes reeds in hetzelfde najaar op te merken; de jongen zijn, 
wanneer zij in den herfst reeds hunne kleuren hebben, nogtans kleiner dan de 
ouden. 

De paartijd der Patrijzen duurt in ons land van Maart tot April. Er hebben 
dikwijls hevige gevechten onder de Hanen plaats, te meer daar hun aantal steeds 
dat der Hennen overtreft. Om dezelfde reden worden ook na den paartijd nog 
veelal Hanen, die reeds broeijende Hennen hebben, door hunne ongepaard ge- 
bleven geslachtsgenooten aangevallen; ook worden dikwijls gepaarde en broeijende 
Hennen overmeesterd, wanneer- haar echtgenoot afwezig is. Vandaar waarschijnlijk 
de meening, dat de Patrijzen in polygamie leven. Men heeft echter waargenomen, 
dat gepaarde Patrijzen dikwijls zoo lang bij elkander blijven, tot een van beiden 
sterft. 

De eigenlijke broeiplaatsen dezer vogels zijn zanderige heidevlakten en heu- 
velachtige weiden in 't Zuiden van Frankrijk. Bij ons broeit zij alleen in de droo- 
gere streken. In Schotland vindt men vele broeijende Patrijzen op de bergen en 
in de roggevelden. In die landen, waar zij menigvuldig voorttelen, zijn het ook 
meestal standvogels, terwijl de onzen in het najaar ronddolen en zuidelijk tot 
Frankrijk trekken. 

De broeitijd duurt van Mei tot Junij; het wijfje legt ongeveer twaalf grijsach- 
tige eijeren in een kunsteloos nest, dat in eene of andere holte in den grond 
wordt aangebragt en uit grashalmen bestaat. In twintig a twee en twintig dagen 
broeit de Hen de eijeren uit. 

De jongen zijn in hun donskleed fraai geelbruin met donkere streepjes over den 
rug; zij loopen reeds denzelfden dag, waarop zij uit het ei te voorschijn zijn gekomen, 
en verschuilen zich bij naderend gevaar onder de vleugelen der moeder. Even als de 
meeste jonge vogels, die spoedig in hun eigen onderhoud voorzien, loopen de jonge 
Patrijsjes steeds in de nabijheid der ouden, door wie hun het voedsel, wanneer 
zij het voorbijloopen, wordt aangewezen. Het is een zeer aardig gezigt, zulk 



een aantal kuikens te zien loopen; zij pikken uit eigen beweging kleine insecten 
en zaden van den grond, ontnemen elkander eene voor hen te groote rups, 
waarmede zij dan onrustig voortloopen, zonder ze te kunnen inslikken of aan 
stukken trekken. Op het midden van den dag zoeken zij de schaduw, kruipen 
onder de vleugels, of plaatsen zich op den rug hunner moeder; zij blijven in 
het gezelschap hunner ouders zoo lang zij niet door deze of gene omstandigheid 
van hen gescheiden worden. 

In het najaar zijn de Patrijzen zeer vet en daarom als wild zeer gezocht. 
Men vindt ze dan overal in moeslanden en op afgemaaide grasvelden, in troe- 
pen van drie tot twaalf en meer stuks. Men jaagt ze met den staanden hond en 
schiet ze in de vlugt; want op den grond zelf zijn zij moeijelijk te ontdekken, 
doordien de kleur hunner vederen bijzonder met die der aarde overeenkomt. Bij 
het naderen van den hond loopen zij hem schielijk vooruit en trachten zich te 
verbergen totdat hij in hunne nabijheid gekomen is, als wanneer zij eensklaps 
opvliegen. Nadert er een mensch, dan drukken zij zich tegen den grond, tusschen 
het hooge gras of lage hout, en verbergen zich daar zóó volkomen, dat men, 
zonder hen op te merken, voorbijgaat. Als men echter hun schuilhoek ontdekt of 
te nabij komt, vliegen zij schielijk op, en dalen gewoonlijk eenige honderden pas- 
sen verder neer. Ook in het voorjaar kan men Patrijzen, vooral Hanen, jagen, 
doch dan zijn zij veel minder vet en smakelijk dan in den herfst. De vlugt dezer 
vogels is zwak, doch vrij snel; zij vliegen met korte vleugelslagen meestal, in eene 
regte lijn, zelden hooger dan zestig voet en schier nooit verder dan eenige honder- 
den passen, zoodat men in eene vlakte hen gewoonlijk in het gezigt kan hou- 
den. Moeten zij over boomen heênvliegen, dan strijken zij er zelden hooger over 
heen, dan noodig is, en raken dikwijls de takken. 

Als men jonge voorwerpen magtig kan worden en ze met broodkruimels, 
miereneijeren en zachte zaden of havergort voedt, kunnen zij zeer goed tam 
gehouden worden. Men kan ook de patrijzen-eijeren door Krielkippen doen uitbroeijen. 

Er worden dikwijls variëteiten aangetroffen, als: isabelkleurige, geheel of ge- 
deeltelijk witte, alsmede voorwerpen met eene grijsachtige tint en witten halsring, 
of bruine met een witten ring, welke laatsten echter zeldzamer zijn dan de witte 
of isabellen. 




* 

s 



-v 




> 



V 



DE BOSCH FAZANT. 

PHASIANUS GOLGHICUS. 



De Gewone of Boschfazant is uit Azië, uit den Caucasus afkomstig, en wel 
meer bijzonder uit de omstreken van de rivier Phasis, in Golchis. Deze vogel 
draagt dus nog heden den naam van zijn vaderland, ofschoon hij daar zeldzamer, 
en in Europa meer algemeen geworden is. 

In den natuurstaat leven de Fazanten zoowel in de boomen als op den grond 
en slapen gewoonlijk op de takken zittende. Zij vinden hun voedsel grooten- 
deels op den grond, doch pikken ook de jonge bladscheuten af. Bij hunne 
bewegingen in de boomen doen zij dikwijls groote sprongen van den eenen tak 
op den anderen. Den staart houden zij nimmer opwaarts, doch steeds naar beneden 
gerigt, zoodat de punt bijna of geheel den grond raakt; slapende of rustende 
laten zij den staart geheel hangen. 

In den paartijd is het roode gedeelte aan de wang en boven het hoofd, bij 
den Fazant-haan grooter van omvang, en kan hij dit naar zijne verkiezing 
een weinig uitzetten en intrekken, hetgeen men „pronken" noemt. Hij leeft alsdan 
in gezelschap van vijf a acht hennen. Dezen zijn kleiner, hebben een korteren 
staart en zijn graauw van kleur. Zij leggen de nankingkleurige eijeren op 
den grond, in eene en dezelfde daartoe uitgekrabde, meestal met grashalmen be- 
dekte, holte. 

De kuikens zijn van dezelfde grootte als die van gewone Hoenders, waarmede 
zij in kleur veelal wel eenige overeenkomst hebben; zij zijn echter steeds te 
onderscheiden door de regelmatige bruine teekening en de bruine streep boven 
het oog. 

Men zegt dat de Fazant door de Argonauten uit zijn vaderland naar Europa 
werd overgebragt. Wat hiervan zij, zooveel is zeker, dat hij bij de verandering 



van luchtstreek niet verloren, maar integendeel aan helderheid van kleur en aan 
glans van vederen nog gewonnen heeft. 

Omstreeks welken tijd de Fazanten in ons vaderland verspreid werden, is 
onzeker. Uit authentieke stukken blijkt intusschen, dat reeds in de laatste helft 
der veertiende eeuw hier te lande jagt op deze vogels gemaakt werd. — Langs 
den duinkant der provinciën Noord- en Zuid-Holland en in enkele streken van 
Utrecht komt de Fazant in geheel verwilderden staat voor. Evenwel zijn de mees- 
ten toch in de nabijheid van buitenplaatsen en op eigen jagtgronden te vin- 
den, waar men hen 's winters kan vangen en op luchtige zolders of in fazanteriën 
bewaren. 

Dienaangaande deelt de heer A. H. Verster van Wulverhorst in het Nederl. 
Tijdschrift voor Jagtkunde, dl. 111, blz. 34-5, het volgende mede: „Men 
bewaart de fasanten, welke men in het voorjaar weder wenscht uit te zetten, op 
luchtige zolders, in eene ruimte, door rietmatten afgesloten, van boven met een 
net bedekt, en op den bodem ruim van droog zand voorzien, of in drooge kip- 
penhokken, waaraan een ruime loop van latten, met een net overdekt, verbonden 
is: dit laatste is verkieslijk. — Het voeder bestaat uit boekweit met de buiten- 
bladeren van groene kool, en een groote aardenschotel moet steeds van versch 
water voorzien zijn. Kort vóór het loslaten, in het voorjaar, mengt men een wei- 
nig hennepzaad onder het voedsel ; men behoort evenwel te zorgen , dat de fasanten 
niet al te vet worden, vermits zulks van nadeeligen invloed op de ontwikkeling- 
der eijerstokken is". 

Tot het acclimateren van den Fazant moet eene uitgestrektheid van minstens 
zes bunders boschgrond goed omheind worden, zoodat er geene viervoetige roof- 
dieren kunnen binnensluipen. Daarbinnen worden nu in het voorjaar twee jonge 
hanen en tien a veertien volwassen hennen gebragt, bij voorkeur de zoodanigen, 
die reeds in het koude jaargetijde opgevangen waren, en waaraan men, alvorens 
ze los te laten, het eerste lid (de hand) der vleugels heeft afgezet (zoogenaamd 
leê-wieken). Daar men de aldus opgesloten vogels zoo min mogelijk dient te 
verontrusten, moet reeds bij voorbaat binnen de omheining natuurlijk voedsel aan- 
wezig zijn, en voorts het versche voeder zoo onbemerkt mogelijk of gedurende 
het koude jaargetijde aangebragt worden. De Fazanten zullen nu broeijen en na 
verloop van twee jaren dermate aan de plaats gehecht zijn, dat men des noods 
de omheining kan wegnemen. Reeds in hel volgende najaar kan er dan jagt op 



den vogel gemaakt worden, — voor jagtliefhebbers wèl een uitstekend genot, 
naardien de Fazant ongetwijfeld een der fraaiste en, bijzonder de jonge, een der 
fijnste wildsoorten is, welke de jagt oplevert, en zijne vederen tot verschillende 
doeleinden gebruikt worden. 

Vele Fazanten verwijderen zich echter van de streken, waar zij gehouden 
werden, en komen dan op ander grond- of jagt-gebied; deze zijn de eigenlijk ver- 
wilderde, die door de broodjagers geschoten worden, en van welke men in het 
voorjaar de eijeren vindt. Van die eijeren evenwel zijn doorgaans de in onze 
tuinen levende Fazanten afkomstig. 

Ook als sieraadvogels in de volière worden de Fazanten zeer gezocht. Deze 
volières dienen op droogen grond te staan, vijf a tien voet hoog en even breed 
te zijn, terwijl hei, achtergedeelte den vorm van een kippenhok moet hebben, 
waarin zich aan de onderzijde eene opening bevindt, die men sluiten kan. Nog 
beter is het, het voorgedeelte door glazen deuren te vervangen, waardoor men 
beter in de gelegenheid is, de vogels waar te nemen. In dit hok moeten rust- 
latten aanwezig zijn. Het is ook raadzaam, den grond der volière eenige voeten 
op te hoogen, omdat de vogel dan beter te zien is; in het midden van 
den opgehoogden grond wordt de drinkplaats aangebragt, steeds van versch 
water voorzien en met eenig struikgewas in de nabijheid. 

Van deze vogels bestaan onderscheidene bastaardsoorten, verkregen door 
kruising met den Goudlaken-, den Ring-, den Zilverlaken- en den Groenrugfazant. 
Voorwerpen, uit den Gewonen en den Ringfazant geteeld, zijn fraaijer dan de 
ouden en krijgen dikwijls een ring, die bijna den geheelen hals beslaat. In Engeland 
werd een bastaard gevonden, in vrijen staat door een Boschfazant en eene Korhen 
(Teirao tetrix) voortgebragt. Soms worden er ook lichtgekleurde en witte variëteiten 
aangetroffen, welke men Isabel- of ook Albino-fazanten noemt, en die gewoonlijk 



een rooden oogrand hebben. 



DE GOUDLAKEN-FAZANT. 

PIIASIANUS PIGTUS. 



Deze vogel, ook Gouden, Goudbonten of Goudlakensche Fazant genoemd, is 
meer om zijne rijke kleuren, dan wel om zijne zeldzaamheid gezocht en als sie- 
raadvogel veel algemeener, dan eenige andere fazantensoort. Hij behoort in China 
en Japan te huis, wordt daar mede als sieraadvogel gehouden, en was een der 
vroegst bekende hofvogels in het buitenland. 

Tol de eigenlijke Fazanten behoort hij niet, maar vormt, met nog eene andere 
soort (Phas. Amherstli), het nieuwe, door velen aangenomen geslacht Thaumalea. 
De rankere vorm, nekkraag en kuif, de met veeren bedekte wangen en zwakke, 
bijna geheel van sporen ontbloote pooten zijn voldoende redenen geweest om ze 
als een afzonderlijk geslacht te beschouwen. 

Er bestaan twee eenigzins verschillend gekleurde rassen dezer vogels, name- 
lijk, het lichte of oorspronkelijke, en het donkere; de hierbij behoorende afbeelding 
stelt het laatstgenoemde ras voor. Het oorspronkelijk vederkleed, namelijk dat 
waarmede de vogel in zijn vaderland getooid is, heeft niet de zoo fraaije kleur- 
teekening als dat van het tweede ras, maar de voorwerpen zijn lichter aan keel 
en wangen, het rood der onderdeden is minder diep, de vleugeldekveêren gaan 
meer naar het bruine over, de schouderveêren zijn minder helder gekleurd, de 
vleugelpennen zijn lichter en meer gevlekt, terwijl de vederen aan het achterlijf 
tot het geelbruine overgaan. De Hennen dezer beide rassen vertoonen soms, bij 
vergelijking, een min of meer aanmerkelijk verschil in donkerheid der strepen en 
rugveêren. Bij de Hennen ontbreken de zoo rijke kleuren geheel en al; de staart 
is korter, de iris bruinachtig, en het geheele vederkleed eenvoudig graauw aan de 
bovendeden en geelachtig met graauwe strepen aan den nek, de onderdeden en 
staart/pennen. Eene verdere beschrijving der wijfjes zal wel niet noodig zijn, daar 



zij met geene andere Fazant-Hennen overeenkomen en schier algemeen bekend 
zijn. 

De pasgeboren jongen zijn licht vuilgeel aan de geheele onderzijde van het 
ligchaam, graauw geschift op de vleugels, en effen graauw op rug en nek en aan 
den bovenkop; hunne wangen zijn naakt, vleeschkleurig en rondom het grijsachtio- 
gekleurde oog met eenige witte, zijdeachtige haartjes bezet, en hunne pootjes zijn 
geelachtig of vleeschkleurig. Naarmate zij ouder worden en er vederen tusschen het 
dons te voorschijn komen, worden hunne kleuren iets donkerder, maar gedurende 
hun eerste levensjaar blijven zij aan de oude Hen gelijk; eerst in het volgende 
voorjaar beginnen de mannetjes van kleur te veranderen, hetgeen echter zeer 
onregelmatig geschiedt, daar de veeren op verschillende plaatsen van het ligchaam 
langzamerhand tot het gele, geelroode en, zoo voortgaande, tot het roode over- 
gaan; gewoonlijk begint eerst de iris, dan de kop kleur te krijgen. In dit hun tweede 
levensjaar, gedurende hetwelk de meeste nog onvolmaakt gekleurd blijven, zijn zij 
nog tot voortteling ongeschikt; alleen sommige, vroeg in het voorjaar geboren 
jongen, die uit een sterk ras voortgesproten en onder gunstige omstandigheden 
opgegroeid zijn, paren reeds in den zomer van het tweede jaar. 

De volwassen Hanen toonen zich in den paartijd zeer jaloersch en zijn zeer 
aan hunne Hennen gehecht; onrustig loopen zij dan rondom hunne wijfjes, rig- 
ten de kuif op, breiden de vleugels uit, buigen en rekken zich uit en spreiden den 
breeden halskraag naar de zijde van het wijfje uit, zoodat zij dien nu eens aan 
den linker-, dan weder aan den regterkant oprigten en uitspreiden; alsdan is de 
Haan het fraaist en maken zijne kleuren het meeste effect. Het schijnt dat de man- 
netjes (even als die van de meeste andere vogelsoorten) van hunne vederpracht 
overtuigd zijn, en die fraaije kleuren zóó weten te toonen, dat zij daarmede hunne 
aanstaande wederhelft trachten te bekoren; daarom is het woord „pronken" zeer 
juist hierop toegepast. 

Kort na de paring legt de Hen vijf (soms minder) tot tien zandkleurige, glan- 
zige eijeren, welke zij (in gevangenschap) niet mag uitbroeijen, maar die onmiddelijk 
verwijderd en, als zij uitgelegd heeft, onder eene broeische Kip moeten gelegd worden. 

De jongen voert men met een mengsel van kruimels tarwebrood of beschuit, 
miereneijeren, maden of meelwormen en fijngehakt, hardgekookt ei (den dojer en 
het wit, of het eerste alleen). Naarmate zij ouder worden, mengt men wat ge- 
malen boekweit of havergort onder het voedsel, en bewaart de jonge vogeltjes 



in daartoe ingerigte houten kooijen, welke voor de eene helft uil digi timmer- 
werk bestaat, terwijl de andere open helft van boven van houten latjes of traliën 
voorzien is. Gedurende de eerste dagen laat men de Kloek (naam voor de Hen 
die de eijeren heeft uitgebroeid) er bij en verwijdert haar niet vóórdat de kuikens 
's nachts, of bij niet te warm weder, de moederwarmte kunnen ontberen; want 
door de koude sterven de meeste jonge vogels. De kooijen, waarin men de kuikens 
houdt, mogen dan ook gerust elijk aan de zonnewarmte worden blootgesteld, hoe war- 
mer het weder is, des te spoediger groeijen zij op. Als nu de jongen veeren beginnen 
te krijgen, kan men ze uit die gevangenissen bevrijden; maar men zorge steeds 
voor hunne veiligheid, wanneer zij in den tuin rondloopen. 's Nachts moeten zij 
eene schuilplaats kunnen vinden; daarom zijn groote, op den bodem van droog 
zand voorziene volières zeer geschikt om de jongen gdurende hun eerste levens- 
jaar te herbergen. Het plaatsen van eenige heesters of zoogenaamde palmboompjes 
is ook zeer nuttig; daardoor hebben zij over dag schaduw, 's Nachts sluit men 
de volières met luiken of plaatst men er een kippenhok in, wanneer zij niel 
zoodanig ingerigt zijn, als bij den Bosch-Fazant is aangewezen. 

De Goudlaken-Fazanten zijn in den natuurstaat zeer schuw, daarentegen zijn 
die, welke in gevangenschap geteeld zijn zeer mak, loopen gaarne 's zomers in 
de tuinen rond, en komen minder in de boomen, dan andere Fazanten. In den 
vrijen staat voeden zij zich met bladscheuten, zaden en insecten, die zij van den 
grond pikken; men behoeft dus, als zij in den tuin kunnen rondwandelen, weinig 
zorg aan hunne voeding te besteden; overigens geeft men hun hetzelfde voeder 
als aan den Zilverlaken-Fazant. 

Van alle fazantachtige hofvogels zijn deze het sterkst en het minst aan ziekten 
onderhevig. 

Er komen wel eens geringe kleurafwij kingen, b. v. individuen met gezoomde 
borstveêren, voor, maar bepaalde verscheidenheden worden er niet gevonden. 
Soms echter paren zij met de Hen van den Gewonen, den Groenrug- of den 
Zilverlaken-Fazant; de uit zulke paringen voortspruitende bastaarden hebben 
meestal grootendeels de kleuren van den Goudlaken-Fazant, doordien van dezen 
wel de Hanen, maar bijna nooit de Hennen met andere soorten paren. 

De tweede Thaumalea is Th. Amherstii van Tibet, welke wij niet in onze 
tuinen, maar alleen opgezet in sommige musea aantreffen. Deze heeft den vorm 
van de beschreven soort, maar is grooter, heeft een nog langer staart, en geheel 






andere kleuren, namelijk: bovenkop en wangen blaauw; keel, krop, mantel, 
schouderveêren, kleine vleugelpennen en dekveêren staalblaauw, met groenen 
weerschijn en donkere zoomen aan de veeren; nekkraag wit; iedere veder met 
een zwarten buitenrand; rugvederen wit en geel geschakeerd met zwarte 
zoomen, de buitenste rood; de smalle vederen op den staart, helder vermil- 
joenrood; de langste staartpennen zilverwit, met ongeveer dertig boogvormige, 
overdwarsche, zwarte strepen; de overige staartpennen en groote vleugelpennen 
bruinachtig. De in het Britsch Museum aanwezige vogel, die ongeveer de kleuren 
der Hen van den Goudlaken-Fazant heeft, doch blanker op de onderdeden, grij- 
zer op den rug en grooter is, en een gestreepten staart heeft, is waarschijnlijk 
eene Hen van Th. Amherstii; althans zij wordt daarvoor gehouden, omdat zij 
niet met zekerheid bekend is. 



I 



^^■^^^^^ 



i^am^^mm 




DE ZILVEKLAKENFAZANT. 

PHASIANUS NYCTEMERUS. 



Deze fraaije vogel wordt door de meeste natuurkundigen onder de Fazanten 
gerangschikt en is dan ook algemeen onder dien naam bekend; hij komt echter 
in vorm meer met de voorwerpen van een verwant geslacht (Gallophasis), de 
zoogenaamde Fazanthoenders, overeen, en kan dus meer als een tusschen dezen 
en de eigenlijke Fazanten staande vorm beschouwd worden. 

De Zilverlaken-Fazant behoort in China te huis, alwaar hij zich in begroeide 
vlakten en langs de zoomen der bosschen ophoudt. Even als de meeste andere 
fazantachtige vogels, komt hij dikwijls in de boomen en slaapt hij gewoonlijk op 
een tak zittende. Gedurende het warme gedeelte van den dag zoekt hij de scha- 
duw op, woelt zich in het zand of plaatst zich op een tak, en sluimert zoo 
eenige uren. Hij voedt zich, in den vrijen staat, met allerhande zaden, peul- 
vruchten, jong groen en bladscheuten. 

Bij den Haan zijn, gedurende den paar- en broeitijd, de naakte deelen aan 
den kop grooter in omvang en zeer helder rood. Hij kan dan die deelen eenig- 
zins intrekken en uitzetten, hetgeen hij dan ook meestal bij het paren doet. Zijn 
vederkleed verschilt aanmerkelijk van dat der Hen, die bijna geheel graauw is 
met meer of min grijs gespikkelde vederen aan de onderzijde van het ligchaam, 
terwijl hare staartpennen eveneens graauwachtig en van donkere overlangsche 
streepen voorzien zijn; zij is ook veel kleiner, haar staart korter, de sporen 
ontbreken haar, en de naakte deelen aan haar kop zijn niet zoo groot als die van 
den Haan. 

Als de jongen uitkomen, is hun vederkleed zeer verschillend van dat der 
ouden: de hoofdkleur is namelijk geelbruin, met eene donkere smalle streep over 
den rug, die aan weerszijden met een lichten band is afgezet; de schouderveêren 



zijn insgelijks donker en aan de vleugelzijde van witachtige banden voorzien ; de 
vleugeldekveêren zijn geel graauw, een weinig gevlekt en geelachtig wit aan de 
punt; de vleugelpennen zijn reeds eenigzins zigtbaar, ofschoon nog in een onvol- 
komen staat (dien der zoogenaamde stoppels) verkeerende; de bovenkop is geel- 
bruin met eene donkere streep achter het oog, en de naakte wangen hebben 
eene geelachtige tint. Deze zeer jonge voorwerpen hebben, wat vorm en kleuren 
van het dons betreft, zeer veel overeenkomst met de jonge Goudlaken-Fazantjes, 
van welke zij zich echter onderscheiden door het flets roode hunner pooten, 
terwijl deze bij de meeste andere jonge Fazanten graauw of geelachtig zijn. 

De jonge voorwerpen zijn aanvankelijk zeer zwak, maar groeijen snel en 
krijgen langzamerhand hun volkomen vederkleed. Tegen het einde van hun eerste 
levensjaar hebben zij in kleur wel eenige overeenkomst met de oude Hennen. 
De jonge Hanen worden ook langzamerhand wit en zwart, doch blijven tot aan 
het einde van hun tweede levensjaar meestal onregelmatig geteekend, zoodat de 
vederen op de eene plaats nog graauw, op de andere reeds volkomen gekleurd 
zijn. In hun derde levensjaar hebben zij, hoewel nog niet zoo fraai als de oudere 
Hanen, toch reeds hunne volmaakte kleuren en kunnen zij reeds voorttelen. 

De Hen legt gewoonlijk (in de volière) zes a twaalf geelachtig witte eijeren. 
Men laat haar die echter niet zelve uitbroeijen, omdat de Haan, door natuurdrift, 
haar te dikwijls van hare eijeren zou opjagen. Men moet dus, zoodra een ei ge- 
legd is, dit verwijderen en niet onder eene broeische kip brengen, vóórdat de 
Fazanthen geëindigd heeft met leggen. Na drie weken broeijens komen de jongen 
uit, die men met gekneusd hennepzaad, fijn gekruimd brood of beschuit en 
miereneijeren voedt en in houten bakken houdt, welke van boven van traliewerk 
voorzien zijn. Deze kooijen moeten vooral droog gehouden en voor de koude be- 
schermd worden, bij warm weder steeds buiten en gedurende het midden van 
den dag in de schaduw geplaatst zijn. Des ochtends en des namiddags mogen de 
jongen weer zonnewarmte genieten. 

De volières voor de ouden kunnen even als die van den Gewonen Fazant 
ingerigt worden. Het voedsel, dat ook voor alle fazantachtige vogels dienstig is, 
bestaat uit boekweit, haver of eenig ander graan, nu en dan een weinig jong 
groen of buitenbladeren van kool, en in het voorjaar een weinig hennepzaad. 

Bastaarden van den Zilverlaken-Fazanthaan en de Gewone Fazanthen zijn 
niet zeldzaam, evenmin die van de Hen van eerstgenoemde en den Haan van de 



gewone soort. Van de cerstgenocmden zijn de bastaardhanen meestal donker aan 
de onderdeelen, en wit, zwart en bruin aan het bovengedeelte, terwijl hun soms 
de kuif ontbreekt. De bastaardhanen der laatstgenoemden zijn iets grijsachtiger 
aan den buik en hebben minder bruin op de bovendeden, dan de oude Haan, 
maar gelijken overigens veel op dezen. 

Ten opzigte van bastaarden over 't algemeen zij hier nog opgemerkt, dat 
deze, onverschillig van welke vogelsoort, hier te lande zeldzaam zijn en gewoonlijk 
buiten toedoen van den vogellief hebber ontstaan, terwijl daarentegen in andere 
landen, en vooral in Engeland, zonderlinge bastaarden worden aangetroffen, door- 
dien men er zich daar op toelegt om, door het bevorderen van dergelijke natuur- 
spelingen, nieuwe rassen te verkrijgen. 



HET PAKELHOEK 

NUMIDA MELEAGRIS. 



Het geslacht Numida bevat een gering aantal soorten, welke onderling veel 
overeenkomst in kleur hebben en in Afrika te huis behooren. Zij hebben een zeer 
karakteristieken vorm en staan nagenoeg tusschen de Paauwen en de Hoenders 
in. Het eigenlijke vaderland van het gewone Parelhoen is de Westkust van Afrika. 
In verschillende streken van Amerika leeft het in het wild, en hierdoor is bij 
sommigen de meening ontstaan, dat het oorspronkelijk een Amerikaansche vogel 
zou zijn. In vele landen van Europa leeft het in tammen staat en zou ook daar 
al zeer spoedig verwilderen, indien men het aan zijn lot overliet, hetgeen in 
sommige landen van West-Europa werkelijk het geval is, zoodat men het daar 
als in den natuurstaat aantreft. Het is zeer waarschijnlijk dat de Parelhoenders 
reeds bij de oude Grieken en Romeinen als huisvogels bekend waren, aangezien 
Aristoteles, Clytus, Plinius, Varro en Columella er reeds gewag van maakten. 
Men treft ze ook, verwildert, in Indië aan. 

In Frankrijk noemt men ze Poules pintades, onder welken naam zij ook bij 
ons het meest bekend zijn. In Engeland heeten zij Guinea fowls; in Duitschland, 
Perlhuhn; in Italië, Gallina di Numidia; in Spanje, Pintado; in Portugal, Gal- 
linha de Guinea. De Spanjaarden in Amerika noemen ze Pintados; de Portu- 
gezen aan de Westkust van Afrika, Gallinha brava of Gallinha de matto. 

De Parelhoenders houden zich bij voorkeur in bergachtige streken op; zij 
loopen gaarne over vlakke, kale steenen; zij zijn schuw en verbergen zich bij 
het minste gevaar tusschen naden en kloven of in muren; zij vliegen zelden en 
slechts geringe afstanden; daarentegen loopen zij snel. 

Het mannetje (de Haan) draagt hetzelfde vederkleed als de Hen, maar is 
zeer gemakkelijk te onderscheiden aan zijn schel stemgeluid, daar de Hennen 



slechts kunnen kakelen; ook is hij grooter dan de Hen, en zijn bij hem de naakte 
baarden aan de keel grooter, meer in de hoogte uitgebreid en meer naar 
voren gerigt. Bij een troep Parelhoenders hoort men steeds Hanen en Hennen 
gelijktijdig, in dier voege, dat terwijl de Hanen hun geschreeuw aanheffen, 
de Hennen, bij wijze van antwoord of accompagnement, haar gekakel laten 
hooren. 

In den natuurstaat leven zij in monogamie en in troepen van tien tot dertig 
stuks. Op de Kaapverdische eilanden bewonen zij de toppen der hooge bergen, 
van waar zij echter in den regentijd naar de vlakten afdalen. Op het eiland San- 
tiago treft men ze het geheele jaar in de vlakten aan. Gedurende het warmste 
gedeelte van den dag verbergen zij zich achter steenen en woelen zich in het 
zand; zij liggen dan te sluimeren. In de vlakten van het eiland Santiago jaagt men ze 
's morgens vroeg, omdat zij dan meer geneigd zijn, zich door ontvlugten te 
redden, terwijl zij op het warmste gedeelte van den dag zich tegen vervolging 
behoeden door zich stil te houden, zoodat men hen alsdan voorbijloopt. Als zij 
opgejaagd zijn en een boom in de nabijheid zien, trachten zij dien zoo spoedig 
mogelijk te bereiken, springen dan zeer behendig eerst in de onderste takken en 
vervolgens van tak tot tak al hooger in den boom, waar zij dan in het gebladerte 
zich veilig wanen. Gedurende het loopen heffen zij een luid gekakel aan; maar 
naauwelijks in den boom gekomen, houden zij zich doodstil. Soms ook komt een 
tweede troep, door het gekakel verontrust, in denzelfden boom zijne toevlugt 
zoeken, zoodat dan velen gelijktijdig kunnen geschoten worden; want zoodra zij 
eenmaal in den boom zijn, verlaten zij dien niet vóórdat er dooden gevallen zijn. 
Alsdan kunnen sommigen wel eens onder het wegvliegen zoo hard neerkomen, dat 
zij de pooten breken. De geschiktste tijd, om ze daar te jagen, is Januarij en 
Februarij, omdat dan de jongen van het vorige jaar het best zijn om gegeten te 
worden. De opbrengst der jagt wordt in den regel naar de stad (Porto Praya) 
gebragt, en de gemiddelde prijs voor een geschoten Pintade is vijf a zes vintems 
(vijf a zes stuivers). 

De broeitijd aldaar is October en November. De Hennen woelen eene holte in het 
zand en brengen daar eenige verdorde bladeren in; in dit kunstlooze nest worden acht 
a twaalf geelachtig grijze, met fijne donkere stippen als bezaaide eijeren gelegd, die na 
26 a 28 dagen zijn uitgebloeid. De jongen, in hun donskleed, zijn licht en donker 
gestreept en hebben de pooten, den bek en de naakte deelen aan den kop rood- 



achtig-grijs; zij zijn zeer vlug, groeijen bijzonder snel op en hebben binnen zes 
weken reeds vederen; het hoorntje op den kop vertoont zich eerst als een 
donker knobbeltje; de baarden of lellen blijven het eerste jaar veel kleiner, en 
de naakte deelen aan den kop zijn bij de eenjarige vogels minder helder ge- 
teekend. 

De Parelhoenders voeden zich met granen, zaden, bezien van lage planten 
en insecten. Hoe meer plantaardig voedsel zij eten, des te beter is hun vleesch 
en des te spoediger zijn zij vet. 

In den tammen staat vereischen de ouden weinig, de jongen daarentegen 
veel zorg. Zij loopen gaarne vrij in de tuinen rond, maar geven de voorkeur 
aan de weiden en vooral aan de graanvelden. Men kan een drietal Hennen bij 
één Haan laten. De Hennen trachten steeds hare eijeren te verbergen. Zij leggen 
die, gewoonlijk na den middag, in het hooge gras. Als men ze gevonden heeft, 
legt men ze onder eene broeische Kip. Van de tien eijeren kan men echter in 
de meeste gevallen niet meer dan zes a zeven jongen verwachten, want vele 
der in tammen staat gelegde eijeren zijn onbevrucht. 

De Kuikens zijn zeer zwak, en hebben veel warmte en een krachtig 
voeder noodig. Het beste, wat men hun geven kan, is een mengsel van zonder 
zout gekookte aardappelen met boekweit en een weinig zand, welk mengsel, met 
karnemelk tot eene dikke brij geroerd, hun drie- a viermaal daags wordt toege- 
diend. Om het uur geeft men hun voorts een weinig droog voeder, bestaande 
uit hardgekookt en fijngehakt ei, broodkruimels en miereneijeren. Nu en dan 
laat men hun eenige levende meelwormen oppikken. Aan de ouden geeft men 
boekweit, in het voorjaar een weinig hennepzaad en wat van het voedsel voor 
de jongen. Als men hen vrij laat rondloopen, voorzien zij voor een groot gedeelte 
zelve in hun onderhoud. 

Er bestaan witte , grijze en ook donkere verscheidenheden. Zeldzamer zijn de 
ongestipte en de bonte, welke laatsten men verkrijgt door de type met de witte 
verscheidenheden te laten paren. Bastaarden van Parelhoenders en fazant- of hoen- 
derachtige vogels behooren tot de uitzonderingen. 



DE GOUDPELSHAAK 

GALLUS DOMESTIGUS. 



Het geslacht Gallus, waaronder onze tamme Hoenders worden begrepen, 
bevat vier kenbare soorten, namelijk: G. ferrugineus, Gmelin, (G. Bankiva, Tem- 
minck), een vogel uit Achter-Indië ; G. Sonneratii, van Zuid-Indië; G. furcatus, 
van Java, en G. Stanleyi, van het eiland Ceylon. 

Onder eenige anderen, waarvan men tot heden niet met zekerheid heelt kun- 
nen bepalen, of het eigenlijke soorten zijn, behoort nog G. aeneus, beschreven 
als afkomstig van Java en later onder den naam G. Temminckii afgebeeld. 
Deze vogel wordt door vele natuurkundigen voor een bastaard van G. furcatus 
en G. ferrugineus gehouden. 

Volgens vele schrijvers zijn onze tamme Hoenders van de vier genoemde 
soorten afkomstig; de meeningen daaromtrent loopen evenwel zeer uiteen. De tegen- 
woordige natuurkundigen, die aangaande dit onderwerp ijverige en menigvuldige 
onderzoekingen in 't werk stelden, zijn tot het besluit gekomen, dat onze Hoen 
ders alléén uit G. ferrugineus zijn voortgesproten, en dat bij gevolg al de zoo 
verschillende rassen van ééne en dezelfde soort afkomstig zijn. Zooveel is trouwens 
zeker, dat men geen der tamme rassen in den natuurstaat aangetroffen heeft, en 
hieruit blijkt dan ook, dat al de bestaande rassen door bijkomende omstandig- 
heden zijn ontstaan. 

De meening, dat door kruising der vier genoemde eigenlijke soorten ook 
variëteiten zijn voortgekomen, is geheel en al ongegrond; want de proeven, dien- 
aangaande genomen, hebben bewezen, dat de bastaarden, uit vermenging dier 
soorten voortspruitende, onvruchtbaar zijn. De rassen der tamme Hoenders ver- 
menigvuldigen zich daarentegen onderling, zoodat men nog telkens nieuwe 
rassen kan aankweeken. 



Het zal ons niettemin onbegrijpelijk voorkomen, dat al de zoo verschillende 
Hoenders slechts aan ééne soort hun oorsprong te danken hebben, en dikwijls 
zal men zich afvragen, hoe het toch mogelijk is, dat het eene ras zulke groote 
voorwerpen, het andere daarentegen slechts dwergen voortbrengt; hoe de Dor- 
kinghoenders tot drie achterteenen kunnen hebben, terwijl alle andere hoender- 
achtige vogels er slechts één bezitten, en van waar die menigvuldige verscheiden- 
heden in kleurverdeeling, vorm van kam of zonderling gevederte? Het ligt 
natuurlijk niet zoo gereedelijk voor de hand, al deze vragen te beantwoorden en 
die antwoorden met bewijzen te staven; maar, merken wij dergelijke verschijnselen 
ook niet bij zoogdieren op, zoo als bij de Honden, Schapen enz.? Evenals dezen, 
kunnen ook de vogels in vorm of kleur verschillen. Ieder weet trouwens, dat 
verschil van luchtstreek en gevangenschap bij de dieren zeer groote afwijkingen 
van de oorspronkelijke typen te weeg brengen. Wij merken dit, voor zooveel het 
verschil van luchtstreek betreft, zelfs bij de dieren in hun natuurstaat op, en 
er zijn dan ook weinig levende natuurproducten, waarvan geene witte of zwarte 
verscheidenheden bestaan. 

Beschouwen wij nu de kleur der stammoeder van onze tamme Hoenders, dan 
komen wij tot de overtuiging, dat de afwijkingen bij hen niet eens in zoo ruime 
mate voorkomen, als bij de zoogdieren; want bij schier al onze tamme Hoenders 
vinden wij de kleuren van het stamras geheel of eenigermate gewijzigd terug. 
Als nu van de oorspronkelijke soort reeds witte en zwarte variëteiten bestaan, of 
later bij de geacclimatiseerde voorwerpen ontstaan kunnen, dan is het een zeer 
eenvoudig verschijnsel, dat er tegenwoordig witte of zwarte Hoenders leven en 
dat van bijna alle rassen witte voorwerpen gevonden worden. 

Wanneer nu zwarte met witte variëteiten paren, dan kunnen wij ons het 
ontstaan der bonte Hoenders voorstellen. Paren deze bonte weder met witte, dan 
begrijpen wij den oorsprong der zilverbonte, zilverpellen, witbonte Dorkings 
en anderen. Men vindt ook dezelfde kleurteekening van zwart en wit bij vele 
verschillende rassen. Dit geldt ook voor de Hoenders met goudgele en bruine 
bovendeelen en donkere of zwarte borst- en buikvederen. Laat men dezen laatsten 
weder met witte voorttelen, dan ontstaan gewoonlijk geelbonte voorwerpen, welke 
echter meestal ook eenig wit aan het ligchaam hebben; gewoonlijk zijn dan de vleugels 
wit. De vaalroode of zoogenaamde gele kleur van sommige Hoenders is juist eene gelijke 
vermenging der drie voornaamste hoender-kleuren, namelijk geelbruin , zwart en wit. 



Geheel zwarte tamme Hoenders kunnen als klimaatsvariëteiten, of als afwijkingen, 
ten gevolge van het voedsel, beschouwd worden, üe geheel zwarte Hoenders zijn echter 
minder algemeen, en van slechts weinig Hoenderrassen zijn de voorwerpen geheel 
zwart. Op gelijke wijze, als, door kruising van voorwerpen, die onderling in gevederte 
en kleur verschillen, vele nieuwe tinten of kleurspelingen zijn ontstaan, zijn ook de 
verschillende vormen te voorschijn gekomen: groote voorwerpen zullen groole nako- 
melingen voortbrengen, en wanneer er door sommige omstandigheden kleinere 
of zwakkere individuen ontstaan, dan zullen dezen, gepaard met andere, eveneens 
kleine voorwerpen, ook een minder groot ras voortbrengen. Ditzelfde geldt ook 
voor den vorm, de breedte of lengte van kam en baarden bij de Hanen. 

Daar nu de verschillende rassen steeds onder elkander gemengd zijn en on- 
derling voorttelen, is het bestaan van de zoo menigvuldige rassen zeer begrijpelijk; 
ten gevolge van dezelfde oorzaak vinden wij ook zoo vele Hoenders, die gelijktijdig 
de kenteekenen van verschillende rassen aanbieden, doch juist daardoor niet tot 
een bepaald ras behooren. Verreweg de meeste Huishoenders zijn dan ookrasloos, 
d. w. z., behooren niet tot een bepaald ras. De hoenderkenners, kooplieden en 
liefhebbers noemen dus een ras „echt", wanneer de Haan met de Kippen de be- 
paalde kenteekenen van het soort (of ras) dragen. Als nu de Hoenderfamilie echt 
is, dan zullen gewoonlijk ook de daaruit voortgesproten jongen dezelfde kleuren 
als die der ouders dragen, ten minste wanneer de rassen, waartoe de ouden be- 
hooren, niet te kunstmatig zijn ontstaan. In het laatste geval krijgen de jongen 
dikwijls de kleuren van andere soorten, een gevolg van de geringe standvastig- 
heid van het ras der ouden. Zoo b. v. hebben de jongen der Negerhoenders 
dikwijls roode wangen, ofschoon deze, volgens het raskenmerk, blaauw moes- 
ten zijn. 

Onze gewone of Goudpelshaan, de echte Hof haan of, nog liever, de Boeren- 
haan, wordt dikwerf voor echt gehouden, terwijl hij de echtheidskenmerken mist. 
Vele Hoenders mogen evenwel, ofschoon zij niet zoogenaamd echt zijn, fraaijer 
genoemd worden, dan die welke de vereischte kenmerken bezitten. 

Onze Goudpelshoenders worden echt genoemd, als de Haan bijna geheel geel- 
bruin is met bruin bronskleurige staart-dekvederen (wij bedoelen hiermede de 
lange gebogen veeren, die over den eigenlijken staart hangen); ook moet de kam 
dubbel, d. w. z., breeder of ten minste even breed als de kop zijn, voorts ge- 
karteld aan de bovenvlakte, vleezig en stijf, en hoogrood van kleur; de naakte 



wangen en baarden (zoogenaamde lellen) moeten mede rood, doch de oorlel zuiver wil 
zijn, wil aan de echtheidskenmerken voldaan zijn. De pooten zijn bij den echten 
Haan grijs en, in verhouding tot het ligchaam, klein; het ligchaam is breed, en 
de bruine vederen van den hals, alsmede de neerhangende rugvederen, mogen 
niet gevlekt of gestreept, doch moeten éénkleurig en glanzig zijn. 

De Hennen moeten eene geelbruine kleur hebben met lichter gekleurde nek- 
vederen, die evenmin gevlekt mogen zijn; de overige vederen van haar ligchaam 
moeten aan de punt eene breede, zwartachtige vlek hebben, waardoor de over- 
langsche streepen ontstaan; hare oorlel moet, even als die van den Haan, zuiver 
wit zijn. 

De Goudpellen zijn echter niet alledaagsch; ten minste schaars wordt een 
stel van zes Kippen met Haan aangetroffen. Gewoonlijk zijn de Kippen met den 
bruinbonten Haan in gezelschap, of de Haan met vale of gele Hennen. 

De Goudpelskippen zijn puike eijerleggers, doch minder goede broeisters. Zij 
aarden het best op drooge gronden, op landerijen of nabij boerenwoningen. 

Eene aan onze Goudpellen verwante soort is de Goudbonte, ook Fazanthaan 
genaamd, die fraaijer, maar zeldzamer is, dan de hier beschreven soort. 




1 






• e, • »T' - 2» -■;:' .' 
^ S f 1 % 
> Hf S • 







| P 









< v . 



DE ZILVEKBONTE HAAN. 

GALLUS DOMESTIGUS. 



Onder onze Tamme Hoenders zijn verschillende rassen, wier hoofdkleuren 
wit en zwart zijn. Bij onderscheidene vormen van Hoenders zijn beide kleuren op 
dezelfde wijze verdeeld, zoodat men bij vele zeer uiteenloopende rassen dezelfde 
witte en zwarte kleurteekening terugvindt. 

Geheel witte voorwerpen worden echter meerendeels onder de Gochinchina's, 
Brahma's, Dorkings, Serailhoenders, Bantams en Krielen gevonden. Witte Spaansche 
Hoenders zijn weder zeldzamer, en geheel witte Pellen zeer schaarsch. Onregel- 
matig wit en zwart geteekende komen onder alle rassen voor, en deze zijn dan 
bijna altijd zoogenaamd „valsch" of rasloos. Regelmatig wit en zwart gekleurd zijn 
de Zilverbonte, de Poolsche Hoenders, de Houdans en de Uilebaarden. Onder de 
witte met zwarte vlekjes en streepjes merken wij de Zilverbonten, de Zilverlakens 
en de Zilverpellen op. 

De Zilverbonten zijn in ons land niet zeer algemeen, en de voorwerpen, die 
wij onder dezen naam aantreffen, voldoen gewoonlijk niet aan het vereischte echt- 
heidskenmerk. De echte Zilverbonte Hoenders zijn waarlijk prachtige vogels; de 
Haan zoowel als de Kippen hebben inderdaad schoonheidswaarde. Als de Haan 
echt is, moeten zijne kleuren de volgende verdeeling hebben: het achterhoofd en 
het bovengedeelte van den nek zilverwit, met zwarte, elstvormige vlekjes langs de 
schacht der onderste vederen; hoe minder gele gloed er over den nek ligt, en 
hoe glanziger wit de veeren zijn, des te fraaijer is de vogel voor den hoender- 
liefhebber. Voorts moeten borst en buikveêren wit zijn, met zwarte, nagenoeg- 
ronde vlekken aan de punt, welke vlekken, naarmate de vederen grooter worden, 
in omvang toenemen. Achter de pooten tot onder den staart wordt het zwart de 
hoofdkleur, en de witte basis der veder minder zigtbaar. Op den rug breedere, 



aan de schouderveêren langere zwarte vlekken. Iedere vleugeldekveder en slagpen 
heeft eene breede, groenzwarte, ronde vlek; de langere stuitveêren zijn wit en, 
even als die van den nek, glanzig, en alleen de onderste veeren zwart gestreept. 
De vederen aan de dijen, voor zoover die buiten het ligchaam aan de pooten zigt- 
baar zijn, mede wit met groote zwarte stippen; ook de staartpennen, korte en 
lange staartdekveêren wit met zwarte, lange strepen, die in lengte toenemen naar- 
mate de veder langer wordt. 

De echte Zilverbonte Haan heelt een wasachtigen, karmijnrooden, dubbelen 
kam, die, aan de voorzijde breed, naar achteren spits toeloopt; deze kam is sterk 
gekarteld, vleezig, en staat vast op den kop. De baarden en naakte wangen zijn 
helder rood, de ooropening wit, de iris donker oranje, en de pooten grijs. 

De Hennen hebben iedere veder wit met eene zwarte vlek; aan den nek wor- 
den deze vlekken langer en gaan meer tot strepen over. Zij moeten kleine maar 
roode dubbele kammen, kleine baarden en wangen van dezelfde kleur hebben, 
terwijl de oorstreek, even als die van den Haan, wit moet zijn, doch meestal vaal 
grijs of rood is. 

De pasgeboren kuikens zijn wit met meer of min zacht grijze wolkjes over 
het ligchaam; hunne eerste veeren zijn grijs en wit gestreept, iets lichter aan den 
nek; eerst na de ruijing komen de zwarte vlekjes te voorschijn. 

Deze Zilverbonte Hoenders zijn puike eijerlegsters en de meeste eijeren zijn 
bevrucht, hetgeen ten eerste aan de vruchtbaarheid van het ras is toe te schrijven, 
ten andere daaraan, dat men ze zelden zonder Haan aantreft, omdat de meer zeld- 
zame Hoenders eerst dan waarde hebben, wanneer de Haan met minstens twee 
Kippen vereenigd is. Doch, ofschoon de eijeren meestal bevrucht zijn, is het toch 
beter, ze door andere broeische Kippen te laten uitbroeijen, daar de Zilverbonte 
Hennen beter leggen dan broeijen, waarschijnlijk ten gevolge der overgroote natuur- 
drift van den Haan. 

De kuikens zijn buitengewoon levendig en vlug, en groeijen snel; zoodra zij 
(eenige uren na de geboorte) zoogenaamd „nestrijp" of droog zijn, pikken zij reeds 
voedsel op en zijn bijzonder mak. Na eenige weken kan men reeds aan de grootere 
voorwerpen de Hanen herkennen. Het is opmerkelijk, dat er dikwijls onder zulke groote 
voorwerpen gevonden worden, die na de ruijing, zelfs bij een grooten kam en vrij 
lange baarden, de kleuren der Hen vertegenwoordigen en gedurende hun geheel 
leven behouden, zoodat er van dit ras Hanen met kippen-kleuren voorkomen. 



Een verwant ras, dat dikwijls met de Zilverbonten vermengd wordt, en dat 
wij tot verduidelijking Zilverlaken-Hoenders zullen noemen, heeft tot kenmerk, 
dat bij den Haan zoowel als bij de Hen de zwarte vlekken kleiner en smaller, 
meer overdwarsche streepjes zijn, en dat bij den Haan het zwart aan nek en stuit 
smaller is en zich op een kleiner aantal veeren vertoont. 

Men kan beide rassen het best van elkander onderscheiden door de evenredig- 
heden der grootte van de twee rassen; bij de Zilverbonten zijn namelijk de Hennen 
in verhouding tot den Haan groot, bij de Zilverlakens daarentegen klein; met 
andere woorden: de Hennen van het eerste ras zijn grooter dan die van het 
tweede, maar de Hanen van het eerste kleiner dan die van het tweede (de Zil- 
verlakens), welke laatste soort zich ook vooral door hoogere pooten onderscheidt. 

Ook de Zilverlakens brengen Hanen voort, die de kleuren der Hennen ver- 
toonen, en beide rassen hebben, wat hunne levenswijze betreft, veel overeenkomst, 
hoewel het twee zeer gekenmerkte, standvastige rassen zijn. 

Een derde hoenderras, welks naam meer algemeen bekend is, zijn de Zilver- 
pellen; velen worden echter ten onregte voor echt gehouden, terwijl zij slechts 
uit kruisingen van Witte Hoenders met Zilverbonten en Zilverlakens of met echte 
Pellen ontstaan zijn. Zoo merken wij onder deze Hoenders dikwijls voorwerpen 
(Hennen) op, die meer zwart aan het ligchaam hebben en grooter zijn dan andere, 
die onder denzelfden naam bekend staan. Deze zijn uit kruisingen van Zilverbon- 
ten of Zilverlakens met Zilverpellen voortgesproten. 

De echte Pellen zijn aan de volgende kenmerken te onderscheiden: de Haan 
klein, met zwaren kam, tamelijk groot oog, naar achter gebogen nek en hoog 
opstaanden staart; hoofdkleuren glanzig wit, meer of min met gelen weerschijn 
aan nek- en stuitvederen; geen zwart aan de vederen, dan alleen de lange, zeis- 
vormige staartdekveêren (zoogenaamde staart), die geheel zwart met metaalglans 
zijn. Deze Haan is levendig, kraait gestadig, heeft een trotschen gang, kijkt ernstig 
en is zeer dapper. De Hen heeft een kleineren, doch dubbelen kam, en zeer 
kleine baarden; wangen en kam, even als die van den Haan, karmijnrood, en de 
oorstreek wit; nek wit; het overige ligchaam met kleine, smalle, zwarte, over- 
dwarsche strepen aan de vederen; pooten, even als die van den Haan, grijs. 

Deze meer algemeene, maar steeds gezochte Zilverpellen hebben, om de kleine, 
doch zeer fijne eijeren, de voorkeur boven vele andere rassen. Broeisters zijn het 
echter minder, zoodat men gewoonlijk het uitbroeijen aan andere Hennen overlaat. 



De kuikens zijn zeer klein, maar, even als die der twee genoemde rassen, zeer 
vlug, en groeijen spoedig. 

Er bestaan van deze drie wit en zwart geteekende Hoenders nog variëteiten, 
of, naar men wil, bijrassen, die enkele, in plaats van dubbele kammen hebben. 

Zilverpels-Hennen ziet men dikwijls gepaard met een Haan, die alle raskem 
merken bezit, behalve dat de staart wit is; de daaruit voortspruitende jonge Hennen 
zijn, als eigenlijke Zilverpellen, even fraai, maar de Hanen krijgen bonte staarten 
en zijn voor den liefhebber minder waard. 

Geheel witte Pellen (witte Haan met witte Hennen) zijn zeldzaam, en de onder 
dien naam doorgaande voorwerpen zijn gewoonlijk uit andere gekruiste rassen 
ontstaan. 

De Zilveiiaken-Fazant (Phasianus nyctemerus) paart wel eens met de Hennen 
van genoemde rassen, en omgekeerd de Hanen dezer laatste met het wijfje van 
genoemden Fazant. In het eerste geval hebben de Bastaard-Hanen nagenoeg de 
kleuren der moeder, maar minder of onregelmatig geteekend zwart, een liggenden 
staart en roode pooten. 

Als de Hoender-Hanen met de Fazant-Hen paren , komen de kleuren der daar- 
uit voortspruitende jongen meer met die der moeder overeen. Een zoodanig voor- 
werp, in 't bezit van zekeren liefhebber hier te lande, en uit den Zilverpels- 
Haan geteeld, had de volgende bijzonderheden: het ligchaam geheel wit en graauw 
gepoederd, met een verlengden, maar dunnen kam (nagenoeg als bij den Fazant- 
Haan) van eene donker roode kleur; de staart meer opwaarts gerigt en de langste 
veeren met de uiteinden naar buiten gekeerd en eenigzins vorkvormig; alle staart- 
pennen wit, zwart en aschgraauw gestreept en gevlekt; de vleugelpennen van 
dezelfde kleur; pooten flets rood en met sporen, zoodat het een mannelijk voor- 
werp toonde te zijn. Dit product paarde, of liever trachtte te paren met eene 
Zilverpels-Hen, welke wel is waar eijeren voortbragt, doch eijeren die natuurlijk 
geene kiem konden bevatten. 




J& 






DE ZWAKTE POOLSCHE HAAN. 

GALLUS DOMESTICUS. 



Poolsche Hoenders behooren tot een zeer oud ras, ofschoon zij hier te lande 
nog niet zoo lang schijnen ingevoerd te zijn. Hetzelfde is met vele Hoenderrassen 
het geval; hetgeen in andere landen algemeen is, moet in ons Nederland, dik- 
wijls zeldzaam of nieuw toeschijnen. Dit is te wijten aan ons klimaat, en vooral 
aan onzen vochtigen grond, waarop weinig Hoenders het lang kunnen uithouden. 
Vandaar dat vele der bij ons ingevoerde rasseji al kwijnende te niet gaan, of 
niet gezocht zijn, omdat men vooruit weet, dat zij den houder weinig voordeel 
zullen aanbrengen. Dit geldt vooral de zoogenaamde „Poolsche"; want, wil men 
er voordeel of genoegen van trekken, dan dienen zij op een droogen zand- 
grond te leven; daarom ook kunnen zij in slechts enkele streken van Neder- 
land tieren. 

Hoe en wanneer deze Hoenders ontstaan zijn, is den geleerden en liefhebbers 
nog niet met zekerheid bekend; reeds Aldrovandus beschreef Hoenders met kuiven. 
Dat zij niet van den stamvader Gallus ferrugineus voortgekomen, maar als zelf- 
standige soort in den natuurstaat zouden aangetroffen zijn, is wel eens ondersteld, 
zelfs door sommigen aangevoerd, maar niet aan te nemen; want kuiven bij Hoenders 
zijn niets meer dan kuiven bij Kanarievogels (welke vogels, naar men weet, oor- 
spronkelijk niet het minste teeken daarvan bezitten). 

Het meest opmerkenswaardige der meeste Kuifhoenders is, dat niet alleen de 
bovenkop van verlengde veeren is voorzien, maar dat ook de schedel veel verhe- 
vener is, dan die van eenigen anderen hoenderachtigen vogel. Bovenop de kruin 
bevindt zich een beenachtig uitwas, of liever, eene vrij aanmerkelijke verhevenheid 
van de hersenpan; reeds daardoor zouden deze Hoenders, al hadden zij ook op de 
huid van den bovenkop geene zulke lange vederen, niettemin een kuifachtig voor- 



komen hebben. De schedel heeft wel eenige overeenkomst met dien van het Parel- 
hoen, hetgeen Pallas aanleiding heeft gegeven tot de meening, dat deze vogels bast- 
aarden van Hoenders (Gallus) en Parelhoenders (Numida) zouden zijn. Voor 't 
overige valt aangaande de kuifveêren nog op te merken, dat deze niet, zoo als bij 
andere gekuifde vogels, afzonderlijke kuifveêren of pluimen, maar slechts eene ver- 
lenging der nekveèren zijn. De Haan heeft lange, smalle, en de Hen breede, ronde 
nekveêren, en ditzelfde onderscheid is ook in beider kuifvederen op te merken; 
trouwens is dit bij alle Hoenders met kuiven, onverschillig tot welk ras zij behoo- 
ren, een vaste regel. 

Aan die verhevenheid nu van schedel en kopveêren bij beide seksen heeft 
men, hoewel door woordverbastering, den naam „Poolsche" te danken. In 
Engeland namelijk — waar meer gelegenheid en ook meer liefhebberij voor het 
kweeken en houden van Hoenders bestaat — noemde men deze vogels aanvankelijk, 
met het oog op bedoelde verhevenheid, „Pollish fowls" („poll" beteekent hoofd 
of achterhoofd); later noemde men ze „Polish" en tegenwoordig „Polands". Dit 
neemt echter niet weg, dat zij in Polen al even weinig bekend zijn, als hier te 
lande, en dat ook hun oorsprong niets met genoemd land te maken heeft. Hier 
te lande worden zij ook „Kuifkippen", en de Haan „Kuifhaan" genoemd. Sommigen 
noemen ze ,, Poolsche Hoenders", en begrijpen daaronder alle rassen, die verlengde 
bovenkopveêren hebben. Het verkieselijkst is echter, de meest algemeen bekende 
soorten eenvoudig Poolsche, en de meer zeldzame naar hunne eigenaardigheid te 
noemen; als zoodanig hebben wij: 1°. Gewone Poolsche (van welke de Haan hierbij 
is afgebeeld); 2°. Zilverbonte, en 3°. Goudbonte Poolsche Hoenders. 

De Gewone of meest algemeene Poolsche zijn de zwarte met eene zilverwitte 
kuif. Er zijn echter ook grijze en geheel witte met witte kuiven, alsmede geheel 
zwarte, geheel grijze en zelfs witte met zwarte kuiven; maar deze laatsten zijn 
zeldzamer, en aangezien er wel eens te koop werden aangeboden, die oorspronkelijk 
wit, maar welker kuiven kunstmatig gekleurd waren, zijn velen van meening, dat 
laatstbedoeld ras nooit bestaan heeft. 

De zwarte met witte kuiven zijn tegenwoordig overal ingevoerd en worden 
vooral als sieraadvogels steeds gezocht. Echtheidskenmerken zijn bij hen duidelijker 
zigtbaar, dan gewoonlijk bij andere rassen het geval is; want het voornaamste 
kenteeken ligt bij hen in de kuif en in de kleuren van het gevederte. Bonte kuiven 
zijn menigvuldig, maar daarom niet minder gezocht. Bastaarden van gekuifde en 



kuiflooze Hoenders kunnen nooit voor Poolsche doorgaan; want het kenteeken 
vertoont zich bij hen zoo gebrekkig-, dat niemand er zich in kan vergissen. 

De Haan nu is steeds zwart, met glanzige veeren, die een groenen en soms, 
naarmate er het licht op valt, een violetten metaalglans hebben; de kuifVeê ren zijn 
zuiver glanzend wit, de naakte wangen en baarden donkerrood, de bek en de 
pooten donkergrijs en de iris geelbruin. De bek is iets meer naar beneden gebo- 
gen en langer dan bij andere Hoenderrassen. Het ligchaam is breed, krachtig en 
zwaar, en een volwassen Haan weegt 2 a 27 2 kilo. Hij is even groot als de Goud- 
pelshaan, maar iets zwaarder. 

De Hennen zijn minder glanzig zwart, en hebben, gelijk wij hiervoren aan- 
merkten, eene uit rondere veeren bestaande kuif. Bij haar schijnt die kuif nog 
breeder, en zijn zelden de oogen zigtbaar, hetgeen door het meer breede en minder 
bewegelijke harer veeren veroorzaakt wordt, terwijl deze bij den Haan langer zijn 
en daardoor . heen en weder kunnen slingeren, zoodat hij, ook doordien zijne 
veeren zoo veel smaller zijn, er veel beter tusschen door kan zien. De naakte 
deelen aan haar kop en hare pooten hebben dezelfde kleur als bij den Haan; 
daarentegen is haar snavel iets lichter van kleur, maar ook omlaag gebogen, 
terwijl hare iris meer naar het bruine trekt. 

Bij de pas uitgekomen kuikens ontbreekt de kuif, maar is reeds de verheven- 
heid van den schedel duidelijk zigtbaar, en daaraan kan men dan reeds spoedig 
bemerken, welke later de fraaiste kuiven zullen krijgen; want hoe meer ontwik- 
keld die verhevenheid is, des te langer en voller worden de veeren op den 
bovenkop. 

De Hen is eene goede broeister, en men kan haar dan ook het uitbroeijen 
zeer wel toevertrouwen. Toch is het voordeeliger, de eijeren onder andere Kippen 
te leggen, aangezien men dan een grooter aantal eijeren van de moeder-Hen (de Kloek) 
verkrijgt. Sommige liefhebbers beweren, dat de Hen slecht broeit, maar daarentegen 
zeer veel eijeren legt. Het is daarom nog niet bewezen, dat het eerste, als eene 
slechte eigenschap, voor het ras in het algemeen geldt; trouwens iedereen weet, 
dat de hoedanigheid van voeder en localiteit veel invloed op het eijerleggen uit- 
oefent, en dat Kippen, die eenmaal aan het leggen geraakt zijn, niet op eens kun- 
nen ophouden, en dus ook niet drie weken achtereen rustig kunnen blijven zitten. 

De eijeren zijn tamelijk groot en meestal puik van smaak. De kuikens ont- 
wikkelen spoedig, wanneer voor hunne opvoeding behoorlijk zorg wordt gedragen. 



Zoodra zij kuiven krijgen, moet men ze niet in den regen laten loopen, aangezien 
de regendroppels, tusschen de kuifveêren doordringende, den kop vochtig maken, 
hetgeen verkoudheid (zoogenaamde snot) en ziekelijke oogen kan te weeg brengen, 
welke laatste kwaal ook door vochtigen grond en door te nat voeder veroorzaakt 
wordt. Het eerste vereischte, ter voorkoming of genezing van deze kwalen, is dus 
een drooge zandgrond en beschutting voor regen. Het voeder moet zooveel mogelijk 
droog zijn, zoodat haver, rogge, gerst en boekweit voor hen bij uitstek geschikt 
is; ook drooge, gekookte en fijngewreven aardappelen, gekookte rijst en stukjes of 
kruimels brood zijn goed voor hen, maar men moet dit niet, zoo als voor vele 
andere Hoenderrassen, met karnemelk aanmengen. Een meer vochthoudend voedsel 
moeten zij zelf kunnen opsporen; daarom plante men eenige braambeziestruiken 
in de nabijheid hunner loopplaats, of late ze nu en dan op een weiland of (als 
het den houder niet te schadelijk is) op een moesgrond wandelen. Heuvelachtige 
streken, waar heide en in den omtrek ook braambeziën in 't wild groeijen, 
zijn voor dit ras het meest geschikt. Het is nogtans raadzaam, ze niet te 
ver of zonder toezigt te laten rondloopen, daar Hoenders met kuiven veel meer, 
dan zoo vele andere soorten van vogels, aan onverhoedsche aanvallen van roofdieren 
blootgesteld zijn, vermits hunne kuifveêren dikwijls voor of over de oogen hangen 
en hen daardoor beletten, vrij in 't rond te zien. Door diezelfde oorzaak zijn zij 
ook zeer schrikachtig van aard, en men zal daarom wel doen, wanneer men ze 
nadert, zich eerst te laten hooren, daar men anders, door hen onverwachts aan te 
pakken of door eensklaps voor hen te verschijnen, hun een doodelijken schrik zou 
kunnen aanjagen. 




-, 



Tim- 

- I 

| 






l* 




¥ 






DE VALE COCHINCHINA-HAAN. 

GALLUS DOMESTICUS. 



Onder den naam Cochinchina's verstaan wij verschillende Hoenderrassen, die 
door hunne buitengewone grootte alle andere Hoenders overtreffen. Hunne meer- 
dere grootte bepaalt zich vooral tot ligchaam, pooten en nek; hun kop is naar 
evenredigheid niet grooter dan die van andere Hoenderrassen; en hun staart is zelfs 
veel korter; daarentegen zijn de vederen aan het achterlijf bij hen weder sterker 
ontwikkeld, dan bij de meeste andere Hoenders. Hun zonderlinge vorm heeft wel 
eens aanleiding gegeven tot de onderstelling, dat zij van een geheel anderen oor- 
sprong dan de overige Tamme Hoenders zouden zijn. 

Men verkeert schier geheel in onzekerheid hoe en wanneer zij voor het eerst 
gekweekt en standvastig geworden zijn. In Europa zijn zij eerst sinds ongeveer 
vijf en twintig jaar bekend, de eerste werden uit Shanghae aan de koningin van 
Engeland ten geschenke gezonden. Na dien tijd werden er veel van Shanghae aan- 
gevoerd en van 'dezen ook veel aangekweekt. In Nederland, waar zij mede slechts 
kort geleden zijn ingevoerd, zijn zij, ten gevolge hunner bijzondere vruchtbaarheid, 
zeer algemeen geworden. Weinig Hoenders zijn dan ook tegenwoordig meer be- 
kend, dan de Cochinchina's. 

De Hoenderkenners verdeelen ze in drie verschillende hoofdrassen, namelijk: 
Cochinchina's, Brama's en Maleijers. Brama's zijn iets korter van nek en pooten en 
hebben wat langer staart. Maleijers daarentegen zijn langer van nek en pooten, dan 
de Cochinchina's, doch hebben een tamelijk langen staart en over 't algemeen hel- 
derder kleuren, dan de twee eerstgenoemde rassen. Vele hoenderliefhebbers mee- 
nen, dat Brama's en Cochinchina's niet verschillen, dan alleen in kleur. Anderen 
houden 't er voor, dat Brama's bastaarden van Cochinchina's en andere rassen zijn. 

De algemeene naam Cochinchina's is eigenlijk onjuist, daar deze Hoenders niet 
uit Cochinchina, maar uit Shanghae afkomstig zijn. 



De meeste uit Shanghae aangevoerde Hoenders waren wit ol vuil roodachtig 
geel (vaalkleurig). Tegenwoordig vindt men ook Goudpellen, Zilverpellen, Patrijs- 
veeren enz., en zeker zullen er binnen eenige jaren nog wel andere bekend wor- 
den, aangezien het ras nog in zijne kindsheid en zeer vruchtbaar is; daarbij komt 
nog, dat Hanen zoowel als Hennen van dit ras er volstrekt niet tegen opzien, om 
met andere Hoenderrassen in verwantschap te treden; vandaar dat er thans reeds 
hier te lande zoo veel Hoenders gevonden worden, bij welke de grootte der Cochin- 
china's duidelijk zigtbaar is, even als men onder laatstgenoemden dikwijls voorwerpen 
opmerkt, bij welke de kleinere gestalte en verschillende kleuren van andere 
Hoenders kunnen opgemerkt worden. 

Hanen van het echte ras zijn te herkennen aan hunne buitengewone grootte, 
hooge en zware, bevederde pooten, korten staart, sterk ontwikkelde zijde- en 
onderlij fveêren; korte baarden en kleinen, enkelen kam. De oorstreek is bij hen meestal 
van ijle veeren voorzien, en de naakte vlek achter het oor meestal wit, anders 
rood. Bij witte voorwerpen is deze vlek blaauwachtig, bij vale daarentegen meestal 
rood. De pooten behooren geel te wezen, doch zijn bij velen grijs. De bek moet 
lichtgeel of hoornkleurig, en de iris geelbruin zijn. De Hennen verschillen minder 
van de Hanen dan bij andere rassen het geval is. Zij zijn p. m. V 6 kleiner en lig- 
ter, hebben zeer korte kammen, kleine baarden, een korter bek, minder breeden 
nek, maar des te sterker ontwikkeld achterlijf. Op het eerste gezigt vertoonen zij 
reeds het kenmerk van goede eijerlegsters. Niettegenstaande haar grooten omvang, 
zien zij er zeer zachtaardig uit; de Haan daarentegen heeft een brutaal en onbe- 
schoft uiterlijk. 

Witte Cochinchina's hebben dezelfde vormen en eigenschappen als de vale; 
het verschil bestaat alleen in de kleur. Sommige liefhebbers geven aan de eersten, 
anderen weder aan de tweeden de voorkeur. De witte zijn het fraaist, maar de vale 
in den regel het goedkoopst. 

De kuikens van beide rassen (of liever, van beide kleuren) zijn geelachtig wit; 
zij hebben een lang zijdeachtig dons en meestal ook dons aan de pooten. In de eerste 
dagen na het uitkomen zijn zij niet veel grooter dan de kuikens van gewone Zil- 
verpellen: trouwens zijn ook de eijeren niet veel grooter dan die van andere Hoen- 
derrassen. Na de eerste week echter ziet men hen spoediger ontwikkelen, en 
naauwelijks zijn zij eene maand oud, of zij wegen reeds bijna het dubbele van de 
straks bedoelde kuikens. Zij zijn ook minder, dan andere jonge Hoenders, aan 



kwalen en ongemakken onderhevig (wat echter niet wegneemt, dat een vochtige 
grond ook voor hen nadeelig is), krijgen spoediger veeren en zijn vroeger volwassen. 

De eijeren zijn zelden anders dan nankingkleurig ; in den regel is een Cochin- 
china-ei ook meer gelijkmatig ovaal. In verhouding tot den vogel is het ei, gelijk 
we straks opmerkten, zeer klein, maar daarentegen legt de Hen een grooter aantal 
eijeren; eene goed gevoede, gezonde Hen legt namelijk tot 140 eijeren 'sjaars of 
100 per zomer, d. i.: van Maart tot Augustus. Sommige Hennen overschrijden dit 
getal, maar dan zijn er weinige bevruchte eijeren bij en heeft de vogel zelden ge- 
noegzame geschiktheid tot voortteling. 

Als eene gezonde Hen een vijftiental eijeren gelegd heeft, kan men die haar 
laten uitbroeijen, maar ze ook even goed onder eene andere broeister leggen. De 
jongen voert men aanvankelijk even als die van andere Hoenders; doch zoodra 
zij een paar weken oud zijn, moeten zij krachtiger voedsel hebben. Kleine stukjes 
raauw vleesch zijn hun zeer welkom; dit wordt evenmin door de ouden versmaad, 
en mits men hun er niet te veel van toediene, heeft het steeds goede uitkomsten, 
namelijk, wanneer men van de vogels kweeken wil. Om smakelijke eijeren te ver- 
krijgen, is het daarentegen raadzamer, hun gierst, haver, rogge of tarwe te geven; 
want de eijeren van met vleesch gevoerde Hennen missen dien aangenamen smaak 
en hebben meestal een donker gekleurden dojer. 

Gemeste Kapuinen of Poulardes van deze Hoenders zijn zeer gezocht, zoo- 
wel om hun maïsch, smakelijk vleesch, als om hunne grootte, waardoor zij als 
wildbraad, dat van eene Wilde Eend overtrefen. 




V 



v 



v 



DE HOUTSNIP. 

SCOLOPAX RUSTICOLA. 



De Snippen zijn nachtdieren; hare kleuren komen dan ook in menig opzigt 
met die van vele nachtvogels, zoo als Uilen en Geitenmelkers (fiaprimulgus), 
overeen. 

In Nederland kennen wij vier soorten van Snippen, namelijk: 1°. de Water- 
snip, 2°. de Poelsnip, 3°. de Dwergsnip of het Bokje, en 4°. de Houtsnip. Deze 
laatste, de meest bekende en grootste, onderscheidt zich van hare soortgenooten 
door het plompe van hare gestalte en door de kortere, tot aan de hakken van 
vederen voorziene pooten. Het wijfje (de Hen) verschilt alleen hierin van het 
mannetje (den Haan), dat bij haar de eerste vleugelpen lichter is gekleurd en de 
zaagswijze teekening meer in eene ongelijke streek langs de schacht overgaat. 

Bij dag, en voornamelijk bij helder weder, houdt de Houtsnip zich in bosch- 
rijke streken, op vochtigen, beschaduwden grond op, en toeft bij voorkeur nabij 
zware boomen, ten einde zich, bij naderend gevaar, tusschen de kloven van hei 
ondergedeelte van den stam te kunnen verbergen. Gewoonlijk loopt zij bedaard 
en voorzigtig, en drukt zich bij het minste geritsel tegen den grond; het grootste 
gedeelte van den dag brengt zij slapende of op den grond zittende door. Bij 
donker, regenachtig weder komt zij echter wel eens in vlakten langs de zoomen 
van het bosch te voorschijn en is dan schier den geheelen dag in beweging. 

Haar voedsel bestaat uit allerlei aard-insecten (behalve groote kevers), alsmede 
uit slakken en wormen, welke zij met haar langen en buigzamen snavel, die 
haar als tastwerktuig dient, zeer behendig uit den grond weet te halen: zij boort 
namelijk eenige duimen diep in den weeken grond of onder de afgevallen bla- 
deren en vindt dan de daaronder aanwezige insecten op 't gevoel. Bek en pooten, 
die zij daardoor vuil heeft gemaakt, wascht zij in den vroegen ochtend weer af; 



wanneer er soms geen water in de nabijheid is, reinigt zij de pooten met den 
bek, dien zij vervolgens langs de takken schoonwrijft. 

In het najaar kunnen wij de Houtsnip des nachts hooren trekken en, bij 
helderen maneschijn, hare overige nachtelijke bewegingen gadeslaan. Tegen dit 
jaargetijde bezoekt zij namelijk ons land op den trek, en keert dikwijls in het 
voorjaar, op den terugtogt, weder. 

Op den najaarstrek ziet men haar veelal in troepjes van twee tot zes stuks 
vereenigd; bij dag echter is zij gewoonlijk alléén. In het voorjaar', van Februarij 
tot half Maart, schijnen velen reeds gepaard te zijn, of gedurende den terugtogt 
te paren; althans treft men omstreeks dien tijd meestal twee voorwerpen bij 
elkander aan. Dit zou alligt doen onderstellen, dat de gepaarde voorwerpen hier 
te lande broeijen, terwijl de ongepaarde meer Noordwaarts trekken; tegen deze 
onderstelling pleit echter de omstandigheid, dat men hier te lande zeer schaars 
dezen vogel broeijende aantreft. De landen, waar de Houtsnip gewoonlijk broeit, 
zijn: Noordelijk Zweden en Noorwegen, Rusland, Litthauen en Frankrijk; volgens 
sommige natuurkundigen broeit zij ook in Zuidelijk Europa op de bergen, en 
daalt zij daar 's winters in de vlakte af. 

Zij plaatst haar nest, uit drooge grashalmen, verdorde bladeren en dunne 
stengels zamengesteld, in eene kleine holte op den grond, tusschen het lage hout- 
gewas verborgen. Het wijfje legt daar meestal een viertal eijeren, in vorm onge- 
veer naar kievitseijeren gelijkende, geelachtig van kleur en onregelmatig van 
ongelijke rosse vlekjes voorzien. De broeitijd duurt zeventien a achttien dagen, 
en naauwelijks zijn de jongen te voorschijn gekomen, of zij loopen reeds met de 
moeder mede. Hun grijs en donkerbruin geschakeerd dons wordt weldra door 
vederen vervangen, en reeds in het volgende voorjaar zijn de jongen volwassen. 

De Houtsnippen, vooral de jongen van hetzelfde jaar, zijn buitengewoon vet 
en om hun smakelijk vleesch als wild zeer gezocht. Men moet echter goed jager zijn, 
om ze te kunnen schieten; want, gelijk we reeds hierboven zeiden, zij verbergt zich 
meestal, en eerst wanneer het gevaar haar nabij komt, vliegt zij eensklaps op, en is dan 
zoo snel en onregelmatig in hare vlugt, dat men haar slechts moeijelijk treffen kan. 

Variëteiten van dezen vogel zijn niet zeldzaam; geheel witte voorwerpen 
worden echter schaars aangetroffen. Geringe afwijkingen in kleur of teekening, welke 
dikwijls voorkomen, worden als toevallige kleurspelingen beschouwd of aan het 
verschil van luchtstreek toegeschreven. 







v 




BE WATERSNIP. 

SCOLOPAX GALLINAGO. 



De Watersnip behoort, met de Houtsnip, tot de meest bekende soorten van 
haar geslacht. Zij is echter ranker van vorm en hooger op de poolen en heelt 
ook een langeren snavel, dan de Houtsnip. 

Eenige natuurkundigen hebben het geslacht Snippen gesplitst; zij beschouwen 
namelijk de Houtsnip als de type van de eigenlijke Snippen, en de overige soorten 
als een nieuw geslacht, Galllnago genaamd. Volgens de meening dezer natuur- 
kundigen, schijnt de Watersnip de eigenlijke Snippen het meest nabij te komen : 
althans de naam Gallinago scolopacina duidt dit aan. 

Er bestaat bij genoemde soort geen uiterlijk verschil tusschen de seksen, 
ofschoon er dikwijls eenig onderscheid in toon of kleur onder de voorwerpen 
wordt opgemerkt, hetgeen echter waarschijnlijk slechts aan verschil van leeftijd 
of jaargetijde is toe te schrijven. 

De Watersnip wordt nimmer in de bosschen aangetroffen, maar leeft steeds 
nabij het water, aan de oevers der rivieren, langs meeren of plassen; zij houdt 
vooral van moerassige gronden, alwaar zij zich tusschen het hooge gras of in 
het riet verbergt; zij zoekt echter gaarne beschaduwde streken op, zoo als 
kleine, met boomen begroeide eilandjes, en bij voorkeur de met groen bedekte 
slootkanten; daar vooral wordt zij in het najaar door den jager gevonden, en ook 
meestal op dergelijke plaatsen treft men haar broeijende aan. 

Zij maakt haar nest reeds in April of in het begin van Mei tusschen biezen, 
riet of hoog gras, meestal op den vochtigen grond of op neêrgetrapte biezen, 
zoodat de eijeren zelden door eene geheel drooge warmte worden uitgebroeid. 
Deze eijeren, meestal vier in getal, hebben in vorm veel overeenkomst met die 
der Kievitten, doch zijn iets lichter van kleur en hebben minder menigvuldige en 
meer gelijkmatig gekleurde vlekken; ook zijn zij gemakkelijk te herkennen aan 
de bruine, overlangsche vlekken. 



De broeitijd duurt zeventien a achttien dagen; de jongen zijn, even als die der 
overige soorten, buitengewoon vlug, loopen reeds eenige oogenblikken na de geboorte, 
en zijn reeds in hetzelfde najaar volwassen. In hun donskleed zijn zij iets lich- 
ter aan de onderdeelen en donkerder op den rug, en staan ook reeds hooger op 
de pooten, dan de jongen der Houtsnip. 

Zoodra zij uitgekomen zijn, loopen zij met de moeder mede, die hun ge- 
woonlijk eenige passen vóórgaat en de insecten of slakjes oppikt, terwijl zij de 
kleine weekdieren, spinnen en andere zachte voedingsstoffen voor hare jongen laat 
liggen. De oude Snippen nemen ook wel jong groen tot voedsel. 

De Watersnip beweegt zich, loopende zoowel als vliegende, op zeer eigen- 
aardige wijze. Na eenige schreden zoekende voorwaarts te hebben geloopen, blijft 
zij gewoonlijk eensklaps staan, met het hoofd omhoog gerigt, alsof zij zich telkens 
van hare veiligheid wilde overtuigen; vervolgens wipt zij eenige malen zeer schielijk 
met den staart, en loopt een twintigtal snippenschreden in allerijl voort, om op 
nieuw op den grond te zoeken. Dikwijls slaat zij onder het loopen met de vleugels 
of rigt ze, terwijl zij staat, geheel op; veelal ook spreidt zij de vleugels uit en 
rigt zich daarbij dikwijls geheel omhoog. Zij vliegt, bij naderend gevaar, reeds van 
verre op, en draait en keert herhaaldelijk, alvorens regt door te gaan ; doch, eenmaal 
in eene bepaalde rigting voortvliegende, legt zij in weinig tijds groote afstanden 
af. Al deze bewegingen verraden het schuwe, wantrouwende karakter van dezen 
vogel. Het is trouwens geenszins te verwonderen, dat de Watersnip schuw is; 
want weinig vogels vallen meer in 's jagers smaak, dan deze soort. 

In het najaar trekken zij meestal 's nachts, en gewoonlijk in troepjes van twee tot 
zes stuks; omtreeks dien tijd worden er ook bij dag dikwijls velen bij elkander gezien. 

De Watersnip is een teêre vogel; vandaar dat zij, ofschoon zeer snel in hare be- 
wegingen, toch spoedig in de handen des jagers valt; want slechts een enkel 
ha geitje behoeft haar te treffen, en de vogel valt neder. 

De jonge voorwerpen zijn voor de keuken de beste; vooral in het najaar zijn 
zij bijzonder vet. Zij worden, op eene zeer eigenaardige, bekende wijze, met de inge- 
wanden gebraden. In vele landen heeft men de gewoonte, de geschoten Snippen 
aan eene der middelste staartpennen op te hangen, totdat de vogel, tot zekeren 
graad van ontbinding overgegaan zijnde, neervalt, als wanneer hij, volgens de 
meening van vele wildliefhebbers, het best geschikt is om gebraden te worden. 





\ 



V 



DE KIEVIT. 

VANELLUS GRISTATUS. 



Deze vogel, ook Kiwiet, Kivit, Kiewit of Kiviet genoemd, is, van de in ons 
land broeijende Steltloopers, de algemeenste en meest bekende soort. In vorm 
komt hij het meest met de Pluvieren (Charadrius) overeen, van welke hij zich 
echter door den achterteen onderscheidt; door vroegere natuurkundigen werd hij 
dan ook bij de Steltloopers met vier teenen geplaatst en onder de Strandloopers 
(Tringa) gerangschikt. Hij staat eigenlijk, wat vorm van pooten betreft, tusschen 
de Pluvieren en de Strandloopers in, doch scheidt zich door zijne betrekkelijk 
groote vleugels van beide geslachten af en vormt een op zich zelf staand geslacht, 
waarvan de Gewone Kievit de algemeenste soort is en ook de eenige, die in ons 
land broeijende gevonden wordt. 

De wetenschappelijke soortnaam „cristatus" is aan zijne kuif ontleend, terwijl 
de naam „Kievit" van zijn gewoon geroep is afgeleid. 

Het is een trekvogel, die ons van het vroege voorjaar tot in den herfst bezoekt 
en meestal in troepen van tien tot meer dan honderd stuks wordt aangetroffen. 

Het mannetje verschilt slechts weinig van het wijfje, en beider winterkleed is 
nagenoeg aan hun zomerkleed gelijk. 

Er vallen gedurende den paartijd dezer vogels dikwijls bloedige gevechten onder de 
mannetjes voor, en veelal zelfs betwisten alleen blijvende mannetjes het regt van hun 
reeds gepaarden soortgenoot, door dezen, wanneer hij zich nabij het broeijende wijfje 
bevindt, aan te vallen, of door bij het nest van een of ander wijfje te vertoeven, 
terwijl het met haar gepaarde mannetje afwezig is. Wanneer de Kievitten paren, 
d. w. z., als het sterkste mannetje zijne mededingers uit het veld geslagen heeft, 
loopt het wijfje steeds vooruit, terwijl haar aanstaande echtgenoot haar trouw 
volgt; zoodoende rennen zij dan dikwijls uren lang voort totdat beiden vermoeid 



zijnde, eindelijk op eene en dezelfde plaats blijven stilstaan om uit te rusten, 
waarna de paring gewoonlijk spoedig volgt. 

Het nest, dat het wijfje voor hare nakomelingen bereidt, is zeer eenvoudig 
in eene of andere holte in den grond aangebragt ; het bestaat uit een weinig droog 
gras of nedergehaalde grashalmen, die onder het broeijen verdroogen. De Kievitten 
zijn geen kunstenaars in den nestbouw, 'tgeen trouwens ook niet noodig is, daar 
de jongen geen nest behoeven, maar reeds daags na de geboorte kunnen loopen 
en 's nachts onder de vleugelen hunner moeder warmte genoeg vinden. 

De Kievit broeit slechts eenmaal 's jaars, van Maart tot Mei; evenwel kunnen 
vele paren, doordien men hen stoorde of verjaagde of wel hunne eijeren weg- 
haalde, eerst later broeijen, zoodat er ook nog in Julij versch gelegde eijeren 
kunnen gevonden worden. 

Men treft de nesten gewoonlijk in weilanden aan, en wanneer er eenige opge- 
hoogde stukken grond, zoo als groote aardhoopen, in aanwezig zijn, dan heeft 
men veel kans, er een broeijend wijfje of versche eijeren te vinden. Het is evenwel 
moeijelijk en 't vereischt wel eenige oefening, de Kievitseijeren op te sporen, daar 
deze meestal door het gras min of meer bedekt zijn, in eene holte liggen en in 
kleur zooveel overeenkomst met den grond hebben, dat men ze dikwerf ongemerkt 
kan voorbijgaan. Daarbij komt, dat de Kievitten, vooral de wijfjes, onder 't broeijen 
gewoon zijn, zich zoo vlak mogelijk tegen den grond te drukken en onbewegelijk 
te blijven liggen, waardoor zij zich almede aan den blik des mingeoefenden ont- 
trekken. Komt echter het gevaar te zeer nabij, dan staat de broeijende Kievit plotse- 
ling op en bezigt een list, die den onkundige alligt geheel van den weg kan 
brengen: hij loopt namelijk een eind wegs langzaam en huppelend voort en laat, 
als ware hij kreupel, den vleugel hangen, ten einde de opmerkzaamheid van den 
vijand (meestal den mensch) van het nest af te leiden, en eerst na geruimen tijd 
zoo voortgehuppeld te hebben, vliegt hij weer op en keert langs een grooten 
omweg terug. Voor een ervaren eijerzoeker is de listige vogel evenwel verraden; 
want zijne onrust en bezorgdheid houdt hem steeds in de nabijheid van het nest, 
zoodat men na een weinig zoeken dit eindelijk vinden moet. Men heeft ook opgemerkt, 
dat oude, meer ervaren paren, eenmaal van hunne eijeren beroofd zijnde, andere 
plaatsen opzoeken, waar zij zich beter verbergen kunnen, zoo als in hoog gras of 
hooivelden, terwijl daarentegen jongere paren wel driemaal achtereen hunne eijeren 
op dezelfde plaats leggen, vanwaar die vroeger weggenomen werden, zoodat zij 



gevaar loopen, telkenmale verstoord te worden, zonder dat de ondervinding hen 
wijzer maakt. 

De kleur der Kievitseijeren is te wel bekend, dan dat wij ze zouden behoe- 
ven te beschrijven; evenwel is er onder die eijeren dikwijls eenig verschil in kleur 
op te merken: die namelijk, welke op kleiachtige gronden gevonden worden, zijn 
bruiner, dan die uit de weilanden, terwijl de in droogere streken gevonden eijeren 
wederom iets grijzer zijn. 

De eijeren, waarvan er drie a vijf in één broeisel gevonden worden, worden 
gewoonlijk in drie weken, bij koud voorjaarsweder soms in ongeveer vier en 
twintig dagen, uitgebroeid; het mannetje lost daarbij dikwijls het wijfje af, dat 
echter des nachts steeds op het nest blijft. Gelijk wij hierboven reeds aanstipten, 
loopen de jongen reeds daags na de geboorte met de moeder mede; zij pikken 
dan al zeer behendig kleine insecten van den grond, en liglen onder het loopen 
de pooten zeer hoog op, waardoor zij een eigenaardigen gang aannemen. Hoewel 
nog in hun dons, hebben hunne kleuren reeds eenige overeenkomst met die der 
ouden; echter is de keel wit, terwijl het zwart dat aan den kop reeds aanwezig is, 
zich slechts langzamerhand uitbreidt; de rug is bruingrijs en zwart gewolkt en de 
buik wit; de poolen zijn grijsachtig, de oogrand donker bruin, en de pupil buiten- 
gewoon blaauw. Ofschoon zij nog slechts eenige uren oud zijn, is hun instinct 
reeds zeer ontwikkeld: bij het minste, wat hun vreemd voorkomt, drukken zij zich 
tegen den grond, en blijven in die houding liggen, totdat het vermeende gevaar 
voorbij is. Velen gelooven, dat het onrustig schreeuwen der ouden hun het sein 
geeft om weg te kruipen; 't is zeer wel mogelijk; doch ook wanneer de ouden 
afwezig zijn, doen zij, uit eigen beweging, hetzelfde. Voor 't overige gaat het met 
de ontwikkeling hunner verdere eigenschappen niet minder vlug dan met die van 
hun instinct: reeds op den tweeden dag is hun stemgeluid zoo duidelijk, dat men 
hen niet ligt met de jongen van eene andere vogelsoort zou kunnen verwarren; op 
den vijfden dag stappen zij reeds even statig als de ouden, rigten zich omhoog, 
rekken den hals uit en zetten reeds de kuif op, die dan nog slechts uit half 
ontwikkelde veeren bestaat, en op den tienden dag hebben zij reeds vederen op 
den rug en pennen aan de vleugels, sterk genoeg om zich, wanneer zij verjaagd 
worden, al fladderend te redden; zij verschillen nu nog maar weinig met de ouden; 
alleen zijn de rugveêren iets minder glanzig, en hunne keel nog gedeeltelijk wit. 

De ouden houden evenwel nog eenigen tijd een wakend oog over hunne jongen: 



zij wijzen hun het voedsel aan, niet zoo zeer om hun dit te leeren eten, als wel 
om hen op de aanwezigheid daarvan opmerkzaam te maken. De jonge Kievitten 
voeden zich met allerlei weeke insecten, kleine wormpjes en, naarmate zij ouder 
worden, ook met hardere zelfstandigheden, als kevers en slakken. De ouden eten 
slechts insecten, slakjes met huisje en al, enz. Zij pikken hun voedsel eenvoudig 
van den grond, maar boren geen gaten of woelen niet met den bek in het slijk, 
zoo als de Snippen. 

In het najaar trekken de jongen, gelijk met de ouden en in geheele troepen, 
naar de warmere Zuidelijke landen van Europa, ja zelfs tot Egypte, alwaar zij, in 
't gezelschap van andere vogels, zeer talrijk aan de oevers der rivieren gevonden 
worden. 

Gedurende den tijd, dat zij ons land bezoeken, strekken zij velen tot nut en 
voordeel. De ontelbare wormen en slakken, die zij gedurende den zomer op het 
land verslinden, zouden anders ongetwijfeld zeer veel schade aanrigten; hoe meer 
Kievitten er dus op een weiland vertoeven, des te beter zal er het gras groeijen, 
zoodat veehouder en melkboer zeer veel aan dezen vogel te danken hebben. Ook 
hunne zoo vermaarde fijne eijeren zouden wij, indien er geene Kievitten in Neder- 
land broeiden, moeten missen, en velen zouden zich dan van het voordeel beroofd 
zien, dat het vinden dier eijeren oplevert; want de Kievitseijeren worden duur 
betaald en vinden veel aftrek. 

Het is echter bij art. 22 der Jagtwet verboden, na den 5 den Mei deze eijeren 
te verkoopen, uit te stallen of te vervoeren. Dit verbod treft doel; want, werden 
de eijeren gedurende den geheelen zomer weggenomen, de Kievitten zouden ons 
ten laatste geheel verlaten. De wet heeft dus te regt dezen vogel onder hare bescher- 
ming genomen. Minder doeltreffend echter, hoewel blijkbaar door dezelfde bedoeling- 
ingegeven, is art. 21a dier wet, waarbij het vangen of schieten van dezen vogel 
wordt verboden; immers is de Kievit geen standvogel, geen Nederlander, maar een 
trekvogel, en hij trekt dan ook rustig van hier, dewijl de jager, met bedoeld wets- 
artikel voor oogen, geen schot op hem durft te lossen, geene poging te wagen 
om hem te vangen. Naauwelijks echter heeft de vogel onze grenzen overschreden, 
of onze naburen, de Belgen en Franschen, die niet door zulk eene wetsbepaling- 
weerhouden worden, schieten en vangen hem zoo veel zij maar kunnen. Art. 21a 
werkt dus inderdaad alleen uit, dat de Kievit hier te lande behoorlijk gemest 
wordt, opdat men er zich in België en Frankrijk op zou kunnen vergasten. 



DE OOIJEVAAR. 

CICONIA ALBA. 



De Ooijevaar is in verschillende streken van Europa zeer algemeen; in andere 
streken daarentegen komt hij zeer zelden of wel in 't geheel niet voor. In Enge- 
land b. v. is een Ooijevaar eene bijzondere zeldzaamheid, en krijgt men hem daar 
al somtijds te zien, dan is dit gewoonlijk slechts hoog in het luchtruim zwevende. 

In Nederland kent iedereen den Ooijevaar; in weinige landen gevoelt deze 
vogel zich dan ook zóó op zijn gemak, als hier te lande, waarschijnlijk ten ge- 
volge van de massa kikvorschen, die hier 's zomers voor hem te vangen zijn. 
Eene der redenen, waarom hij hier zoo algemeen bekend is, ligt ongetwijfeld 
daarin, dat de Ooijevaar door onze buitenlui beschermd wordt en zich daarom 
meer nabij de woningen durft ophouden en in open velden of aan den water- 
kant loopt, waarbij hij door zijne afstekende witte en zwarte veeren bijzonder 
in het oog valt. Ook doordien hij gewoon is, bovenop huizen of verhevenheden te 
nestelen, kan men hem reeds van verre opmerken. Met het oog op dit een en 
ander, is het dan ook waarlijk geen wonder, dat omtrent den Ooijevaar hier te 
lande allerlei sprookjes worden opgedischt, ja, dat men hier met dezen vogel eigen- 
lijk dweept. De bewijzen hiervan ziet men niet alleen (gezwegen nog van de heral- 
dieke positie, die de Ooijevaar in 's Gravenhage's wapen bekleedt) in de menigte 
uithangborden van herbergen enz., waarop deze vogel staat afgebeeld, maar ook 
en vooral in de menigte spreekwoorden, die van ouds omtrent dezen Nederland- 
schen huisvriend in zwang zijn geraakt: „Waar een Ooijevaar is, daar is geluk te 
wachten", zegt de landman, en „Een Ooijevaar brengt zegen aan", zegt een ander 
spreekwoord, 't Werd mij dan ook wel eens ten kwade geduid, dat ik er een schoot; 
mij dunkt echter, dat het dan toch wel noodzakelijk is, er een meester te worden, 
wil men aan zijne aanbidders duidelijk maken, hoe de vogel er eigenlijk uitziet, 



en hiertoe wenschen we dan ook, na deze korte uitweiding, thans over te gaan. 

Mannetjes en wijfjes dragen een gelijkkleurig vederkleed; de eersten hebben 
echter iets zwaarder bek, zijn over 't geheel iets grooter, en hebben ook een 
krachtiger slemgeluid, dan hunne wederhelft. 

De Ooijevaars broeijen slechts éénmaal gedurende den zomer. Waar zij niet 
in den neslbouw geholpen worden, namelijk door het plaatsen van een wagen- 
wiel bovenop een mast, dak of muur, daar maken zij uit eigen beweging een 
groot, vlak nest bovenop het dak van een of ander buitenhuis. Gaarne bouwen 
zij hunne woning op muren van ruïnen, soms ook in de boomen. Zoo b. v. wordt 
een mast- of dennenboom, waarvan de bovenste takken afgekapt of afgewaaid zijn, 
dikwijls door een paar Ooijevaars in beslag genomen, om er hunne woning in te 
rigten, waartoe zij doode takken als bouwstoffen bezigen. Ofschoon het nest 
groot en zeer in 't oog vallend is, wordt het zelden door roofvogels aangerand, 
maar dient het integendeel dikwijls te gelijker tijd om kleinere, zwakkere vogels te 
herbergen. Het is dan ook volstrekt geen buitengewoon verschijnsel, dal Spreeuwen, 
Ring- en Huismusschen of andere kleine gasten tusschen de takken van een 
ooijevaarsnest komen logeren, ja zelfs daar hunne woningen bouwen. 

De eijeren zijn wit, langwerpig en glanzig en worden door het wijfje in onge- 
veer eene maand uitgebroeid. Hoewel het nest gewoonlijk twee a vier eijeren 
bevat, worden er echter zelden meer dan drie jongen grootgebragt; want al zijn 
er vier eijeren uitgebroeid, dan dringen dikwijls de jongen elkander zoo lang links 
en regts, totdat er een op zijde geduwd of wel geheel naar buiten gedrongen is. 
Zulk een balling wordt door de landlieden een „uitbijter" genoemd. 

De jongen zijn bij het uitkomen van een digt, kort, helder wit dons voor- 
zien; hun snavel is zeer kort en, even als de poolen, donkergrijs; hun ligchaam 
is naar evenredigheid vrij lang, en hun bek groeit bijzonder snel, doch behoudt 
nog lang zijne grijze kleur. Zij ontwikkelen niet zoo spoedig als de jongen der 
meeste andere Steltloopers, hetgeen trouwens ook niet noodig is; want, al waren 
zij vroeger wijs, zij zouden toch hel hooge nest niet kunnen verlaten, vóórdat 
zij vliegen konden. Met de opvoeding der jongen verloopen gewoonlijk zes a acht 
weken, en als zij den eersten vleugelslag zonder halsbreken er afgebragt hebben, 
blijven zij toch nog eenigen tijd in het gezelschap der ouden, keeren met deze 
's avonds naar het nest terug en worden nog door hun gevoed. 

Zoodra de jongen in hun eigen onderhoud kunnen voorzien , vereenigen zij 









zich in troepen en zwerven dan eenigen lijd heen en weder. Telkens voegen zich 
kleine en grootere troepen bij zulk eene steeds aangroeijende bende, en dan 
draaijen en keeren zij zich eenige uren lang hoog in de lucht, orn ten slotte 
eensklaps te verhuizen. Gewoonlijk zijn dan ook in ons land de Ooijevaars op 
eens verdwenen; lol in de eerste dagen van September ziet men altijd nog eenige 
hier en daar, vervolgens bij troepen, en daags daarna is er nergens meer één te 
vinden. 

Omtrent dit wegtrekken, alsook aangaande het terugkeeren van den Ooijevaar, 
is grootelijks van toepassing wat we hierboven aanstipten, nopens de menigte 
sprookjes, die te zijnen opzigte ten beste gegeven worden; niet weinigen toch 
zijn er nog te huidigen dage, die het wegtrekken en terugkeeren dezer vogels 
als iets bepaald raadselachtigs beschouwen, en onverzettelijk zijn in de meening, 
dat ook de wetenschap daaromtrent alle gegevens mist. Dit neemt echter niel 
weg, dat omtrent een en ander, op grond van gedane waarnemingen, het vol- 
gende kan medegedeeld worden. De verhuizing der Ooijevaars geschiedt steeds op 
gezette tijden, onverschillig of het gunstig dan wel ongunstig weder zij. De datum 
van dit verhuizen moge, van het eene tot het andere jaar, soms een veertiental 
dagen verschillen, maar zelden meer. Zij trekken namelijk steeds in het laatst 
van Augustus of het begin van September heen en keeren even geregeld om- 
streeks het laatst van Maart of het begin van April terug. Waar zij heêntrekken, 
is lang onbekend gebleven; doch uit de waarnemingen van natuurkundige rei- 
zigers is gebleken, dat zij van September tot Maart in het Noorden en Noord- 
Oosten van Afrika vertoeven. Volgens de waarnemingen van Dr. A. E. Brehm 
trekken de Ooijevaars tot voorbij 10° N. B., lot in het hart van Afrika. Volgens 
anderen ziet men hen reeds in September aan de oevers van den Nijl aankomen, 
waar zij dan, even als hier te lande, zich met visschen bezig houden. Altijd ziet 
men ze daar in troepen: een bewijs, dat zij daar niet wederom broeijen. Gelijk zij 
heengingen, zoo keeren zij terug; eerst komen de benden; vervolgens zonderen zich 
daarvan kleine en grootere troepen af, om zich hier en daar te verspreiden; ook van 
deze troepen scheiden dan alras de paren zich af, en gewoonlijk trekt ieder paar 
naar zijne vorige broeiplaats terug. Meer dan eens heeft men van dit laatste de 
bewijzen waargenomen. ■ Hoe en waardoor nu de Ooijevaar zijne vorige broeiplaats 
terugvindt, dit, ja, is steeds iets onbegrijpelijks geweest en zal wel waarschijnlijk 
vooreerst nog onbegrijpelijk blijven. 



Ook wat de aanleiding tot het wegtrekken dezer vogels betreft, is men het 
nog alles behalve eens. Sommigen meenen, dat gebrek aan voedsel, anderen, dat 
koude hen daartoe aanspoort. Wel beschouwd, is echter noch het eene, noch het 
andere als oorzaak aan te nemen; immers, de meeste trekvogels verhuizen of- 
schoon er nog voedsel genoeg voorhanden is, en ofschoon zij — gelijk bij het toe- 
vallig overwinteren van sommige dezer voorwerpen gebleken is, en gelijk ik zelf 
ten opzigte van den Ooijevaar 's winters in de diergaarden hier te lande en in Enge- 
land heb waargenomen — de koude van onze winters zeer goed kunnen verdragen. 
Ziehier intusschen, wat er, onzes inziens, van deze quaestie is. Zoo lang men van 
het standpunt uitgaat, dat zulke vogels bij ons te huis behooren, om in het 
najaar slechts voor eenigen tijd te vertrekken, zal men nimmer den regten weg 
ter opheldering vinden. Neemt men daarentegen aan, dat deze vogels in die stre- 
ken, waar zij gedurende ons wintersaizoen vertoeven, inheemsch zijn, en dat zij 
slechts om te broeijen, en om voor hunne jongen geschikt voedsel te vinden van daar 
herwaarts trekken, dan, gelooven wij, zal men de verklaring van dit verschijnsel 
veel meer nabijkomen; want het verhuizen staat bij de meeste trekvogels veel 
meer in verband met. de broeijing, dan met hun voedsel, laat staan dan met de 
koude. 

Wij zouden echter te veel van ons onderwerp afwijken, en moeien dus hier- 
mede van deze quaestie afstappen, daar zij ons de grenzen van Onze vogels 
in huis en tuin verre zou doen overschrijden. Derhalve, wat inzonderheid de 
Ooijevaars betreft, nog slechts het volgende. 

Hun voedsel bestaat uit visch, reptilen, muizen en groote insecten; in tijd van 
nood ook dood aas. In gevangenschap geeft men hun visch en kleine stukjes 
raauw vleesch. Het zijn zeer oplettende, vertrouwelijke vogels. Behalve in dier- 
gaarden en groote tuinen, kan men ze moeijelijk voor liefhebberij houden; want 
opgesloten zijnde, raken zij aan 't kwijnen, worden vuil en zijn dan veeleer lastig 
dan aangenaam. 




J G Keulemans. ad nat'. 



PWMTrap.exe 



_^ .~r/rr// r /ï r/ry/s/;/. 



DE ZWAKTE ZWAAN. 

CYGNUS ATRATUS. 



Van alle bekende Zwanen is er zeker geen sierlijker, dan de Zwarte, die, 
ofschoon zeldzamer dan de witte soorten, toch in onze vijvers wordt aangetroffen 
en van lieverlede minder zeldzaam wordt, daar zij in tammen staat vrij goed voort- 
teelt. Haar vaderland is Zuid- Australië en Tasmania, alwaar zij, volgens waarnemingen 
van natuurkundige reizigers, zich, meestal in troepen, steeds aan de monden der 
rivieren ophoudt en dikwijls in verbazende menigte wordt aangetroffen. Van menige 
plaats echter, waar deze vogels vroeger zeer talrijk waren, zijn zij thans geheel 
uitgeroeid of liever naar andere, rustiger streken verhuisd, omdat zij door de 
aldaar wonende Europeanen onophoudelijk vervolgd en in den ruitijd, wanneer zij 
niet vliegen kunnen, doodgeslagen werden. Misschien is het zeldzame van deze vogel- 
soort wel gedeeltelijk daaraan toe te schrijven; in elk geval echter is het zeer te 
betreuren, dat een zoo kostbare vogel in zijn vaderland wordt doodgeslagen, terwijl 
men hem toch met dezelfde moeite kon vangen en levend overbrengen, waardoor 
hij onder de vogelliefhebbers in ons werelddeel wat meer verspreid zou raken. 

De Zwarte Zwaan is door hare kleuren en als gefriseerde vleugelveêren een 
waarlijk sierlijke vogel; in haar vaderland is zij nog veel donkerder dan bij ons, 
en de oude voorwerpen zijn daar geheel blaauwzwart. 

Het mannetje is iets zwaarder van kop en iets krachtiger van stemgeluid, dan 
het wijfje, maar is overigens in kleur aan haar gelijk. 

In den natuurstaat maakt het wijfje een eenvoudig, maar zeer groot nest in 
het riet. Zij legt vier a zeven grijsachtige eijeren, die in omstreeks veertig dagen 
uitgebroeid worden. Indien men voor dezen vogel in den tammen staat geen nest 
of broeiplaats gereed maakt, bouwt het wijfje mede haar nest zelve, en waar het 
haar aan bouwstoffen ontbreekt, gebruikt zij soms daartoe haar eigen dons. 



"Wil men meer dan vier eijeren van één wijfje hebben, dan moet men, zoodra 
er een gelegd is, dit wegnemen, maar steeds zorgen, dat het wijfje op het laatst 
hare eijeren zelve kan uitbroeijen; meer dan zes broeit zij er zelden in eens uit. 

De pasgeboren jongen zijn niet zwart, maar grijsachtig wit, met grijze pooten 
en donkere oogen. Het dons wordt eerst dan veel donkerder, wanneer er de don- 
kergraauwe veeren tusschen te voorschijn komen. In hunne twee eerste jaren zijn 
de jonge voorwerpen veel graauwer dan de ouden, doch worden, naarmate zij in 
leeftijd vorderen, al zwarter en glanziger. Zij zijn reeds met hun tweede jaar tot 
voortteling geschikt, en kunnen vijftig en meer jaren oud worden. 

't Is niet ondienstig, voor deze vogels, in de nabijheid van een vijver, eene 
woning in te rigten, namelijk een uit rietmatten of uit mandewerk zamengesteld 
hok van ongeveer een kubiek Ned. el inhoud en met de geheel geopende voorzijde 
naar het water gerigt. De meest geschikte plaats voor zulk een hok is tusschen 
heesters of onder boomen, liefst zooveel mogelijk beschut. De Zwanen zullen er 
wel niet altijd gebruik van maken, maar kunnen er toch een schuilhoek vinden, 
wanneer het 's nachts te koud of het weder te guur is. 

De Zwarte Zwaan voedt zich hoofdzakelijk met kleine waterplanten en zaden; 
ook eet zij gaarne kleine weekdiertjes, die zij van den bodem en langs de water- 
kanten vangt, waartoe zij, daar zij niet duikt, den kop onder water steekt; bla- 
deren van kropsalade en jonge kool neemt zij bij voorkeur. Zij houdt van diep, 
helder water, en kan de koude vrij wel verdragen; bij strenge vorst dient men 
haar echter naar binnen te halen. 

Hare eigenschappen komen met die der Tamme Witte Zwanen in vele opzigten 
overeen; zij is even moedig en zwemt even statig. 

Voor velen is zij echter nog eene weinig of in 't geheel niet bekende soort, ver- 
mits zij eerst in de vorige eeuw in Europa levend werd gezien en nog slechts sedert 
eenige jaren in ons land meer algemeen is geworden. De eersten, die, ongeveer eene 
eeuw geleden, in Nederland leefden, werden dan ook als iets hoogst zeldzaams 
beschouwd, te meer daar alle destijds bekende Zwanen wit waren. 

Eene nog zeldzamere en kleinere soort is de Zwarthals-Zwaan (Cygnus nigri- 
collis), wier ligchaam wit, doch wier hals en kop zwart zijn. Zij is afkomstig uit 
Zuid-Arnerika en wordt soms in deze of gene diergaarde levend gezien. Evenwel 
is de kans, om deze soort te acclimatiseren, vooreerst weder voorbij, omdat de 
weinige voorwerpen, die in Europa leefden, bijna allen gestorven zijn. 




V 

\ 
■x 

si 



8 




8 

^ 






\cv\l 



V 



DE DONKEKE BEEGEEND. 

ANAS TADORNOIDES. 



Er bestaan cenige Eendensoorten, welke door hare vormen van de Zwem- 
eenden afwijken en meer den overgang van dezen tot de Ganzen vormen. Zij 
maken eene groep uit, welker soorten in zeer verschillende gewesten leven, en 
waartoe, in Europa, de Bergeend (Anas tadorna of Tadorna vulpanser) behoort. 
Deze groep vormt de nieuwe geslachten Tadorna en Casarca en bestaat uit de 
volgende soorten: 1°. de Bergeend (T. vulpanser); 2°. de Donkere Bergeend (T. 
tadornoïdes); 3°. de Zwartkop-Tadorna (T. variëgata), waarvan het wijfje een 
witten kop heeft, en 4°. de Radja-Eend (T. rhadjah), waarop de Casarca' s volgen , 
als: 1°. de Gewone Casarca-Eend (C. rutila), en 2°. de Groote Gasarca (C. cana). 
Voor Tadorna variëgata wordt ook dikwijls de naam Casarca variëgata gebezigd, 
omdat deze den overgang van het eerst- tot het laatstgenoemde geslacht schijnt 
te vormen. Het meest van elkaêr in vorm verschillend zijn de Tadorna rhadjah 
en de Casarca cana. 

De Donkere, hierbij afgebeelde Tadorna bewoont het Zuid-Westen van 
Australië, alwaar hij, meestal in menigte, aan de monden der groote rivieren 
wordt aangetroffen, hoewel hij meer in het gebergte dan bij het water leeft; hij 
schijnt zich namelijk bij voorkeur in zulke streken op te houden, waar de grond 
uit vlakke, kale steenen bestaat, en waar weinig groen of schaduw te vinden is. 
In Tasmanië trelt men hem dan ook op kale rotsen en nabij het zeestrand aan. 

De Waard (het mannetje) onderscheidt zich van de Eend (het wijfje) door 
zijn zwaarder stemgeluid, door zijne meerdere grootte en doordien hij geen wit 
aan den kop heeft. De Eend heeft namelijk een witten band aan het voorhoofd, 
langs den snavel en om het oog een witten ring, den witten halskraag minder 
duidelijk, en hetgeen bij het mannetje geelachtig is, wordt bij het wijfje dooreene 



donkerder, meer roestbruine kleur vervangen, terwijl de kleuren bij haar minder 
sterk afgescheiden zijn. 

De jongen zijn, in hun donskleed, bijna aan die der Wilde Eend (Anas 
boschas) gelijk, maar iets donkerder. 

De kleur en het getal der eijeren zijn onbekend. Volgens Gould broeijen zij 
tusschen de spleten van rotsen, op den vlakken grond en in boomholen. 

De Donkere Bergeend is nog weinig onder de liefhebbers verspreid; evenwel 
schijnt zij in gevangenschap wel te willen voorltelen, zoodat er kans bestaat, 
dat wij deze soort weldra even talrijk als de Gewone Bergeend in onze vijvers 
zullen aantreffen. Tot nog toe komt zij alleen in diergaarden voor; ten minste, 
voor zoover ons bekend is, heeft hier te lande nog geen particulier vogellief- 
hebber haar in zijn bezit. In den zoölogischen tuin te Londen leven twee paren, 
die met gerst worden gevoerd en verder hun levensonderhoud in waterplanten 
vinden; zij zwemmen daar in kleine bassins, welke overvloedig met lage heesters 
zijn omzet, en in welker nabijheid des zomers de noodige materialen voor den 
nestbouw worden aangebragt ; zij hebben er echter nog niet gebroeid. Bij zeker lief- 
hebber te Kew leeft een paar, waarvan het wijfje eijeren heeft gelegd, die echter, 
waarschijnlijk door den Waard, zijn vertrapt, zoodat men er slechts de gebroken 
overblijfselen van heeft teruggevonden. 



vl' 






<"-ƒ %% 



".'.<» 



i ; - 1 




1 -t j 


p ■ % : i 


IR 




IJ 


1, ï 


11 ! 


* I 5 




DE BEKGEEND. 

ANAS TADORNA. 



De Eenden (Anas) worden in twee afdeelingen gesplitst, namelijk: Zwemeen- 
den en Duikeenden. Het kenmerk van de eersten, de Zwemeenden, is, dat zij 
geen zoomvlies aan den duim hebben, het ligchaam horizontaal dragen en wag- 
gelend loopen, en bij het zwemmen niet of weinig duiken. Onder de tweede af- 
deeling (Duikeenden) worden de soorten begrepen, die een zoomvlies aan den 
duim bezitten, bij het loopen gewoonlijk het ligchaam opgerigt houden, en zich 
over 't algemeen gemakkelijker op den grond en beter of sneller in het water 
kunnen bewegen, aan welk laatste zij dan ook den naam van Duikeenden te dan- 
ken hebben. 

De Bergeend vormt den overgang van de Eenden tot de Ganzen. Zij wordt in 
Nederland niet veelvuldig aangetroffen. Voor 't overige komt zij in geheel Europa, 
alsmede in West- Azië tot Indië, en ook in China voor. Hier te lande vindt men haar in 
de duinstreken der kustprovinciën, en tegenwoordig het meest nabij den Hoek van 
Holland. Vroeger hield zij zich meer algemeen aan den Helder op, alwaar zij ook 
broeide; doch ten gevolge der menigvuldige strooptogten van inwoners en buiten- 
lieden, is zij geheel van daar verdwenen; de eijeren werden weggehaald en zelfs 
de ouden niet ontzien, waarom deze vogels eene veiliger verblijfplaats zochten, en 
zoo eindelijk aan genoemden Hoek van Holland teregtkwamen. Wel is waar wor- 
den ook daar, even als aan den Helder, vele eijeren weggenomen, en dikwijls de 
ouden gevangen, doch wij hebben daaraan de voorwerpen, die in onze vijvers 
leven, te danken. De jagers (en stroopers) verkoopen namelijk de gevonden eijeren 
aan vogelkweekers, die ze door de Tamme Eend of door Hoenders laten uitbroeijen. 

De Bergeend legt gewoonlijk acht tot veertien eijeren, welker kleur geelachtig 
wit is. De jongen zijn in hun donskleed aan de onderdeden parel-wit en hebben ge- 



deeltelijk bruinzwarte bovendeden. Even als alle andere Eenden, behouden zij het dons 
gedurende hun geheele leven. De vederen, die na de eerste drie weken langzamerhand 
te voorschijn komen, hebben dezelfde kleuren als het dons, en bedekken dit naarmate 
zij menigvuldiger en langer worden , zoodat de vogel, om zoo te zeggen, een tweede 
kleed over het eerste aantrekt. Dit nieuwe kleed moet echter nog vele veranderin- 
gen ondergaan, vóórdat het zijne volkomen kleuren heeft. Die verandering begint 
reeds wanneer de jongen een half jaar oud zijn; hier en daar komen dan bruine 
streepjes te voorschijn, die voortdurend in omvang en in getal toenemen, totdat 
eindelijk het volmaakte vederkleed aanwezig is. 

Gedurende dit tijdsverloop heeft er bij de mannelijke jongen nog iets anders 
plaats: het aangroeijen van den vleeschachtigen knobbel op den bek; deze is bij 
sommige voorwerpen reeds zigtbaar zoodra de bruine vederen zich beginnen te 
vertoonen, bij andere iets later, doch alle mannetjes krijgen den knobbel terwijl 
de vederen van kleur veranderen. Onder het aangroeijen van den knobbel neemt 
zijne kleur, even als die van den bek, in helderheid toe, doch eerst in het tweede 
of derde levensjaar komen zij tot hunne volmaakte grootte en helderste kleuren. 

Alsdan heeft de Waard (men weet dat bij alle inheemsche Eendensoorten 
het mannetje Waard of Woerd, en het wijfje Eend genoemd worden) meer dan 
aanspraak op den naam van een mooijen vogel, en de afbeelding, die wij van de 
Bergeend geven, is dan ook naar een zoodanig voorwerp gemaakt. 

Als de broeitijd voorbij is, verdwijnen de heldere kleuren meer of min; de 
vogels zien er dan zoo frisch niet meer uit, de knobbel wordt gewoonlijk kleiner, 
en de kleur fletser; doch dit alles wordt in het nieuwe broeijaar hersteld, als 
wanneer de Eenden en Waarden er zelfs nog fraaijer uitzien, dan in de vorige 
lente. Hunne schoonheidswaarde neemt dan ook met hun leeftijd toe, want de 
ouden overtreffen in alles hunne jongere soortgenooten. 

In gevangen staat legt en broeit de Bergeend alleen dan eijeren uit, wanneer 
zij zich in groote ruimte en in helder stroomend water kan bewegen. 

Doordien dus het broeijen in gevangen staat niet menigvuldig geschiedt, zijn 
ook de variëteiten zeldzaam. Niettemin komen er schoone en zonderlinge verschei- 
denheden voor, die óf door kruising met andere soorten óf toevallig ontstaan, 't Is 
dan ook wel jammer, dat in ons land, waar zooveel overvloed van frisch water 
bestaat, zoo weinig liefhebbers er zich op toeleggen, nieuwe verscheidenheden 
te verkrijgen. Men is in andere landen, vooral in Engeland, ons hierin verre 



vooruit, want de meeste dergelijke producten komen van daar. Zoo b. v. waren 
er, in 1859, in den zoölogischen tuin te Londen drie Eenden, die uit het mannetje 
van de Bergeend en het wijfje der Casarca (Anas casarca) geteeld waren, en 
waarvan twee, beiden Waarden, de volgende zonderlinge combinatie van kleuren 
vertoonden. De bek, zonder uitwas, had eene flets roode kleur; kop en hals waren 
gelijk aan die der Tadorna. De krop, alsmede de eerste kleine vleugelpennen en 
de onderdekvederen van den staart waren geelachtig bruin, terwijl de rugvederen 
gedeeltelijk de teekening van beide ouders hadden, ofschoon de hoofdkleur meer 
naar het bruinzwart overhelde. De zijden van het ligchaam waren grijs en als ge- 
poederd, even als bij den Waard van de Wilde Eend. De derde, een wijfje, geleek 
eenigzins naar de beide mannetjes, doch de tinten kwamen meer met die der 
moeder overeen. De groenachtig zwarte kop was aan het voorhoofd, rondom de 
oogen en onder aan den hals met wit omzoomd, en hare bovendeelen waren iets 
roodachtiger dan die der beide andere jongen. 

Vele eendenhouders zullen ook waargenomen hebben, dat zich bij deze twee 
soorten {Anas tadorna en casarca), als zij in het voorjaar bij elkander gelaten wor- 
den, dezelfde voorafgaande verschijnselen voordoen, als bij die voorwerpen, 
welke tot eene en dezelfde soort behooren. 

Zoo bestaan er ook bastaarden of wel afwijkingen, die met de voorwerpen 
eener andere soort (Tadorna variegata) overeenkomen, en waaronder velerlei over- 
gangen in kleur gevonden worden, zoo als met een geelachtig witten kop en een 
ongelijkmatig donker gekleurd ligchaam. Anderen hebben een zwarten kop en ge- 
streepte of onregelmatig gekleurde bovendeelen, de zijden als gepoederd, en ge- 
lijken over 't algemeen eenigzins naar den Waard der Wilde Eend (Anas boschas); 
waarschijnlijk is deze variëteit, dan ook een bastaard van den Waard der tamme 
soort met de Berg-Eend. 



I ÉM4 










V 



DE WILDE EEND. 

ANAS BOSCHAS. 



De Wilde Eend, het stamras van al onze verschillende Tamme Eenden, 
hewoont bijna geheel Europa, alsmede Noord- Amerika tot aan de golf van 
Mexico, en is op die plaatsen, waar zij gevonden wordt, meestal zeer menigvuldig. 

In ons land is zij de algemeenste eendensoort, en wordt, ofschoon zij eigenlijk 
een trekvogel is, dikwijls broeijende aangetroffen. 

Zij onderscheidt zich van alle andere eendensoorten, doordien bij den Waard 
dé vier middelste bovendekveêren van den staart naar voren gekruld zijn. Tus- 
schen den Waard in zijn prachtkleed en de Eend is zoo veel verschil in kleur, 
dat niemand zich in de sekse vergissen zal. De Eend is namelijk niet alleen veel 
kleiner, maar heeft ook een meer grijzen bek, en haar geheele ligchaam is ge- 
lijkmatig bruinachtig gestreept, behalve de keel, die lichter van kleur is. De Waard 
verliest, echter niet door ruijing, omstreeks Junij, dus na den broeitijd, zijn 
zomer- of liever prachtkleed; eenige vederen vallen uit, maar worden niet door 
andere vervangen; de vederen van rug en borst verliezen het eerst haar glans en 
worden fletser; daarna vallen de omgekrulde veeren aan den staart uit, enkomen 
er graauwe veertjes aan den kop te voorschijn, die de groene langzamerhand 
geheel vervangen, zoodat in ongeveer eene maand al de zoo fraaije veeren in 
een bruinachtig pak zijn overgegaan en de Waard bijna geheel de kleuren der 
Eend heeft aangenomen. 

Eerst in Augustus begint de ruitijd. De Eend wisselt dan haar zomerkleed 
voor een winterpak van dezelfde kleur, doch is voller in de veeren, en de Waard 
krijgt langzamerhand zijne fraaije kleuren terug en komt omstreeks October weder 
in volle pracht te voorschijn. De Waard heeft dus, in tegenstelling met de meeste 
andere vogels, zijn prachtkleed van het najaar tot den volgenden zomer. 



De broeitijd der Wilde Eend duurt van Maart tot Mei. Het nest is van gras, 
worteltjes en biesjes gemaakt en heeft weinig kunstmatigs. Het ligt steeds nabij 
het water, hetzij langs den oever, of in het riet. Somtijds bouwen zij het ook 
op wilgenboomen, namelijk op die, welke ten gevolge van herhaalde snoeijing 
alleen uit breeden stam en slechts dunne takken beslaan. Dat de Wilde Eend ook 
in holle boomen en in de bosschen, ver van het water, zou broeijen, is misschien 
wel eens waargenomen, doch dit is buiten den regel en zekerlijk door bijkomende 
omstandigheden veroorzaakt. 

De eijeren, soms veertien in getal, zijn glanzig groenachtig wit, en worden 
alleen door de Eend in omstreeks eene maand uitgebroeid. Zoodra het laatste ei 
gelegd is, verwijdert zich de Waard van de Eend, doch blijft steeds in de nabij- 
heid van het nest. De Eend draagt daarentegen zeer veel zorg voor hare aan- 
staande nakomelingschap en is eene ijverige broeister. Zij verlaat het nest nooit 
zonder eerst de eijeren met grashalmen of riet overdekt te hebben, en wanneer 
haar onder het broeijen het een of ander vijandig wezen nadert, verdedigt zij 
haar nest door te bijten en aan te vliegen. 

Daar de Eend eerst bij het laatst gelegd ei begint te broeijen, komen de 
jongen meestal op een en denzelfden dag uit. Bij de geboorte zijn zij nog eenig- 
zins week of klam, en kunnen zich slechts met moeite bewegen. Velen meenen, 
dat de kuikens, zoodra zij uit het ei komen, onmiddellijk te water gaan; dit ge- 
schiedt echter eerst eenige uren later, wanneer zij, door de moederlijke warmte, 
wat gedroogd zijn; alsdan gaat de Eend zelve vooruit, de jongen volgen haar 
zonder aarzelen, en de geheele eendenfamilie onderneemt den watertogt; de jongen 
zwemmen al zeer aardig, duiken en zoeken in het kroos of langs den waterkant 
naar voedsel. De Eend verliest geen harer jongen uit het oog, en waarschuwt of 
beschermt hen zooveel mogelijk. Er bestaan echter voor de kuikens vele gevaren, 
waaraan zij zelden ontsnappen; voor roofvogels kunnen zij zich verbergen, maar 
is er een snoek of waterrat in de nabijheid, dan is gewoonlijk een der Eendjes 
verloren. Men heeft evenwel dikwijls opgemerkt, dat de Eend onder luid ge- 
kwaak eensklaps het water verliet en onmiddellijk door al de jongen gevolgd werd, 
zonder dat men vooraf eenig teeken van gevaar in het water kon opmerken; 
waarschijnlijk had in zulke gevallen de Eend een dier vijanden bespeurd (want de 
vogels bezitten, vooral wanneer zij jongen hebben, fijner instinct, dan menigeen wel 
zou onderstellen), waarom dan ook de kuikens,, hare waarschuwing begrijpende, 



in allerijl aan wal stapten. Dergelijke voorzorgsmaatregelen zijn ook menigmaal bij 
de Tamme Eenden op te merken. Soms treedt ook de Waard, die eerst na het 
uitkomen der jongen zich bij de familie voegt, tot hunne bescherming op, doch 
den regel bemoeit hij zich daarmede weinig. 

Het voedsel der ouden bestaat in kleine slakjes, water-insecten, jong groen 
en kroos; somtijds, doch alleen bij gebrek aan beter voedsel, eten zij ook kleine 
vischjes. De jongen worden niet gevoederd, maar vinden zelve hun levensonder- 
houd zoodra zij in het water komen. 

In het najaar zijn het vooral de jongen, die als goed wildbraad worden 
aangemerkt, ofschoon de volwassenen evenmin te versmaden zijn. Men jaagt ze van 
Augustus tot December en later, 's nachts of in den vroegen morgen. De jagers 
bezigen daartoe eenige uit hout gesneden eenden, die geverwd worden en welke 
men, in gezelschap van eenige tamme voorwerpen, op eenigen afstand laat drij- 
ven. Deze houten eenden zijn met touwtjes aan elkander gehecht, zoodat men ze 
naar verkiezing trekken kan en zij de boot, waarin zich de jagers bevinden, 
volgen moeten, wanneer deze van plaats verandert. De voorbijtrekkende Wilde 
Eenden, die door het geroep der Tamme en den aanblik van de houten voor- 
werpen in den waan worden gebragt, dat zij een geheelen troep reismakkers 
vóór zich zien, dalen en worden, nog vóór zij in het water komen, door den 
jager, die zich achter eenig riet verbergt, geschoten. Op die wijze wordt men 
er velen magtig en is het de meest eigenaardige jagt. 

Om tamme Eenden te verkrijgen, dient men eerst Wilde te vangen, die tam 
te houden en te laten broeijen. Dit gaat echter met vele moeijelijkheden gepaard; 
want de jonge Wilde voorwerpen zijn niet ligt magtig te worden, en zelfs wan- 
neer eijeren van Wilde Eenden door Tamme worden uitgebroeid, zwemmen of 
vliegen de daaruit voortgekomen jongen weg, of zij zijn schuw, wild en laten zich 
zelden temmen. Men vangt dus gewoonlijk de halftamme, die men verkrijgt door 
Tamme Eenden tegen den paartijd los te laten, en wel op die plaatsen, waar 
reeds Wilde gezien zijn. Deze Tamme nu zullen meestal met de Wilde Waarden 
in aanraking komen, paren en broeijen, en de jongen, die daaruit geboren wor- 
den, zijn de zoogenaamde halftamme. Deze zijn, onder de hoede eener tamme 
moeder, zeer goed te genaken of komen dikwerf met haar uit eigen beweging 
aanzwemmen. Verschillende broeisels van halftamme Eenden worden opgevangen, 
gekooid of in tammen staat gehouden, en wanneer deze onderling paren, zullen 



de daaruit voortspruitende jongen geheel tam zijn. Geheel Wilde Eenden, oud 
gevangen zijnde, worden dikwijls even mak, maar broeijen niet altijd met 
reeds getemde Eenden, of zij vliegen tegen het voorjaar weg, om nimmer weder 
te keeren. 













^«■1 



DE CAEOLINE-EEND. 

ANAS SPONS A. 



Van alle in onze vijvers voorkomende zwemvogels, is voorzeker de Caroline-Eend 
eene der fraaiste soorten. In veler oog is de Waaijer-Eend fraaijer, doch menig 
liefhebber zal zich bij voorkeur van Caroline-Eenden willen voorzien. In elk geval 
zijn beide soorten prachtige watervogels, en zonder haar is een vijver niet com- 
pleet. Men treft ze dan ook in alle landen aan, en zij behooren, ofschoon uit- 
heemsch, tegenwoordig tot de zeer algemeene vijvervogels. 

De Caroline-Eend is echter eerst sedert kort in Europa geacclimatiseerd; de 
Waaijer-Eend wordt slechts sinds eenige jaren in ons werelddeel aangetroffen. 

De vogel, waarvan wij hier eene afbeelding geven, behoort in de heete 
streken van Noord-Amerika te huis, gelijk trouwens reeds zijn naam aanduidt. 
Het is een zvvemeend, ofschoon sommigen meenen, dat het een Taling is, terwijl 
anderen haar tot een nieuw geslacht (Aix) gebragt hebben. 

Het verschil, dat bij de Caroline-Eend tusschen de seksen bestaat, isiederen 
liefhebber genoeg bekend; alleen hebben wij er de aanmerking bij te voegen, dat 
zeer oude Eenden (wijfjes) dikwijls een geheel groenen kop en ook de witte 
streepen krijgen, en dat ook haar rug geheel met eene glanzige bronskleur over- 
dekt wordt, zoodat de Eend, wanneer zij zeer oud geworden is, in kleuren meer 
met den Waard overeenkomt. 

In den vrijen staat voedt de Caroline-Eend zich met allerhande zaden en 
granen, die zij langs het water of op het drooge opzoekt. Zij nestelt niet op den 
grond, maar op boomen, meestal op takken, doch ook dikwijls in holen, wanneer 
die niet te diep en breed genoeg zijn. 

De Eend legt tien a zestien eijeren, iets grooter dan die van den Taling en rosachtig 
wit van kleur; de vorm dezer eijeren is bijna ovaal, of liever, zonder stompe of 



spilse kant; de schaal zeer glanzig en fijn, zells min of meer wasachtig. 

Wanneer de jongen uitgekomen zijn , moeten zij, al naar de ligging van het 
nest, nog een zeker aantal uren wachten, alvorens te water te kunnen gaan. 
Daar nu het zwemmen en baden voor hen eene natuurlijke behoefte is, en de 
nog slechts met dons gedekte jongen niet vliegen kunnen, worden zij door de 
moeder uit het nest naar een nabijgelegen stroom gedragen, üe wijze, waarop 
dit dragen geschiedt, is zeer belangwekkend: de moeder neemt namelijk de jon- 
gen één voor één in den bek, of drukt het tusschen kin en borst, en vliegt er, 
in die houding , dikwerf zeer ver meê weg. Volgens waarnemingen van anderen , 
zou zij de jongen eerst allen op den grond neerzetten en vervolgens ze naar het 
water leiden. 

De jonge voorwerpen zijn, wanneer zij uit het ei komen, donkerbruin op de 
boven-, en geelachtig aan de onderdeelen. In kleur hebben zij zeer veel overeen- 
komst met de jongen der Wilde Eend (Anas boschas) en zijn, vooral bij gelijke 
grootte, dikwerf niet van dezen te onderscheiden; eene jonge Garoline-Eend van 
drie a vier dagen staat namelijk in grootte gelijk met eene jonge Wilde Eend van 
anderhalf a twee dagen. Wanneer zij rnet de jongen der Waaijer-Eend op 
dezelfde plaats gehouden worden, is het gewoonlijk zeer moeijelijk, eenig verschil 
in beide soorten op te merken; evenwel zijn de jonge Caroline-Eenden steeds 
donkerder van kleur. 

De jongen behouden gedurende het eerste jaar nagenoeg de kleur der moeder; 
reeds in het volgende jaar telen zij voort en op tweejarigen leeftijd zijn zij volwassen. 

Het opkweeken der jongen geschiedt op gelijke wijze, als bij de jongen der Berg- 
eend (Anas tadorna) reeds gezegd is. Men laat namelijk de eijeren door Kippen uit- 
broeijen en voedert de zeer jonge Eendjes met gehakt ei en brood- of beschuitkruimels. 

Frisch water en zindelijke hokken zijn hoofdvereischten; wanneer het 
water des winters bevroren is, dient men bijten te hakken, of, bij te strenge 
vorst, de vogels naar binnen te brengen. 

De Garoline-Eenden zijn vrij sterk en zeer tierig van aard. In tammen staat 
paren zij soms met de Waaijer-Eend; ook paart nu en dan de Waard met de 
Eend van den Zomertaling en anderen. Variëteiten worden niet aangetroffen, 
ofschoon men dikwijls eenig verschil in helderheid van kleur of toon kan opmerken. 

De koopprijs, die natuurlijk van de schaarschte of den overvloed van aanbod 
afhangt, is gemiddeld /"20 voor het paar. 



• v ■Wr^JEwn^in^Tr' ' ^ i /T 7 1 ^n^^n'^v'viy ■>?? w™ ™S* 1 '?fiwS™ViHö 




m 






mhn^^HHHBi 



WmmM 



Wm 



WwM 



mrnmmmM 






SHRJH 



.. ; I • 






spa 



iigPl 



1 












■' ' 

JH8E 
KMpÏv 



Kr 



wÊÈm 

■ ■■■ 1 ■'■'■''■'.' '"; 






&i